De oorlog van Milo Anstadt

'KEN JE DE anekdote van de jood die een gebed richtte tot God?', vroeg Milo Anstadt Joop den Uyl - we schrijven het jaar 1944....

Misschien komt het door dit soort moppen. Of wellicht door de openhartige wijze waarop Anstadt vertelt over de triootjes die hij, zijn vrouw Lidy en hun onderduikhelpster in de bedstee van de woning waar ze waren ondergebracht, met elkaar hadden. Het kan ook zijn dat de opgewekte beschrijvingen van voordrachtmiddagen van - illegale - acteurs en schrijvers in een huis aan de Plantage Muidergracht hebben bijgedragen aan de beeldvorming die is ontstaan rond Anstadts laatst verschenen boek, De verdachte oorboog, dat speelt in de periode van oorlog en bezetting.

Waarschijnlijk heeft Anstadt zelf het beeld versterkt door in het nawoord te noteren: 'Ik constateer met verbazing dat ik mij, momenten van verdriet daargelaten, doorgaans vrij gelukkig heb gevoeld.'

Hoe dit ook zij, De verdachte oorboog is over het algemeen beoordeeld als een bijzonder boek, omdat het anders dan de meeste werken over de Duitse bezetting, niet voornamelijk kommer en kwel bevat, maar bijna luchtig van sfeer is, vol gelach, gevrij, bizarre avonturen en onverhoopte reddingen. Op mij komt die typering over als een even tragisch - sorry voor de zwaarmoedige term - als interessant misverstand.

Het is interessant, omdat het laat zien hoe moeilijk het de naoorlogse generaties - tegenwoordig de grote meerderheid van de bevolking en van het lezerspubliek - valt zich nog een concreet en levend beeld te vormen van die oorlogsjaren. Het was een verschrikkelijke tijd, luidt de communis opinio terecht, en dat leidt tot de indruk dat op 10 mei 1940 het licht uitging en nog slechts soldatenlaarzen, diefstal, honger, razzia's en massamoord bestonden. Dat kan natuurlijk nooit; tussen momenten van doodsangst zal iedereen zijn best hebben gedaan een leven te leiden dat oppervlakkig leek op wat normaal was; sterker nog, het wegvallen van de onbruikbaar geworden conventionele burgermansmoraal bevorderde de avontuurlijkheid, op seksueel terrein en anderszins.

Tragisch is het misverstand, omdat de aandacht voor het normale, alledaagse blijkbaar het beeld gemakkelijk doet kantelen; Anstadts zeer ingehouden, maar hartverscheurende beschrijvingen van de dodelijke willekeur als het destijds allesbepalende kader raken op de achtergrond.

Anstadt is al eerder geroemd en verguisd om wat gezien werd als zijn optimisme. Critici zeiden over zijn eerder verschenen autobiografische boeken, met name Kind in Polen, dat ze een veel te rooskleurig beeld schetsen van de vooroorlogse Poolse samenleving en vooral van de houding van Polen tegenover joden. Ook dat is niet waar. Anstadt schrijft - logisch in een autobiografie - vanuit zijn eigen ervaringen als een joods jongetje, die het benauwd heeft in het bekrompen orthodoxe wereldje en aansluiting zoekt bij de Poolse cultuur. Hoe hachelijk dat kon zijn, verzwijgt hij allerminst; zo waren er angstige confrontaties met opgeschoten Poolse jongens die hun honden tegen de joodse kinderen ophitsten.

Scherpzinnig is ook de manier waarop hij een bepaald type Poolse patriot portretteert. Zijn onderwijzer Buraczynski, bijvoorbeeld, die Jiddisj sprekende kinderen het leven zuur maakte, maar zich inzette voor jongens als Milo die hun best deden zich in vlekkeloos Pools uit te drukken. Anstadt verheerlijkt de Buraczynski's niet - al vindt zijn behoefte zich tot op de dag van vandaag als 'verstokte assimilant' te profileren, mogelijk zijn oorsprong in dat Poolse klaslokaal.

Kritiekloos of euforisch van toon zijn de eerste twee delen van Anstadts biografische drieluik - Kind in Polen en Adolescent in Nederland - niet; ze lenen zich wel tot een vertederd wegdromen, omdat ze zijn geschreven in een milde, melancholiek-nostalgische toonsoort. Op dat punt is een diepe stijlbreuk te zien met De verdachte oorboog; ook dat is onderhoudend, spannend, soms bijna grappig, vaak bizar, maar vooral wrang, staccato, scherp als een keukenmes. Dat heeft uiteraard alles te maken met de beschreven periode en, vermoedelijk, ook met de grote moeite die het Milo Anstadt moet hebben gekost de pijn, de doodsangst, het verdriet toe te laten, boven te laten komen en in woorden te vangen.

Opvallend is dat de hoofdpersoon in dit boek niet de 'ik-figuur' is, maar 'Milo'. Alsof het een ander geweest is, die die oorlog heeft meegemaakt. Dat schrijft hij ook met zoveel woorden in het nawoord: 'Een alter ego verzamelde de gehavende herinneringen en werkte ze uit.'

De bezettingstijd, zoals Anstadt die heeft ervaren, doet denken aan een loterij, met het eigen leven en dat van de meest geliefde naasten als inzet. Een kras voorbeeld betreft het lot van de zusjes van Milo en Lidy, Sera en Selma, die samen waren verraden en opgepakt; Sera kon, wat op zichzelf iets heel bijzonders was, uit de trein naar Westerbork worden gered; Selma niet, met het voorspelbare gevolg.

Over dit soort dingen zit Milo Anstadt te mijmeren, terwijl hij met een gezelschap vrienden bijeen is om de bevrijding te vieren, op 5 mei 1945, er staat wijn op tafel, de ene vurige, op een betere toekomst gerichte rede volgt op de andere. Ook Milo zou iets moeten zeggen, maar wat? Hij keek naar zijn vrouw Lidy, van wie de ouders, twee zusters en een zwager waren gedeporteerd. 'Milo vroeg zich af waaraan Lidy nu dacht. Misschien aan hun dochtertje Irka, dat zij drie maanden na de geboorte hadden laten onderduiken en dat zij de afgelopen drie jaar slechts één keer hadden gezien.' Het enige dat hij op dit op zichzelf werkelijk feestelijke moment weet te zeggen, is: 'We hebben met z'n allen geluk had. Houwen zo.'

De ambivalentie uit zich in wat de schrijver noemt 'een dag- en een nachtgestalte'. Overdag is er de uitdaging van de opbouw van een nieuw bestaan, 's nachts wordt hij gekweld door angstdromen, die in de loop van de tijd in intensiteit afnemen. 'Geheel wegblijven deden zij niet, want ook nog na vijftig jaar sloot zich de wurggreep van een nazi soms om zijn keel en werd hij kermend en bijna stikkend wakker.' En natuurlijk is er ook het in de oorlogsliteratuur al tot een klassiek gegeven geworden schuldgevoel. 'Wij mogen overleven. Lidy, Sera en ik mogen overleven. Waarom wij? Waarom in godsnaam?'

De verdachte oorboog is dus geen optimistisch boek, met een nieuwe, opgewekte visie op het leven van een joodse onderduiker. Wat niet wegneemt, dat er wel roerende lichtpuntjes zijn. Het onwaarschijnlijke verhaal van de arrestatie en vrijlating van Milo en Lidy in de boekwinkel van de verzetsman Stevens is daarvan een markant voorbeeld. Milo trachtte zich uit de val te redden door de Duitse en Nederlandse politiemannen (van de Sicherheitsdienst) wijs te maken dat hij, als Shakespeare-liefhebber, in de winkel op zoek was naar een bepaalde vertaling. Dat lukte ten slotte, maar het bleek niet alleen aan zijn eigen improvisatievermogen te hebben gelegen.

'Na de oorlog vertelde hij (Stevens) dat de SD'er hem gevraagd had wat zijn relatie met Milo was. Een klant, had hij gezegd, een Shakespeare-fanaticus die hem gevraagd had een vertaling van Schlegel en Tieck voor hem op de kop te tikken.' Wat een waanzinnig wonderlijke redding. Door toeval, geluk, verbeeldingskracht (je moet er maar net op komen), lef en moed. De moed van de gearresteerde Stevens om hoe dan ook de ander niet te laten vallen.

Anet Bleich

Milo Anstadt: De verdachte oorboog.

Contact; 208 pagina's; ¿ 34,90.

ISBN 90 254 0630 0.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden