De waterstanden van de wanhoop; 'GEDACHTEN' VAN BLAIRE PASCAL VOOR HET EERST IN VOLLEDIGE NEDERLANDSE EDITIE

ZOU ER OOIT een groter en chronischer twijfelaar hebben geleefd dan Blaise Pascal, de man die te boek staat als de grote verdediger van het christendom in tijden van barre aanvallen op het godsgeloof?...

'De dingen hebben tegengestelde eigenschappen en het innerlijk heeft tegengestelde neigingen', schrijft hij nog tamelijk aan het begin van de tientallen pagina's die hij vol heeft gekrabbeld met zijn gedachten. Die 'gedachten' lijken overigens meestal eerder invallen te zijn, samengevatte gedachten als betroffen zijn aantekeningen geheugensteuntjes of zelfs slechts sleutelwoorden, dan enigszins uitgewerkte notities. De Pensées, die hem blijvende roem hebben opgeleverd, zijn wat dat betreft de weergave van gedachten in hun meest authentieke vorm: grillig, verward en dikwijls onvoltooid - inderdaad, ongeveer zoals ze zich in een mensenhoofd voordoen.

Wie ze achter elkaar leest en het opbrengt geruime tijd door te lezen, neemt geen deel aan een gedachtengang, maar is getuige van de gang van iemands gedachten, van een stroom ogenschijnlijk willekeurige associaties en inzichten, waaraan iedere ordening en logica, al was het maar die van de zelfbeheersing, lijken te ontbreken.

De dingen hebben tegengestelde eigenschappen, zegt hij, en wij strijdige neigingen: wat heb je dan nog over? Als de wereld zich op zo'n wispelturige manier manifesteert en wij, die er kennis van willen nemen, ook nog eens ten prooi zijn aan tweestrijd, zou er dan nog iets zijn waarover we een zinvolle uitspraak kunnen doen en, gesteld dat er zoiets is, hoe krijgen we het dan voor elkaar voor zo'n uitspraak te kiezen en niet voor het tegendeel?

'Wat zich aan het innerlijk voordoet, is nooit eenduidig en het innerlijk benadert geen enkel onderwerp ondubbelzinnig, vervolgt dezelfde notitie. Onzekerheid stapelt zich op onzekerheid, wat op het eerste gezicht onder handbereik leek, wijkt zodra je je hand ernaar uitsteekt en als je vervolgens naar die hand kijkt, is het de vraag of het wel een hand is.

Echt opschieten doet het niet. En dat het hier gaat om een gedachte die in het hoofdstuk 'Ellende' is opgenomen, verbaast geen mens: hier is een man in nood.

Want als je er even bij stilstaat, bij zoveel schuivende grond onder je voeten, besef je dat iemand die dit oprecht gelooft, beter kan ophouden met denken en onderzoeken - of, nog onomwondener gezegd, dat als zo iemand iets aan de weet had willen komen, hij er, na het vaststellen van de ellendige toestand waarin hij zich bevindt, maar beter meteen een eind aan kan maken.

Dat heeft Pascal niet gedaan; hij heeft zich uitgeput in het verkennen van de twijfel en het zoeken naar vaste grond, maar wie de Pensées nu leest, kan dat niet anders doen dan in verbazing en, even later, ontzetting over zoveel intieme wanhoop. De man die reeds op jeugdige leeftijd een rekenmachine ontwierp, een grappige rekenkundige driehoek opstelde en die, naar verluidt, ook de kruiwagen heeft bedacht, had kennelijk in het dagelijks leven meer greep op de dingen dan wanneer hij er in de beslotenheid van zijn studeerkamer streng over nadacht. Zijn praktisch vernuft moet zoveel groter zijn geweest dan zijn vertrouwen, zijn zelfinzicht zoveel genadelozer dan zijn bereidheid in het dagelijks leven her en der een compromis te sluiten.

Het bracht hem tot grote bitterheid. 'Aangezien de mensen niet in staat waren de sterfelijkheid, ellende en onwetendheid te verhelpen', schrijft hij onder het kopje 'Verstrooiing', 'zijn ze op het idee gekomen gelukkig te worden door totaal niet aan die dingen te denken.' Die toon overheerst in zijn Gedachten, het is de toon van teleurstelling. Ze zijn doordrongen van een besef van zinloosheid, vooral als het om kennis en kennisverwerving gaat. Terwijl de wetenschappelijke revolutie van de zeventiende eeuw om hem heen haar successen boekte, zat een van haar kinderen zichzelf op te vreten van twijfel. 'Al die ellende bewijst juist de menselijke grootheid', schrijft hij, maar het is een schrale troost. 'Het is de ellende van een groot heer, van een onttroonde koning.'

Misschien is dit zijn meest kenmerkende notitie, gedachte 69: 'Ellende. Job en Salomo.' Meer staat er niet, maar zo is het welsprekend genoeg. Zoveel ondenkbare narigheid, zoveel tweestrijd dat de denker de gedachte niet eens meer uitwerkt, maar eenvoudig in twee sleutelwoorden hoopt vast te leggen, in twee oudtestamentische namen hoopt te bedwingen.

Je schiet er bijna van in de lach. 'Ellende. Job en Salomo': hier meldt iemand opgejaagd de waterstanden van de wanhoop, de coördinaten van de intellectuele ontreddering, kennelijk in de verwachting dat hij de teloorgang van Job nog kan intomen met de wijsheid van Salomo.

Tegen beter weten in. Want zijn gedachten blijven een aaneenschakeling van schrijnende twijfel - al is vertwijfeling vermoedelijk een adequater woord - en ze worden bekroond met een ontsnappingsstrategie die nu, meer dan drie eeuwen later, eigenaardig aandoet.

Eigenaardig, en opnieuw deerniswekkend. De woeste sprong waarmee de auteur van de Gedachten op een gegeven ogenblik pardoes in de armen van de God van het christendom belandt, is eerder een beetje zielig dan overtuigend. Wat dat betreft is het merkwaardig dat Pascals Pensées in de eeuwen na hun ontstaan vooral zijn gebruikt als verdediging, als apologie voor het christendom. Zijn bekering is immers een wanhoopssprong, en zeker niet de onvermijdelijke conclusie waarvoor hij haar zelf schijnt te houden.

Achteraf beschouwd is het begrijpelijk dat zijn 'bekering', dat plotselinge inzicht dat zekerheid alleen maar ontleend kan worden aan het geloof in God, aan een goddelijke openbaring en een rechtstreeks kennis nemen van het goddelijke garantiebewijs, aanleiding geweest is voor allerlei romantische verhalen, waarin Pascal optreedt als een soort Paulus die in een flits tot troostrijk inzicht geraakt.

Zijn levensverhaal en de wordingsgeschiedenis van de Pensées zijn van begin af aan omgeven geweest met anekdotiek en mythevorming. Dat is heel begrijpelijk, want de Pensées dagen er toe uit te gaan fantaseren over de man die ze schreef. Dat komt door hun wonderlijke combinatie van authenticiteit, openhartigheid en onvolledigheid. Ze vormen onmiskenbaar een autobiografie, maar wel een die in gruzelementen ligt en waaraan alle data ontbreken. Ze bieden daardoor hooguit de kroniek van een karakter; hoe dat karakter het voor de rest maakte en hoe die gedachten zich zo hebben kunnen voordoen, blijft een kwestie van gissen.

Gewoonlijk heeft de biograaf meer kennis van de feiten van iemands levensgeschiedenis dan van diens meest particuliere hersenspinsels, maar bij Pascal is het precies omgekeerd. We weten veel beter wat hij dacht dan wat hij deed.

A LS AUTOBIOGRAFIE bevinden de Pensées zich ergens tussen de Belijdenissen van Augustinus en de gedenkschriften van Rousseau in: de gedachten zijn de stapstenen van een tocht die tot zelfinzicht moest leiden, een onderneming die ernstig op die van Augustinus lijkt. Maar ze zijn in hun intieme karakter tegelijkertijd van een openhartigheid die vooral aan die van Rousseau doet denken. Het verschil zit in het volslagen ontbreken van welke toespeling dan ook op wat de auteur buiten zijn studeerkamer meemaakte.

Het is daarom een beetje spijtig dat Frank de Graaff, die op voorbeeldige wijze een Nederlandse editie van Pascals Gedachten verzorgde, geen levensgeschiedenis van Pascal heeft opgenomen, om al die gedachten hun plaats te geven in de cultuurgeschiedenis. Zeker waar Pascal voortdurend reageert op dingen die hij gelezen heeft - op de filosofen die in zijn tijd in de mode waren, maar vooral op zijn grote voorganger Montaigne, zijn voorbeeld en tegenstander tegelijk - schreeuwt de tekst om toelichting. De Graaff is nauwgezet en vermoedelijk uitputtend in zijn filologische annotatie: geen citaat, verminkt of vervormd, speels gebruikt of demagogisch geparafraseerd, of hij geeft er de herkomst en de oorspronkelijke redactie van, en voor alle lastige vertalersproblemen verantwoordt hij zich.

Daardoor is hij erin geslaagd te breken met de tradities waarvan Pascal eeuwenlang het slachtoffer is geweest, namelijk die van de christelijke apologetiek of het aforistisch vermaak. De talrijke eerdere Nederlandse versies van Pascals Pensées waren bloemlezingen, waarbij de samensteller zelf Pascals gedachten uitkoos en ordende. Het is dan ononontkoombaar dat zo'n selectie een doel dient, en meestal was dat doel de verdediging van het christelijk geloof.

In onze eeuw is daar een zekere belangstelling voor de psychologie van de auteur bijgekomen. In de selecties die ik ervan ken uit de jaren vlak voor de Tweede Wereldoorlog, krijgt Pascals werk het karakter van een interessante casus, een voorbeeldig geval van een nog nader te definiëren ziektebeeld.

De Graaff komt de eer toe Pascals gedachten in hun geheel te presenteren - en dat is in het Nederlands voor het eerst -, inclusief de warrige tussenvoegsels, de vreemde kopjes die erboven staan en die vermoedelijk bedoeld waren als aides de mémoire voor een later gebruik, en in de volgorde waarover in de loop van deze eeuw door de grote Franse Pascal-kenners overeenstemming is bereikt. Hij geeft bovendien niet alleen de ingedeelde gedachten, maar ook de losse, alsmede de verschillende varianten uit de twee versies die er van het handschrift bestaan (één is het origineel, het tweede werd vlak na zijn dood in afschrift vervaardigd, voordat Jan en Alleman aan het manuscript begon te trekken om er zijn eigen zaak mee te bepleiten).

Daardoor peutert hij Pascal los uit een hardvochtige en opportunistische traditie en geeft hij de auteur terug aan de cultuur. Nu kan iedere lezer er zijn eigen Pascal uit fabrieken; het is de moeite waard in de gaten te houden of en hoe dat gebeurt.

Maar het is jammer dat het daarbij gissen blijft naar de context. Het verhaal van zijn 'bekering', in de nacht van 23 november 1654, mag dan al dikwijls verteld zijn, niet iedere lezer van deze editie zal het kennen, juist omdat het hier om een culturele, een cultuurhistorisch verantwoorde gaat, en niet om een preek voor de eigen parochie. 'Zekerheid. Gevoel. Vreugde. Vrede. . . Het vergeten van de wereld en van alles behalve God. . . Grootheid van de menselijke ziel. . . Vreugde, vreugde, vreugde, vreugdetranen', staat er op dat blad, dat volgens de één een papiertje was, volgens een ander een manchet van zijn hemd, inderhaast gebruikt om er een aantekening op te maken, als een scholier die een spiekbriefje vervaardigt, en volgens weer een andere, compromiszoekende auteur, een papiertje genaaid in de zoom van zijn kleding.

Die vreugde, die bevrijding, die geexalteerde toon, ze zijn los van hun tijd en omstandigheden net zo lastig te begrijpen als die enorme vertwijfeling en de krampachtige pogingen daaraan te ontsnappen waarmee iedere bladzijde van de Pensées doordesemd is. Er is echt een zekere kennis van de Contrareformatie, het zeventiende-eeuwse jansenisme, de beweging van Port-Royal en Pascals persoonlijke verbondenheid met alledrie voor nodig om dat allemaal op zijn merites te kunnen beoordelen.

N IET VOOR NIETS beseft Pascal dat zijn voorbeelden Augustinus en Montaigne zijn. Blaise Pascal werd in 1623 geboren, als zoon van een intellectueel uit de provincie - uit Clermont, in Auvergne, waar vader Pascal een magistraat was die in zijn vrije tijd aan wiskunde deed. Het is zowel de tijd van de grote verwachting als het om de wetenschappelijke vooruitgang gaat - Descartes schreef in die jaren zijn Discours, Galilei raakte verwikkeld in kerkelijke processen: de rede ging, kortom, zijn krachtmeting met het geloof aan - als die van de grote theologische gevechten die de naweeën vormden van Reformatie en Contrareformatie.

Het leerstuk van de voorbeschikking van de mens, van meet af aan door een almachtige God in de schepping verankerd, speelde niet alleen een beslissende rol in het protestantisme en bij de in de Lage Landen uitgevochten strijd tussen rekkelijken en preciezen, maar ook in het Franse katholicisme. De grâce suffisante van de jezuïeten, waarin nog ruimte bestond voor de vrije wil van de mens, stond lijnrecht tegenover de op Augustinus geïnspireerde grâce efficace van de jansenisten, waarbij God alleen bepaalt of een mens uitverkoren is of tot in der eeuwigheid zijn tanden mag gaan knarsen in het hellevuur.

Pascals familie koos voor de jansenisten; zijn zuster zou zich halverwege de zeventiende eeuw bij de kloosterlingen van Port-Royal voegen, het bolwerk van jansenistisch denken. Zelf refereert hij dikwijls aan Port-Royal, ook in de Pensées.

Het gaat daarbij niet alleen om theologische haarkloverijen over thans enigszins exotisch aandoende onderwerpen. In de kwestie van de vrije wil zat de vraag verborgen van het menselijk kenvermogen: alles goed en wel met die door Copernicus, Kepler en Galilei gepropageerde wetenschappelijke revolutie, maar hoe kunnen we, als we ons zoveel eeuwen hebben laten misleiden door onze waarnemingen, erachter komen dat we het nu wel bij het juiste eind hebben?

Montaigne's tijd, het einde van de zestiende eeuw, had een hernieuwde aandacht gebracht voor de sceptici en de stoïsche filosofen van de Oudheid: was het niet verstandiger hun alles relativerende wereldbeeld over te nemen en af te wachten, zowel in geloofszaken als in zaken van wetenschappelijke kennis? Pascal is aanhoudend met hen in gevecht, en telkens opnieuw geeft hij toe dat het argument van de sceptici een grote overtuigingskracht bezit.

'Instinct en verstand, kenmerken van twee naturen', schrijft hij in zijn hoofdstuk 'Grootheid'. Dat is zijn dilemma. Maar ook: 'Ik kan mij wel een mens zonder handen, voeten of hoofd voorstellen (. . .), maar ik kan mij geen mens zonder denken voorstellen.' Hij wist voldoende van het denken van zijn bijna-tijdgenoot Descartes om te beseffen dat alle denken voortkomt uit twijfelen, ja, misschien zelfs samenvalt met dat twijfelen.

Maar hij kan er niet mee uit de voeten, want 'alles wat onbegrijpelijk is houdt nog niet op te bestaan'. Dat obsedeert hem en jaagt hem angst aan. 'De eeuwige stilte van deze eindeloze ruimten vervult me met angst', schrijft hij in het hoofdstuk dat 'Overgang' heet.

Uit die angst is zijn sprong omhoog voortgekomen. Die ziet er inmiddels even merkwaardig als aandoenlijk uit, maar aan de drijfveer is geen vezel ons vreemd.

Michaël Zeeman

Blaise Pascal: Gedachten.

Vertaald uit het Frans en geannoteerd door Frank de Graaff.

Boom; 480 pagina's; ¿ 69,50 (na 1 juni ¿ 79,50).

ISBN 90 5352 149 6.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden