Wetenschap Paleontologie

De pater die net niet diep genoeg groef om de Floresmens te ontdekken

Een studie over de mysterieuze Floresmens brengt Theodor Verhoeven terug in de actualiteit. Schrijver Frank Westerman peilt de tragiek van de pater-paleontoloog die een paar meter tekortkwam om het denken over de evolutie van de mens te veranderen. 

Theodor Verhoeven aan het werk. Beeld Universiteitsbibliotheek Leiden

Postuum – 29 jaar na zijn dood – duikt Theodor Verhoeven de afgelopen weken ineens op in tal van publicaties over de hele wereld. Je moet deze missiepater uit Uden (1907-1990) wel weten te herkennen, want hij gaat schuil achter de Latijnse soortnaam van een uitgestorven reuzenrat: Papagomys theodorverhoeveni.

Uitgerekend ‘Verhoeven’s giant tree rat’ speelt een hoofdrol in een nieuwe studie over de mysterieuze homo floresiensis, de platvoetige dwergen van amper een meter groot. Sinds hun ontdekking in 2003 woedt er een felle richtingenstrijd over de tak waarop deze ‘hobbit’ thuishoort in de stamboom van de mens. Gaat het om een verdwergde homo erectus (uit Java) of is de Floresmens het verdwaalde ‘zusje’ van homo habilis (uit Oost-Afrika)?

In het Journal of Human Evolution worden nu verschillende door Verhoeven ontdekte rattensoorten bezien als indicatoren voor klimaatwijzigingen, en warempel, daar duikt ook de naam op van Theo’s ‘grote liefde uit de nazomer van zijn leven’, een ex-non uit Evergem, bij Gent, naar wie de stompneuzige Paulamys naso is vernoemd. Vrij vertaald: Paula’s neusrat.

In menige publicatie gewijd aan de ontdekking van de Floresmens staat ‘father Verhoeven’ vermeld als de wegbereider die met zijn opgravingen vanaf de jaren vijftig het belangrijkste voorwerk heeft verricht. Tot slot volgt dan: ‘He left the priesthood, married his secretary and returned to Europe.’

Maar zo is het niet gegaan.

Als gastschrijver aan de universiteit van Leiden heb ik samen met een groep (letteren)studenten in 2016 de doopceel van pater Verhoeven gelicht. Gezamenlijk staken we op een pontje de Maas over naar het Limburgse kloosterdorp Steyl, waar de congregatie zetelt die missiepaters als Verhoeven naar Flores zendt. In het missiemuseum vergaapten we ons aan opgezette Komodo-varanen, ’s werelds grootste hagedis (tot drie meter lang) die als een verre verwant van de Mosasaurus, de even lange maar uitgestorven Maashagedis, nog altijd op Flores rondscharrelt.

Nog geen honderd meter verderop, achter het traliewerk van hun slotklooster, knielden per toerbeurt de laatste twintig Zusters van de Altijddurende Aanbidding (‘de roze nonnen van Steyl’). Zij doen vierentwintig uur per dag voorbede voor ‘onze medebroeders en -zusters van Steyl, die overal in de wereld werken als missionaris’. Opdat God verhoede dat zij van het rechte pad afdwalen.

Voor pater Verhoeven was hun gebed niet verhoord: als zestiger, terug in Nederland, had hij dispensatie gevraagd aan het Vaticaan om te mogen trouwen. In een beeldbank vond studente Mariëlle Selser bidprentjes van hem en zijn Vlaamse ‘levensgezellin’ Paula Hamerlinck.

Over Theo zelf lazen we: hij was tien jaar toen zijn moeder overleed. Al van bij het begin liep Theo in zijn eentje naar het missiehuis en belde aan. Of er al plaats was? Een paar weken lang, tot hij werd aangenomen.

Eenmaal tot priester gewijd en gepromoveerd als classicus-archeoloog, stapte hij in 1948 aan boord van de ms Kaloekoe voor een zeereis van zes weken, via het Suezkanaal, naar Nederlands-Indië. Achttien jaar later, Kerst 1966, reed hij met zijn kerkauto het ravijn in – en keerde met zijn ledematen in het gips via Java terug naar Nederland.

Langzaam herstellend van het ongeluk, eerst nog ondersteund door krukken, begon Theo Verhoeven te vertellen over zijn jarenlange hunkering naar intimiteit. Als missiepater op Flores diende hij altijd een armlengte afstand te bewaren tot vrouwen en meisjes. Alleen bij de doop was er een moment van aanraking. Zozeer verlangde hij naar lichamelijk contact dat hij zijn hand weleens expres liet uitschieten: verschenen er moeders met zuigelingen aan hun borst, dan besprenkelde hij in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest met opzet de verkeerde bolling. ‘Soms tastte je wel eens mis’, placht hij hierover half grappend te zeggen.

Trefzekerder was de missiepater als hij in de aarde wroette. Tussen het celibaat en de keuze van Verhoeven om achttien van zijn beste jaren te wijden aan het fossielzoeken bestond een indirect verband: hij zocht afleiding en spitten in de aarde met zijn meest toegewijde pupillen hielp. Op 28 augustus 1950 had hij de dorpskinderen van Flores de bodem van de grot Liang Bua voor het eerst laten openhakken. ‘In de bovenste 20 centimeter zit veel vuursteen’, schrijft hij in zijn dagboek. De kalksteengrot is een kathedraal van ‘prachtige druipsteen’, door de natuur uitgesleten en weer opgevuld met bezinksel, waarin het wemelt van de fossielen.

Stel dat je ergens ter wereld een gat graaft, hoe klein is dan de kans dat je op de schedel van een nog niet ontdekte mensachtige stuit? Als door een wonder zat Theo Verhoeven in de grot Liang Bua precies goed. Alleen groef hij niet diep genoeg.

In 1956 vond hij niettemin kiezen en een kaak van een uitgestorven dwergolifant, een ontdekking die niet alleen het Genesis-verhaal tartte, maar ook de gevestigde wetenschap. In het bijzonder de notie van de Wallacelijn, die stelde dat Afrikaans-Aziatische landzoogdieren als de neushoorn en de olifant niet voorbij de zeestraat tussen Bali en Lombok voorkwamen. Eigenhandig bracht Theo Verhoeven de Wallacelijn ‘a heavy blow’ toe, zo heette het wereldwijd. ‘Een dikke felicitatie waard’, telegrafeerde de Utrechtse paleoantropoloog Ralph von Koenigswald hem. ‘Ik had nooit gedacht dat onze olifanten zo ver naar het oosten waren doorgedrongen.’

De grot in de bossen van midden-Flores blijkt te grossieren in afwijkende levensvormen – nog in 2010 vindt Hanneke Meijer uit Beek en Donk er een uitgestorven ooievaar van 1 meter 80. Het leek wel haast een grap van het Opperwezen: hoe groter de ooievaar, des te kleiner de baby’s die hij aflevert,  maar ondertussen draagt de vondst verse ammunitie aan voor de ‘eilandregel’, een elegante theorie die zowel de ‘verreuzing’ als de ‘verdwerging’ van bepaalde soorten op eilanden kan verklaren.

Vanaf het moment dat pater Verhoeven er ook stenen werktuigen naar boven haalt, begin jaren zestig, opent zich de jacht op de maker van die vuistbijlen. Welke oermens heeft hier ooit op dwergolifanten gejaagd?

Na Verhoevens dood in juni 1990 zijn Paul Sondaar (Utrecht) en John de Vos (Leiden) verwoed verder gaan zoeken naar deze onbekende grotbewoner, maar ook zij groeven niet diep genoeg. Pas in 2003, op 5 meter 90 diepte en onder Australische supervisie, kwam de schedel (formaat grapefruit) van ‘LB1’ aan het daglicht – ook bekend als ‘Flo’, de eerste en meest complete van een tiental skeletresten van de platvoetige, amper 1 meter grote Floresmens die de bestaande ideeën over de evolutie van de mens in één klap op losse schroeven zette.

Welke afgrond er precies schuilging achter de eregalerij van Verhoevens wetenschappelijke prestaties hoorden we in detail van een oud-leerling van hem, die in schooljaar 1969/1970 Griekse les had van Theodor Verhoeven in Utrecht. Deze Gert Knepper, ‘nieuw-testamenticus’, was met zijn leraar bevriend geraakt. Jarenlang bleef hij hem, en later ook Paula, thuis bezoeken. Soms trokken ze er samen op uit om in Verhoevens gele Opel een middagje vuistbijlen te zoeken in het Maasdal.

‘Na de dood van zijn moeder raakte zijn vader aan de drank’, vertelde Gert aan Mariëlle en mij, toen we hem in een Utrechts café ontmoetten. ‘Theo ontsnapte naar het kleinseminarie, maar dat was dus een echte mannengemeenschap. Een jongensinternaat.’

Een voor een bracht hij de schandalen ter sprake waarmee de katholieke kerk zichzelf pleegt te bevlekken.

Ik onderbrak hem. ‘Je gaat toch niet vertellen dat pater Verhoeven als kind is misbruikt?’

‘Jawel,’ zei Gert. ‘Op het kleinseminarie, door een pater die daar lesgaf.’

We waren juist overgegaan van koffie op bier. Nu doorvragen voelde gênant, maar ook onvermijdelijk. ‘Wat moet ik me daarbij voorstellen?’

‘Hij is verkracht.’

Gert bezat een epistel van twintig kantjes waarin Theo Verhoeven terugblikt op zijn leven. De onkuisheden die de broeder in zijn opgestroopte habijt met hem beging stonden daar ‘plastisch’ in beschreven. ‘Misschien klinkt het vreemd’, zei Gert, ‘maar hij pleit de dader vrij en geeft de schuld aan het celibaat.’

In de nagelaten twintig kantjes, uitgetypt door Paula, verwierp Verhoeven het celibaat als ‘onnatuurlijk’.

‘Dat is het ook’, zei ik.

‘Het is ongezond’, zei Mariëlle.

Letterlijk schreef Theo Verhoeven: ‘Het celibaat heeft mijn leven tot een hel gemaakt’.

Het voelde alsof we de bodem, het diepste punt van Verhoevens leven, hadden bereikt. Bedrock heet dat in opgravingenjargon.

Maar Gert leegde zijn glas en zei: ‘Al op het seminarie werd Theo verliefd op een klasgenoot.’ Bij afwezigheid van vrouwen voelde hij zich ‘van de wederomstuit’ aangetrokken tot jongens – het had de toekomstige ontdekker van de dwergolifanten en reuzenratten van Flores in geestelijke verwarring gebracht.

Uiteindelijk was het de kuisheidsgelofte die hem als priester opbrak; het celibaat was het kruis dat hij niet tot het einde toe had kunnen dragen. De vraag hoe en waar Theo en Paula elkaar hadden ontmoet was een paar seconden boven ons tafeltje blijven zweven.

‘Via een contactadvertentie’, zei Gert Knepper.

Ik vroeg wie die annonce had geplaatst. ‘Hij of zij?’

‘Zij.’

Het ging om een ‘brief onder nummer’ in een katholieke krant.

Een halve eeuw later staan Theo Verhoeven en Paula Hamerlinck dezer dagen samen in de krant. Het meest belangwekkende verschil tussen Papagomys theodorverhoeveni en de kleinere Paulamys naso blijkt hierin te schuilen: de reuzenratten (de grootste nog levende Floresrat meet 75 centimeter van kop tot staart) zijn boomklimmers die gedijen bij dichte bebossing, terwijl de kleinere grondscharrelaars de voorkeur geven aan open grasland. Het nieuwe Canadees-Indonesische onderzoek toont aan dat de verdwijning van de Floresmens 60- tot 50 duizend jaar geleden samenviel met een overgang van een savannelandschap naar een weelderige jungle. Toch een mooi, zij het verlaat eerbetoon aan de man die niet diep genoeg groef.

Frank Westerman is oud-correspondent van de Volkskrant en schrijver van onder meer De graanrepubliek, El Negro en ik en Een woord een woord. Zijn recente Wij, de mens is een zoektocht naar de oorsprong van onze soort aan de hand van de mysterieuze ‘hobbits’ van Flores. Er staat een uitgebreid portret in van pater Verhoeven, waaruit voor dit artikel is geput.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden