De verleiding van de retoriek; FRANSE INTELLECTUELEN EN HUN ENGAGEMENT IN DEZE EEUW

EN HET STUK heette aanvankelijk niet eens 'J'Accuse. . .': die kop, die er in grote, vette letters, inclusief de Céline-achtige drie puntjes en het mollige uitroepteken, op de voorpagina van L'Aurore boven stond, op die dertiende januari 1898, en die de krant van die dag tot een sleuteldocument heeft...

Émile Zola, die, ofschoon hij een verdienstelijk fotograaf is geweest en de auteur is van de belangwekkende en nog altijd uiterst leesbare twintigdelige romancyclus Les Rougons-Macquart, toch bovenal herinnerd zal worden als de auteur van dat ene krantenstuk, 'J'Accuse. . .', had oorspronkelijk strikt zakelijk 'Lettre au Président de la République, M.F. Faure' boven zijn stuk geschreven - en dat was het ook, een open brief aan de toenmalige Franse president, Félix Faure.

Zou het zoveel invloed hebben gehad, zou het zich zo stevig hebben genesteld in het collectieve geheugen van de beschaafde wereld, wanneer het zo was blijven heten, 'Lettre au Président de la République'? Is het, anders gezegd, de retorische vaardigheid of de hang naar demagogie van zijn eindredacteur, Clemenceau, geweest die Zola tot de aartsvader heeft gemaakt van de geëngageerde intellectuelen, tot degene wiens handeling de geboorte heeft bewerkstelligd van dat begrip en zelfs van dat woord, 'intellectueel', dat door talrijke van zijn tijdgenoten voor een verfoeilijk neologisme werd gehouden?

Is Zola daarmee niet alleen de eerste schrijver die zich op deze wijze, namelijk door zich tot het grote, kranten lezende publiek te richten, opwerpt voor een zaak die hem hooguit als burger aangaat, als een van de velen, maar toch niet primair als schrijver, maar is hij daarnaast ook meteen al het slachtoffer van het gebruik dat anderen - politici, gewiekste persbaronnen, partijgangers - daarvan maken? Is zijn geval dan niet alleen het eerste voorbeeld van het optreden van een geëngageerde intellectueel, maar meteen ook het meest volledige, het oervoorbeeld waar alle stompzinnige naïveteit, warmhartige bevlogenheid en potsierlijke beschikbaarheid voor misbruik al in vertegenwoordigd waren - al die karakteristieken die geëngageerde intellectuelen in de eeuw die erop volgde tegelijkertijd zo vermakelijk als ook tragisch hebben achtervolgd?

Clemenceau was nog niet zo lang betrokken bij de publicatie van L'Aurore toen Zola er zijn stuk inleverde. Hij was een teleurgesteld politicus, die zich weliswaar het lot had aangetrokken van de geheel ten onrechte veroordeelde en naar het Duivelseiland voor de kust van Frans Guyana verbannen kapitein Alfred Dreyfus, slachtoffer van een Salonfähig Frans antisemitisme, maar die zich toch vooral ook om zuiver opportunistische, ja, machiavellistische redenen had aangesloten bij de Dreyfusards.

Hij was vooral, in de woorden van zijn geestverwant Léon Blum, toen een jonge, aankomende intellectueel, een bevlogen en belijdend Dreyfusard - en joods -, later een hogelijk gerespecteerd politicus, 'een vreemd personage, die de misantropie doorvoerde tot op een wreed cynisme, die niet geloofde in de zuiverheid of de doelmatigheid van welke menselijke handeling dan ook en voor wie die handelingen tegelijkertijd een noodzakelijke plicht waren, een levensvoorwaarde'. Blum spreekt over Clemenceau als 'een jacobijn, de vleesgeworden staatsraison, die de collectieve orde verkoos boven de rechtvaardigheid'.

Het zijn scherpe karakteriseringen, maar wel van een geestverwant, die die historische eindredactionele ingreep er alleen maar verdachter op maken: een mensenhater, op het cynische af. Er is immers zoveel intellectueel protest geweest in de eeuw na 'J'Accuse. . .' dat het hoofdzakelijk van zijn retoriek moest hebben en dat bij nadere analyse telkens een stuk opportunistischer en machtsbeluster blijkt dan de vrome woorden over rechtvaardigheid en waarheid aanvankelijk deden vermoeden.

In het meeslepende boek dat de van oorsprong Poolse, maar thans door en door Franse contemporain-historicus Michel Winock de titel Le siècle des intellectuels gaf, en waarvoor hij eind verleden jaar de Prix Médicis voor het essay kreeg, is het als een telkens terugkerend akkoord in een fuga. De drijfveren van het intellectuele protest mogen uiteenlopen tijdens de beschreven eeuw, de gestalte die het aanneemt is er strijk en zet een van retorisch geweld, van de verlekkerdheid die zich van de auteur van om het even welk 'J'Accuse. . .' ook meester maakt zodra hij een beetje op dreef is gekomen. Er is vrijwel geen bevlogen auteur geweest die eraan ontkwam.

Zola wist er zelf ook raad mee. In het artikel dat hij zes weken voor 'J'Accuse. . .' in Le Figaro geschreven had, over dezelfde kwestie-Dreyfus, is het 'Le Syndicat' dat als een hamerend begrip alinea na alinea, volzin na volzin, terugkeert - het is bijna of je Shakespeare's grafrede voor Julius Caesar zit te lezen. De betovering van het woord, van de fraaie zin, van de goed geplaatste herhaling, beneemt je gemakkelijk het zicht op wat er nu feitelijk betoogd wordt. Zo stamelend en stotterend als Zola's optreden voor de rechtbank, even later in het naar hem genoemde proces dat uit 'J'Accuse. . .' voortkwam, zou zijn, zo begenadigd was hij wanneer hij zijn vak, schrijven, uitoefende.

Dat heeft hij gemeen met de twee andere grote helden en de talrijke antihelden uit Winocks historische overzicht - André Gide en Jean-Paul Sartre, die met Zola's tegenstrever, Barrès, Winocks ijkpunten zijn in de geschiedenis van het Franse twintigste-eeuwse intellectualisme. Wat voor hen geldt, geldt voor de figuren die Winock als contrapunten gebruikt, van Maurras en Martin du Gard tot Aron, zo verschillend als ze zijn in hun opvattingen en optreden. Wat hen bindt is dat ze wisten hoe je proza schrijft dat als een dokwerker op de lezer afkomt en die lezer verleidt door de klinkende kracht van het woord, en ze lieten zich vrijwel allemaal even gemakkelijk meevoeren door de innerlijke drijfveren van hun proza, de aangeboren kracht van hun zinnen. De geschiedenis van de intellectuele bemoeizucht in de twintigste eeuw is bovenal de geschiedenis van een zichzelf opwarmende retorica.

'Wantrouw de dichters', zou vele jaren later een dichter schrijven die er diep in zijn hart ook onstuitbaar naar verlangde vooral buiten de poëzie, in de politiek en het openbare leven, serieus te worden genomen. 'Wantrouw de dichters, zij kiezen zichzelf als maat voor de wereld (. . .), zij geloven alleen in de macht van het prachtige woord dat hun denken versuikert (. . .). Wantrouw de dichters, zij kiezen de vorm als heilig.'

DE VERLEIDING van de retoriek, waarbij de schoonheid van het vlammende betoog het algauw wint van de afweging der argumenten en het controleerbare en steekhoudende karakter van het gehele betoog: je ziet het bij Zola, bij zijn tegenstanders, die zich even hard groepeerden en organiseerden als zijn medestanders, je ziet het een generatie later bij Gide en ten slotte is er geen bekwamer woordkunstenaar te vinden dan Sartre zelf, die zich immers in het grootste deel van de gevallen waarin hij zich engageerde en aan het schrijven of ondertekenen sloeg, even later zakelijk gesproken hopeloos vergist bleek te hebben.

Je ziet het, in zijn meest onbenullige vorm, ook bij ons, bij de spijtoptanten onder de modieus geëngageerde halfintellectuelen van weleer die zich afgelopen week door Frits Bolkestein in het Amsterdamse Paradiso lieten ontbieden om daar collectief aan een enigszins dégoutant ideologisch flagellantisme te gaan doen. Het wordt kostelijk geïllustreerd door de oud-redacteur van De Waarheid, Elsbeth Etty, die zich daarbij als een soort Onze Lieve Vrouw van de Eeuwigdurende Vergissing heeft weten te onderscheiden door de mededeling 'gek te zijn op het afleggen van verantwoording'.

Waarvoor dan in godsnaam, vraag je je af: voor die stukjes in dat toen al erg onbenullige blaadje, nee toch zeker? En: hoe kun je in 's hemelsnaam 'dol' zijn op het afleggen van verantwoording, generiek en ongespecificeerd? Maar nee, dat zijn de verkeerde vragen: het gaat immers om het ritueel, om het retorische karakter van zo'n mededeling. Veel 'j'accuse mezelf' zeggen, en klaar is de even taal- als windgevoelige intellectueel; de klank is verkieslijker dan de inhoud.

De liga die zich honderd jaar geleden, prompt na diens veroordeling, rond Zola vormde kende dergelijke rituele voorkeuren ook al; het is wat dat betreft veelzeggend dat het proces-Zola in de media algauw het proces-Dreyfus overschaduwde. Die liga greep, om haar ambities te formuleren, terug op de Déclaration des droits de l'Homme et du Citoyen van 1789, het beginselprogramma van de Franse Revolutie. Het gaat er niet om dat de Verklaring van de Rechten van de Mens en Burger waarmee de Franse Revolutie haar idealen verwoordde geen schitterend en bruikbaar stuk zou zijn, het gaat erom dat een groep intellectuelen die zich rond een concrete, specifieke politieke, juridische of maatschappelijke kwestie verenigt, zich beroept op een ouder document, dat helemaal niet over die kwestie gaat, maar dat ondertussen wel een krachtig historisch, sentimenteel en retorisch gezag heeft. Het 'hoe' gaat dan gemakkelijk het 'wat' verduisteren, de macht van het prachtige woord versuikert het denken.

Als er iets is dat in Winocks boek duidelijk wordt, is het dat wel. De schema's van actie en reactie, die tot op de huidige dag het debat kenmerken over de rol van de intellectueel, de wenselijkheid daarvan en de risico's die eraan kleven, zijn in feite van begin af aan gegeven. Het is ermee als met schaakpartijen die iedere keer op precies dezelfde manier openen en die tot diep in het middenspel exact dezelfde zetten blijven vertonen, om daarna steevast in een warrige remise te eindigen. Iemand, een intellectueel, beweert iets, hij krijgt bijval; anderen, ook intellectuelen, maar veelal van een verketterde of bedenkelijk bejegende garnituur, gaan daar tegenin, en binnen de kortste keren is het steekspel zelf belangwekkender dan de zaak waar dat spel om begonnen werd.

HET IS veelzeggend dat Winock zijn boek begint met het bezoek dat de Dreyfusard Léon Blum aflegt bij de dan nog door hem bewonderde Maurice Barrès, tot dan toe pleitbezorger van een estetisch individualisme en dus bij uitstek geschikt om de rijen van de Dreyfusards, die zich verzetten tegen pompeuze en ridicule opvattingen over de natie, de samenleving, het leger, de joden, te versterken. Barrès, die even later een fervent verdediger zou worden van de stelling dat het boomblad zich dient te voegen naar de boom, heeft zelfs nog enige dagen geaarzeld voordat hij Blum liet weten niet van de partij te zijn - althans niet van diens partij.

Een dubbeltje op zijn kant: terwijl de zaak-Dreyfus er een was waarin het ging om recht versus onrecht, het individu tegen de gemeenschap, werd de uitwerking er een van stijl, van literaire stijl. Dat geldt voor Barres en dat geldt evenzeer voor Zola - en het motief keert telkens terug.

Zola, wiens moed in de zaak Dreyfus buiten kijf is, was ook iemand die werd voortgedreven door zijn besef een buitenstaander te zijn. Hij was een uiterst succesvol schrijver en zijn romancyclus maakte hem tot de chroniqueur van een tijdperk, van een samenleving, net als Balzac dat een generatie eerder was geweest - maar het literaire establishment en, misschien nog belangrijker, de bourgeoisie accepteerde hem niet. Het lidmaatschap van de Académie Française, dat de erkenning had moeten zijn voor zijn schrijverschap, werd hem bij herhaling onthouden: hij bleef in de ogen van zijn thans allang vergeten schrijvende collega's een soort journalist, en in die van de bourgeoisie een non-conformist, of misschien zelfs een anti-conformist, zo succesvol en welvarend als hij was. Naast zijn zin voor rechtvaardigheid in de zaak-Dreyfus heeft ook dat, het gevoel een auteur maudit te zijn, hem geïnspireerd bij zijn stellingname.

Hoe zei Elsbeth Etty het ook weer, van de week tegen Bolkestein? 'Wij waren de protestgeneratie en ons lidmaatschap van de CPN was een ondoordachte en primitieve vorm van protest tegen de VVD.' Het gaat om dat stiekeme 'wij' en dat reactionaire karakter, die beide zo flagrant in tegenspraak zijn met de intellectuele belijdenis van individualisme en zelfkritiek. Maar het zijn wel de kenmerken bij uitstek van het intellectuele engagement - en het zijn stilistische kenmerken, retorische. Ze steken keer op keer de kop op en benemen gaandeweg het gevoerde debat het zicht op de werkelijke kwesties en de waarde van de te berde gebrachte argumenten.

In zijn Plaidoyer pour les intellectuels, een boek uit zijn nadagen, schrijft Sartre dat intellectuelen oorspronkelijk lieden waren die door werk waarvoor een zekere intelligentie vereist was, vaardigheid verworven hadden in redeneren en nu hun vakgebied verlieten om die vaardigheid toe te passen bij het bekritiseren van de gevestigde macht en de samenleving uit naam - en nu komt het - van 'een globaal en dogmatisch begrip van de mens'. Vaardigheid in het redeneren, gelegitimeerd met zo'n nauwelijks nader gemotiveerd mensbegrip en met de al evenmin toegelichte begrippen rechtvaardigheid en waarheid hoog in het vaandel, ziedaar het recept. 'Een moralist verdwaald in de jungle van de politiek', noemde Raymond Aron, een intellectueel van een stuk koelere soort, Sartre.

Het is het intrigerendste van Winocks boek, de telkens optredende herhaling van dezelfde schema's van denken en verketteren, van bijval en tegenstand. De begrippen intellectueel en anti-intellectueel buitelen over elkaar heen, maar ze veranderen haast ongemerkt keer op keer van inhoud; dat ligt niet aan Winock, maar aan de hitte waarmee zijn personages hun gedachten formuleren - en vooral aan het platoonse karakter dat het idee 'intellectueel' in hun ogen kent. De definitie is aantrekkelijker dan de praktisering.

'De grootste ziekte van de ziel is de koude', zei Clemenceau - de cynicus, de opportunist. Misschien zit daar de crux, want je kan evengoed zeggen dat de grootste ziekte van de ziel de oververhitting is. Wie slecht leest, vindt daar een legitimatie van het anti-intellectualisme in. Wie, zoals Winock, vooral streng op zichzelf is en trouw aan de feiten, vindt er een vermaan tot intellectualisme in - zij het niet van de platoonse signatuur.

Michaël Zeeman

Michel Winock: Le siècle des intellectuels.

Seuil, import Nilsson & Lamm; 700 pagina's; ¿ 64,05.

ISBN 2 02 030063 X.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden