Analyse Medische ontwikkeling tijdens WO I

De mythe van de medische doorbraken in de Eerste Wereldoorlog

Hoe gruwelijk de Eerste Wereldoorlog ook was, de geneeskunde ging er wel door vooruit. Zo wil het verhaal, dat al tijdens die oorlog ontstond. Maar er klopt weinig van. 

Servicemen with missing limbs in wheelchairs at Roehampton Military Hospital. (ergens tussen 1914-1918) Beeld Imperial War Museum

De Eerste Wereldoorlog, op 11 november precies honderd jaar geleden beëindigd, gaf het menselijk lijden een industriële dimensie. Tientallen miljoenen soldaten, meest jongemannen, werden voor de eer en glorie van het vaderland op het slagveld blootgesteld aan eindeloze beschietingen met granaten en bommen, nietsontziende vlammenwerpers en sluipend gifgas. Ze stierven als ratten, raakten ernstig verminkt of werden gek in de stinkende blubber van de loopgraven. Lijden dat zelden meer opleverde dan een paar zinloze meters terreinwinst.

De Grote Oorlog was een oorlog van de grote getallen. Een slachting die de toon zette voor de barbaarse trekken van de 20ste eeuw. In de vier jaar die voorafging aan de ondertekening van de wapenstilstand sneuvelden naar schatting 10 miljoen militairen en zijn 20- tot 30 miljoen soldaten en officieren gewond geraakt of ziek geworden. Overal in Europa lagen nog jarenlang vele tienduizenden oorlogsslachtoffers weg te kwijnen in ziekenhuizen en psychiatrische instellingen.

Hoe gruwelijk en absurd het bloedvergieten ook was, het heeft iets constructiefs, iets positiefs nagelaten: de Eerste Wereldoorlog gaf de geneeskunde een belangrijke duw in de rug. Plastische chirurgie, bloedtransfusies, de behandeling van infectieziektes en de ontwikkeling van de psychiatrie werden gestimuleerd. Onder druk van de oorlog, die grootschalige hulpverlening noodzakelijk maakte, deed de medische wetenschap een flinke stap vooruit. Althans, zo wordt veelal aangenomen. Maar is dat ook echt zo?

Ja, er zijn uitvindingen gedaan in die tijd, zegt medisch historicus Leo van Bergen. Maar het is de vraag of die onlosmakelijk verband houden met de oorlog. ‘De geneeskunde heeft baat gehad bij de Eerste Wereldoorlog, zoals zij baat heeft gehad bij elke periode van vier jaar sinds 1850. En voor zover er doorbraken zijn geweest, in hoeverre zijn die dan van nut buiten oorlogsomstandigheden? Een arts kan een kei zijn geworden in het behandelen van gasgangreen (koudvuur), dat soldaten opliepen in de smerigheid van de loopgraven, maar na 1918 kwam dat nauwelijks meer voor.’

Vredestijd

Van Bergen, auteur van het standaardwerk Zacht en Eervol over het lijden en sterven in WO I, gelooft niet zo in het stimulerende effect van oorlog. In vredestijd zijn de omstandigheden voor medische vooruitgang veel gunstiger. Dan kan kennis worden uitgewisseld, kunnen experimenten worden herhaald, kunnen patiënten rustig worden onderzocht. ‘Echt grote vooruitgang, zoals de ontdekking van penicilline, de ontwikkeling van de bacteriële biologie, het ontrafelen van het dna, is geboekt in vredestijd. Oorlogsgeneeskunde is conservatieve geneeskunde. Zij bouwt voort op wat al bekend is en is niet gericht op innovatie.’

De mythe van de medische vooruitgang ontstond al tijdens de oorlog. ‘De medische wetenschap was een doekje voor het bloeden voor het thuisfront. Het beeld werd gecreëerd dat het allemaal ellendig was, maar dat de geneeskunst zich kranig weerde. Het moreel moest hoog worden gehouden.’ Het moet gezegd: de medische stand deed zijn best. Er werden enorme aantallen artsen en verpleegkundigen op de been gebracht, maar hun mogelijkheden om het lot van de soldaten te verbeteren waren beperkt. Van Bergen: ‘Een militaire arts zei: we hebben de oorlog van het militaire staal gewonnen met het medische staal. Onzin. Medici stonden machteloos.’

Militaire artsen en medici van het Rode Kruis worstelden met een dubbele loyaliteit: ze wilden hun patiënten zo goed mogelijk helpen, maar waren ook trouw aan de krijgsmacht. Die drong erop aan dat soldaten zo snel mogelijk werden opgelapt voor terugkeer naar het front. Ze stuurden gewonden en zieken terug naar de loopgraven, terwijl die nog niet volledig genezen waren. Zo hielpen ze mee aan het in stand houden van de oorlog. ‘Artsen voelden wrijving tussen hun medische eed en hun militaire taak. De mythe van de medische vooruitgang hielp hun geweten te sussen. Achteraf konden ze zeggen: door onze oorlogservaringen kunnen we nu veel mensen redden.’

Tegen het eind van de oorlog vroeg de verpleegkundige Jeanne van Lanschot Hubrecht in het neutrale Nederland zich publiekelijk af of medici wel moesten doorgaan met het helpen van gewonde militairen. In Duitsland werd 90 procent van de patiënten teruggestuurd naar het front of naar wapenfabrieken. Daardoor konden de gevechten langer duren en vielen er meer slachtoffers. ‘Medische zorg heeft niet alleen mensen gered, maar ook een verlengend effect gehad op de strijd.’

De vooruitgangsmythe is hardnekkig, zegt Van Bergen. ‘Het is een aantrekkelijk verhaal. En natuurlijk kun je best wat medische verbeteringen aanwijzen. Dat neemt niet weg dat vrede beter is voor de ontwikkeling van geneeskunde en dat geneeskunde nuttig was voor de oorlog.’

Wat werd er wel en niet bereikt?

Plastische chirurgie 

De Nederlandse chirurg Johannes Esser en de Britse kno-arts Harold Gillies probeerden het leven van frontsoldaten met een verminkt gezicht draaglijker te maken met reconstructieve chirurgie. Zo goed en zo kwaad als het ging herstelden ze neuzen, kaken, monden, wangen. Ze maakten met een soort pasta afdrukken van de verwondingen, zodat de nieuwe delen van het gezicht beter aansloten en het afstoten van weefsel werd tegengegaan. Ze gebruikten zo veel mogelijk de eigen huid van gewonden. Gillies en Esser opereerden in de oorlogsjaren duizenden slachtoffers. Ze worden wel de vaders van de plastische chirurgie genoemd.

Van Bergen: ‘Wat deze artsen deden had ook kunnen worden ontdekt onder andere omstandigheden, bijvoorbeeld voor slachtoffers van auto- of fabrieksongelukken. Al had het dan waarschijnlijk iets langer geduurd.’ Het resultaat van de chirurgische ingrepen in die tijd moet volgens de historicus niet worden overschat. Patiënten die soms tien of twintig operaties hadden ondergaan zagen er nog steeds weinig toonbaar uit. ‘Velen die na een reeks pijnlijke ingrepen in de spiegel keken zullen hebben gedacht: had me maar meteen doodgemaakt. Verbetering en herstel waren relatieve begrippen.’

Beeld Imageselect

Bloedtransfusie

De Canadese chirurg Lawrence Bruce Robertson diende in 1915 voor het eerst een bloedtransfusie toe. Vervolgens werd het indirect overdragen van bloed gangbaar aan de geallieerde zijde van het front. Afgenomen bloed werd opgevangen en bewaard zodat het op een andere plaats en op een ander tijdstip kon worden toegediend. Tot dan toe werd bloed alleen direct van donor op ontvanger overgedragen.

WO I heeft de bloedtransfusie ontegenzeggelijk een boost gegeven, erkent Van Bergen. ‘Als Amerika zich niet in de strijd had gemengd, was het waarschijnlijk een stuk minder geweest. Door de Amerikaanse oorlogsdeelname werd de bloedtransfusie geëxporteerd naar de geallieerde landen. Dat heeft levens gered. Maar als in het begin van de 20ste eeuw het verschil in bloedgroepen niet was ontdekt, had je niets gehad aan bloedtransfusies.’

Anesthesie 

De Britse arts Geoffrey Marshall, die aan het front op een trekschuit met gewonden had gewerkt, ontwikkelde een apparaat waarmee een stabielere anesthesie kon worden toegepast zodat de kans op overlijden tijdens een operatie kon worden beperkt. Met de inzet van zijn apparatuur, waarin lachgas, zuurstof en ether werden gemengd, kon de sterfte bij beenamputaties worden teruggebracht van 90 tot 25 procent.

De anesthesie is veel ouder dan de Eerste Wereldoorlog, vertelt Van Bergen. Het apparaat van Marshall zou zonder oorlog vermoedelijk ook zijn ontwikkeld. ‘In WO I is vaak zonder verdoving geopereerd. Toen de anesthesie rond 1850 werd ingevoerd maakten veel artsen daar bezwaar tegen. Want pijn was voor hen een indicatie van de toestand van de patiënt.’

Psychiatrie 

De Duitse psychiater Emil Kraepelin heeft voor en tijdens de Eerste Wereldoorlog psychiatrische aandoeningen geclassificeerd. Hij wordt wel gezien als de grondlegger van het handboek voor diagnose en statistiek van psychische aandoeningen (DSM). Dat verscheen voor het eerst in de jaren vijftig en geldt sindsdien – in aangepaste versies – als de standaard in de psychiatrische diagnostiek.

Van Bergen: ‘Kraepelin was het schoolvoorbeeld van iemand die niet accepteerde dat een Duitse man gek kon worden van oorlog. De aandoening zat in de persoon. Hij leed aan karakterzwakte of was politiek links, wat ongeveer hetzelfde was. Als je gedichten las was je een watje, dat betekende dat je niet geschikt was als soldaat.

‘Veel Duitse psychiaters zagen gek geworden soldaten als stakende arbeiders. Therapieën waren er vooral op gericht om soldaten weer gereed te maken voor oorlogsinspanning, desnoods met medische marteling. Als je niet kon praten werd er een elektrische staaf op je tong gelegd, net zolang tot je weer geluid ging maken. Er werden sigaretten op je huid uitgedrukt. Er werden radioactieve buizen tegen je hoofd aan gehouden. Pijn moest ervoor zorgen dat soldaten banger werden voor het hospitaal dan voor het front. Als de symptomen maar weg waren, werd je genezen verklaard.’

Britse artsen zagen zich geconfronteerd met de zogeheten shellshock, ernstige lichamelijke problemen zonder lichamelijke verklaring waarmee veel soldaten in de loopgraven kampten. Ze keerden zich in zichzelf, hadden last van overgevoeligheid voor geluid, duizeligheid, beven, slapeloosheid, hoofdpijn. De oorzaak van hun aandoening werd gezocht in de ‘vrouw geworden’ soldaten zelf. Er mocht vooral geen verband worden gelegd met hun ervaringen aan het front.

Na de oorlog maakten artsen onderscheid tussen ‘shellshock-gewond’ en ‘shellshock-ziek’. Iemand die ziek was had geen recht op oorlogspensioen, een ‘gewonde’ wel. ‘Het was de bedoeling dat de artsen zo veel mogelijk mensen ziek verklaarden. Aan het eind van de oorlog komt in Engeland zelfs een order van hogerhand: er worden geen soldaten meer ‘gewond’ verklaard. Punt.

‘De psychiatrie is niets opgeschoten met de Eerste Wereldoorlog, zij is er eerder op achteruitgegaan. De oorlog heeft geen nieuwe inzichten opgeleverd over ziektebeelden. Patiënten met een psychose werden na de oorlog in een gekkenhuis opgesloten, net als vroeger. Een voor de oorlog al bestaande diagnose als traumatische neurose werd overboord gegooid omdat anders weer een verband met de oorlog kon worden gelegd.’

Een patiënt in een psychiatrisch ziekenhuis voor soldaten. Beeld Getty Images

Bestrijding van infectieziekten

De Ierse arts Adrian Stokes ontdekte welke bacterie verantwoordelijk was voor de uitbraak van epidemische geelzucht (ziekte van Weil) onder de manschappen in de loopgraven. Zo kon de ziekte worden ingedamd door de ratten te bestrijden die deze bacterie bij zich droegen. Nuttig, zegt Van Bergen. ‘Zonder oorlog was dit waarschijnlijk later ontdekt.’

De Oostenrijkse psychiater Julius Wagner-Jauregg veronderstelde een helende werking van koorts bij syfilis-patiënten. Hij bestreed de ernstigste symptomen van de geslachtsziekte – geestelijke aftakeling – door malariakoortsen op te wekken. In 1927 kreeg hij hiervoor de Nobelprijs.

Van Bergen: ‘Wagner-Jauregg begon die therapie ook toe te passen op doorgedraaide Oostenrijkse soldaten. Daar zijn mensen bij overleden. Na de oorlog is hij aangeklaagd door een patiënt. In dat proces trad Sigmund Freud op als getuige. Hij sprak toen de beroemde woorden: psychiaters hebben zich in de oorlog gedragen als machinegeweren achter het front.’

Voor dit verhaal is mede gebruik gemaakt van de website van het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.