De tragedie van een 'sjolemmacher'

David Cohen was in de oorlog een van de twee voorzitters van de door de Duitse bezetter opgerichte Joodsche Raad....

OP DE DAG dat David Cohen, een van de twee voorzitters van de Joodsche Raad, 60 jaar werd, kreeg hij van zijn medewerkers een bijzonder geschenk aangeboden: een feestalbum met meer dan honderd foto's die een beeld moesten geven van het werk van de Raad. De verzameling foto's, waarvan het Jaarboek Oorlogsdocumentatie enkele jaren geleden een selectie publiceerde, vormt een verbijsterend document. Het album werd aangeboden op oudejaarsdag 1942, in een tijd waarin de nazistische vervolgingen naar hun hoogtepunt gingen, maar op de foto's is daarvan vrijwel niets terug te vinden.

Wat schokt, is de volstrekte alledaagsheid van de taferelen: een vergaderend herengezelschap, een kantoor, een postkamer, een kantine, schoolklassen, een bibliotheek, een drukkerij. Alles ziet er redelijk normaal uit, is althans zo gewoon mogelijk voorgesteld.

Niets wekt de indruk dat de duizenden brieven aan familieleden en vrienden in die onbekende oorden niet werden bezorgd, dat de vruchten van de beroepsopleiding nooit geplukt zouden worden en dat achter deze bureaus de deportaties administratief werden voorbereid. Het album toont mensen die leefden in een sinistere schijnwereld, geënsceneerd door de bezetter.

De Joodsche Raad was in februari 1941 op last van de Duitse bezetter opgericht, met als belangrijkste doel de Nederlandse joden onder controle van een verantwoordelijke centrale organisatie te brengen. Deze maatregel zou het begin blijken te zijn van een onmenselijke tragedie. Terwijl de Joodsche Raad onder voorzitterschap van de classicus Cohen en de diamantair Asscher onderhandelde met de Duitse autoriteiten, in de hoop tijd te winnen en concessies los te krijgen, werden steeds meer joden afgevoerd naar kampen, eerst in Nederland, maar al snel verder, naar het oosten, de gaskamers tegemoet, al wist niemand dat nog. De overlevingsstrategie van de Joodsche Raad bleek uit te lopen op een regelrechte catastrofe.

Het patroon dat zich in Nederland in de jaren 1940-1943 aftekende, week in een aantal opzichten af van de ontwikkelingen in andere bezette landen. Zo kende Nederland in tegenstelling tot België en enkele andere West-Europese landen geen militair, maar een burgerlijk bestuur. Vrijwel overal koos de joodse leiding voor een 'realistische' aanpassingspolitiek, in de hoop daarmee de verwoesting van de gemeenschap te vertragen en het lot van de gemeenschap draaglijker te maken.

Over het beleid en de houding van de joodse raden ontstonden na de bevrijding in sommige landen felle polemieken. De joodse leiders die de oorlog hadden overleefd - een kleine minderheid - werden in sommige gevallen verguisd of verstoten, in andere gevallen met respect behandeld. Toch volgden al deze leiders min of meer dezelfde overlevingsstrategie.

In Nederland liep het oordeel over de Joodsche Raad en zijn voorzitters sterk uiteen, vooral in joodse kringen zelf. Aan de ene kant realiseerde men zich dat de Raad niet veel keus had gehad en dat bovendien een niet onaanzienlijk aantal overlevenden aan de gaskamers was ontkomen dankzij de bescherming die de Raad op een bepaald moment had geboden. Daartegenover stonden het pijnlijk gemis van familieleden, vrienden en buren, en het knagende gevoel dat er fouten waren gemaakt en er sprake was geweest van willekeur en bevoordeling. En terwijl de regering noch justitie aanvankelijk veel animo toonde om zich te begeven in deze pijnlijke en ingewikkelde kwestie, riep een aantal overkoepelende joodse organisaties zelf een zuiveringscommissie in het leven.

Hoewel deze Ereraad, die overigens slechts een moreel en geen juridische oordeel kon vellen, niet uitsluitend in het leven was geroepen om zich met de Joodsche Raad bezig te houden, concentreerde de aandacht zich vanaf het begin op Asscher en - vooral - Cohen, die de Raad had gedomineerd. De laatste toonde zich vol vertrouwen: 'Ik ben overtuigd, dat een onderzoek van de Ereraad niet een veroordeling tengevolge zou hebben, maar (. . .) een vrijspraak met een dankbetuiging voor de verrichte diensten.' Het liep echter allemaal anders.

Op 6 november 1947, een week voordat de Ereraad zijn eindoordeel zou vellen, werden Asscher en Cohen op last van de procureur-fiscaal van het Bijzondere Gerechtshof in Amsterdam in verzekerde bewaring gesteld. De actie wekte alom verbazing: waarom werden de twee voorzitters nu gearresteerd, tweeënhalf jaar na de bevrijding, terwijl er bovendien geen gevaar was dat zij zouden proberen te vluchten? Na protesten van juridische zijde, vanuit de Tweede Kamer en het buitenland werden de twee na een maand weer vrijgelaten; de klachten werden later geseponeerd.

Kort daarop publiceerde de Ereraad zijn oordeel over Asscher, Cohen en de andere leden van de Joodsche Raad die nog in leven waren. De medewerking die zij hadden verleend aan de invoering van allerlei maatregelen, werd daarbij bestempeld als 'laakbaar' en de selectie van personen in verband met de deportaties in het voorjaar van 1943 als 'zeer laakbaar'. Deze uitspraak leidde tot heftige reacties binnen de joodse gemeenschap, waarbij ook de werkwijze van de Ereraad werd aangevochten. In een poging tot verzoening werd een jaar later besloten een Beroepsraad in het leven te roepen, maar men vond onvoldoende kandidaten die bereid waren daarin zitting te nemen. Intussen zag Cohen zich gedwongen al zijn functies neer te leggen.

NA DE UITSPRAAK van de Ereraad leek het tumult rond deze delicate geschiedenis voorlopig te verstommen. Asscher overleed in 1950 en Cohen onthield zich van openbare uitlatingen over de kwestie, aanvankelijk vanwege het feit dat hem een zwijggebod was opgelegd, en later mogelijk met het oog op het boek dat hij wilde schrijven over de gebeurtenissen tijdens de bezettingsjaren. Het zou er niet meer van komen. Wel dicteerde hij, op aandringen van L. de Jong, in 1956 zijn memoires, maar die werden niet gepubliceerd, evenmin als de honderd pagina's tellende verdedigingsrede uit 1946 en het voorwoord van de nimmer geschreven 'Geschiedenis der Joden in Nederland tijdens de Bezetting'.

Ondanks alles drong Cohens visie op de gebeurtenissen langs een omweg toch tot de openbaarheid door, en wel via het werk van zijn advocaat, de schrijver, jurist en zionistische politicus Abel Herzberg. In diens Kroniek der Jodenvervolging uit 1950 - de eerste omvattende studie over de nazistische vernietigingspolitiek in Europa - werden weliswaar kritische kanttekeningen geplaatst bij het optreden van de Joodsche Raad, maar was de slotbalans toch positief. Het sociale en culturele leven bloeide op onder de vleugels van de Raad, aldus Herzberg, en waar het beleid faalde, was geen goed alternatief voorhanden.

De Joodsche Raad, zo besloot Herz berg zijn studie, 'is de zondebok van natuur'. Men kan zich op een principieel non-coöperatief standpunt stellen, maar als deze Raad niet was gevormd, was er wel iets anders voor in de plaats gekomen. Bovendien vormde de keuze voor aanpassing bij de oprichting in de winter van 1940/1941 - ruim een jaar voor het besluit tot uitroeiing werd genomen - wel degelijk een reële optie. 'De Joodse Raad heeft echter - evenals de Joden elders - de wedloop met de tijd verloren.'

De controverse rond de Joodsche Raad zou pas weer oplaaien met de publicatie van Ondergang, Jacques Pressers monumentale verslag van de nazistische vervolging. In zijn boek wierp Presser zich op als 'de tolk van hen die tot een eeuwig zwijgen zijn gedoemd', van wie de 'as op de winden was verstrooid'. Deze woorden - ontleend aan de openbare aanklager in het geruchtmakende proces tegen de oorlogsmisdadiger Adolf Eichmann in 1961 - wijzen erop dat Ondergang niet alleen bedoeld was als een indrukwekkend in memoriam, maar ook als een aanklacht - een aanklacht tegen onderdrukking en vervolging, tegen autoriteiten en bureaucraten, joodse en niet-joodse. Presser identificeerde zich volledig met de slachtoffers en keerde zich in hun naam ook tegen de Joodsche Raad, die in zijn ogen de belangen van de bourgeoisie behartigde, ten koste van 'de sinaasappelventers, ten bate van de kaste van rijken en geleerden, ten bate van henzelf'.

ANDERE AUTEURS gingen nog een stapje verder dan Presser. De Raad zou de potentiële veerkracht van de joodse bevolking psychologisch hebben ondermijnd, zich schuldig hebben gemaakt aan machtsmisbruik en persoonlijke privileges hebben verworven. Ook De Jong, die aanvankelijk welwillend stond tegenover de Joodsche Raad en zijn voorzitters, zoals blijkt uit de nauwe banden die hij met Cohen onderhield, en, vooral, de manier waarop hij het onderwerp begin jaren zestig behandelde in zijn documentaireserie De Bezetting, werd in de loop van de jaren veel scherper. In deel VI van het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog (1975) beschuldigde De Jong Cohen zelfs van het aangeven van ondergedoken kinderen - een uitspraak die hij niet met bewijzen bleek te kunnen staven en die hij derhalve moest herroepen.

Bij De Jong en andere auteurs die over de Joodsche Raad hebben geschreven, lijkt het soms alsof de Joodsche Raad eenvoudigweg collaboreerde. Wat zij missen, is de wil tot wat Herzberg noemde 'beoordelen in onbevangenheid', en dat is een voorwaarde om deze complexe en onthutsende geschiedenis te kunnen begrijpen. De Israëlische historicus Dan Diner pleitte er een aantal jaren geleden al eens voor het beleid van de joodse raden niet te toetsen aan gangbare normen van rationeel gedrag, maar te bezien vanuit hun eigen perspectief. De raden verkeerden immers in een extreme grenssituatie en moesten zich schikken naar de plannen van de nazi's om althans nog enige handelingsruimte te kunnen verwerven.

Een belangrijke bouwsteen voor dit 'perspectief van binnenuit' wordt zondag in Amsterdam gepresenteerd. De studie Rome, Athene, Jeruzalem - Leven en werk van prof. dr. David Cohen, van de hand van de Leidse classicus Piet Schrijvers, kan worden beschouwd als een poging recht te doen - recht, niet in de zin van eerherstel, maar in de betekenis van begrijpelijk maken, door iemand zijn stem en gezicht terug te geven. In het geval van deze biografische schets is dat ook letterlijk zo.

De latinist Schrijvers ontving enkele jaren geleden via-via een pakketje papieren uit de nalatenschap van David Cohen met de vraag van diens dochter of hij deze stukken niet eens wilde bekijken. Het pakket bevatte ook enkele gedichten van Horatius, een auteur met wie Schrijvers zich ook zelf bezighield. Deze ontdekking bracht hem er vervolgens toe op zoek te gaan naar de achtergronden van zijn geleerde voorganger - een zoektocht die deze biografie eerder het karakter geeft van een historische reportage dan van een strikt wetenschappelijke studie. De oogst is er niet minder om. Als niet-historicus heeft Schrijvers zich op bewonderenswaardige manier vastgebeten in zijn materiaal en nieuwe bronnen weten aan te boren.

Het is typerend voor zijn aanpak dat slechts een kwart van het boek gewijd is aan de verwikkelingen rond de Joodsche Raad, al zweeft deze geschiedenis als het ware boven elke bladzijde, of het nu gaat om een beschrijving van de kleine David bij zijn moeder thuis, zijn werkzaamheden voor de vroege zionistische beweging of zijn zorgzame omgang met studenten. Het levensverhaal krijgt hierdoor iets onafwendbaars, maar misschien is dit onvermijdelijk bij een portret van zo'n omstreden figuur.

Anderzijds slaagt Schrijvers er op deze manier in duidelijk te maken dat Cohens besluit leiding te geven aan de Joodsche Raad en daarvoor, ook na 1945, de volle verantwoordelijkheid op zich te nemen, slechts begrepen kan worden uit deze voorgeschiedenis. Vanaf zijn prille jeugdjaren in Deventer, geboren als oudste van een redelijk welvarend middenstandsgezin uit een oud joods geslacht, en grootgebracht in een warm nest waar sociaal gevoel gepaard werd aan een flinke dosis ambitie, ontpopte hij zich al vroeg als een gedreven organisator en sociaal voelende bestuurder.

Cohen was - ook later nog, als hoogleraar Oude Geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam - gefascineerd door grote figuren, zoals Alexander de Grote, Augustus, Theodor Herzl en de pragmatisch georiënteerde zionistische leider Chaim Weizmann, met wie hij persoonlijk in contact stond en in wie hij veel van zichzelf meende te herkennen. Hij spiegelde zich graag aan deze grote mannen - een houding waaraan een flinke dosis zelfingenomenheid en ijdelheid niet vreemd was.

COHEN WAS evenwel ook een man van compromissen, trouw aan de door Horatius bezongen Gulden Middenweg, een sjolemmacher of vredesstichter, en tegelijk een zorgzame en begenadigde leraar, vol idealen en met een onuitputtelijke energie. Zo strekten zijn bemoeienissen zich uit van de Lyceum-beweging en andere onderwijsvernieuwingen tot aan het bestuur van de zionistenbond en de hulp aan joodse vluchtelingen.

Hoewel Cohen, met zijn pragmatische opvattingen, door de scherpe tegenstellingen binnen de Nederlandse Zionistenbond in de jaren twintig enigszins op de achtergrond was geraakt, ontpopte hij zich in de volgende jaren als een vooraanstaande figuur in de Nederlandse samenleving. Hij vormde niet alleen de drijvende kracht achter de opvang van de duizenden joodse vluchtelingen uit Duitsland en andere landen, ook speelde hij een bemiddelende rol in de informatievoorziening en de internationale onderhandelingen over de vluchtelingenproblematiek. Een paar jaar later was hij uitgegroeid, aldus Schrijvers, tot 'de feitelijke leider van de Joodse gemeenschap in Nederland'.

Dat juist Cohen het voorzitterschap van de Joodsche Raad op zich nam, lag dus geheel in de lijn der verwachtingen. En uiteindelijk heeft hij in die rol weinig anders gedaan dan wat hij altijd al deed, met zijn kleine en grote tekorten, zijn naïviteit en zijn onwrikbaar geloof in de redelijkheid, zijn onwankelbare vertrouwen in de toekomst en de jeugd. Hij zag zijn taak als een last, maar meende dat zijn schouders sterk genoeg waren. Een van Schrijvers' verdiensten is dat hij laat zien waaraan Cohen die innerlijke zekerheid ontleende: zijn jeugd, de joodse traditie en de klassieken.

Rome, Athene, Jeruzalem maakt evenwel ook nog iets anders duidelijk. Schrijvers laat zien hoe het beeld van Cohen en de Joodsche Raad door de jaren heen is vervormd onder invloed van persoonlijke motieven, politieke tegenstellingen en verregaande onzorgvuldigheid van historici. Zo weet hij door een zorgvuldige vergelijking van bronnen en literatuur aannemelijk te maken dat een aantal belastende verklaringen afkomstig is uit onbetrouwbare bronnen.

Ronduit pijnlijk is ten slotte de manier waarop Schrijvers het werk van Loe de Jong fileert. Zo prikt hij in zijn analyse door wat toch gerust de apo theose in De Jongs relaas over Cohen genoemd mag worden: de sterfscène, waarbij Cohen tegenover de 'geschiedschrijver des rijks' zijn schuld erkent. Volgens Schrijvers heeft De Jong het verhaal grotendeels verzonnen, want tussen zijn aantekeningen op het Rijksinstituut bleek alleen een verslagje te zitten van een bezoek dat De Jong Cohen drie jaar voor diens dood had gebracht. Daarbij had hij de indruk gekregen dat de voormalige voorzitter vaker over zijn rol in de Joodsche Raad nadacht en 'zich meer geneigd tot schuldbewustzijn toonde'.

Piet Schrijvers: Rome, Athene, Jeruzalem - Leven en werk van prof.dr. David Cohen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden