'De misdadigers van toen heb ik allemaal overleefd'

Slechts drie uur bracht Jules Schelvis op 4 juni 1943 door in het vernietigingskamp Sobibor. In die korte tijd werd hij gescheiden van zijn 20-jarige vrouw Rachel, en werd hij - op eigen verzoek - ingedeeld bij een ploeg van 81 mannen die elders turf moesten steken.

Jules Schelvis. Beeld Daniel Cohen

Zo kwam hij buiten het kamp terecht waar vrijwel iedereen de dood vond. Hij was slechts een van de achttien Nederlanders die Sobibor, op dat moment zo'n beetje de dodelijkste plek op aarde, overleefden. Zondag stierf Jules Schelvis op 95-jarige leeftijd.

Sobibor

Schelvis, die in Amsterdam was opgeleid tot graficus en drukker, was zich bewust van de ironie dat Sobibor zijn naamsbekendheid vooral ontleende aan de voormalig kampbewaarder John Demjanjuk, die in 2011 door een Duitse rechter tot vijf jaar gevangenis werd veroordeeld. 'Demjanjuk heeft Sobibor op de kaart gezet', zei hij in Vrij Nederland.

Maar Schelvis kon ruimhartig voorzien in de laat ontloken behoefte aan informatie over het vernietigingskamp. Hij schreef er meerdere boeken over: in Binnen de Poorten noteerde hij, op basis van aantekeningen die hij in de zomer van 1945 maakte, zijn eigen kampervaringen. Zijn monografie Vernietigingskamp Sobibor geldt wereldwijd als standaardwerk. In 2001 publiceerde hij de transportlijsten met de namen van de ruim 34 duizend Nederlandse Joden die in Sobibor zijn omgebracht.

Interview Jules Schelvis

Vanuit Westerbork vertrokken zeventig jaar geleden de eerste treinen naar vernietigingskamp Sobibor. Overlevende Jules Schelvis vertelde in 2013 aan de Volkskrant hoe hij zich na de oorlog herpakte. ''s Nachts werd ik vaak gillend wakker. In je dromen zat je midden in die hel en werd je weer weggesleept, getrapt, geslagen en vernederd.'

Niemand wist beter dan Schelvis hoe het kamp, dat is gebruikt van april 1942 tot november 1943, er heeft uitgezien. Hij maakte er een gedetailleerde maquette van, compleet met Tiroler huisjes die waren voorzien van misleidende namen als 'Lustige Flo', 'Gottes Heimat' en 'Schwalbennest', en met het spoorlijntje dat naar een kuil voerde waar 'mannen en vrouwen die slecht ter been waren min of meer vanuit de trein konden worden in gekieperd'. Aanvankelijk was die maquette opgeborgen in een doos. Later was ze een vast onderdeel van het interieur van zijn Amstelveense flat.

Veertiende transport

Schelvis, zijn vrouw Rachel, haar ouders David en Gretha, haar broer Herman en zus Chaja waren - met bijna 3000 andere mensen - onderdeel van het veertiende transport van het verzamelkamp Westerbork naar 'het oosten'. Schelvis prees zichzelf er gelukkig mee dat hij in de overvolle veewagen een plek langs de wand had kunnen bemachtigen. 'Zo had je tenminste een beetje steun.' En hij kon door een tochtgat naar buiten kijken. Naar onbekende landschappen en naar mensen die zijn blikken ontweken. Hij stoorde zich aan het gekibbel van zijn lotgenoten. En aan de stank van de ton die dienst deed als wc. Hij had een gitaar bij zich, voor bij het kampvuur op de plaats van bestemming. Hij zou 'Hoog op de gele wagen' spelen, zei hij in 2014 in het Dagblad van het Noorden. 'Weet je dat je een baard hebt?', zei Rachel nadat ze drie dagen hadden gereisd. 'Je lijkt wel een rabbi.'

Jules Schelvis. Beeld Daniel Cohen

Van het veertiende transport uit Westerbork zou Schelvis de enige overlevende zijn. Hij bracht kortere of langere tijd door in zeven kampen. Op 8 april 1945 werd hij, meer dood dan levend, door Franse troepen in Zuid-Duitsland bevrijd. Op 30 juni was hij terug in Amsterdam. En hier begon, volgens Schelvis zelf, een episode die zeker zo interessant was als de kamptijd. Hij meldde zich bij drukkerij Lindenbaum, zijn vroegere werkgever. Maar die liet hem weten niet op Schelvis' terugkeer te hebben gerekend en dus geen positie meer vacant te hebben. Bekenden van vroeger, voor zover die er nog waren, stelden geen belang in zijn verhalen - vervuld als zij waren van de Hongerwinter.

Oorlogservaringen

Schelvis vond onderdak bij een tante van zijn vermoorde vrouw, en werd later herenigd met zijn moeder en zuster. Hij hertrouwde met Jo Meijer (1917-2001), die als secretaresse werkte bij de Arbeiders Jeugd Centrale (AJC). Met haar kreeg Schelvis twee kinderen.

Die liet hij lange tijd in het ongewisse over zijn oorlogservaringen. Als zij daarnaar vroegen, verwees hij hen naar hun moeder. Maar toen een verslaggever van het Vrije Volk - waar Schelvis op dat moment werkzaam was als hoofd personeelszaken - in 1970 belang stelde in zijn kampverleden, dacht hij: 'Ik geloof dat nu het moment is gekomen dat ik van me moet laten horen'.

Dat voornemen heeft hij gestand gedaan. Hij publiceerde over Sobibor, hield talrijke spreekbeurten, trad op als 'burger-aanklager' in het (Duitse) proces tegen John Demjanjuk, riep de Stichting Sobibor in het leven en verzamelde twee jaar geleden via crowdfunding het benodigde geld voor het herdenkingsconcert 'Er reed een trein naar Sobibor'. Daarbij werden teksten van Schelvis begeleid of afgewisseld door muziek van - onder anderen - Mahler en Bach. Hun Duitstaligheid stoorde hem allerminst. 'De allergrootste literatuur is Duits', zei hij in NRC Handelsblad. 'En de misdadigers van toen heb ik allemaal overleefd. Wat zou ik me dáár dan druk om maken?'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden