ACHTERGRONDMannetjesorchis

De mannetjesorchis, een wonderlijk toeval in een grasveldje

De Orchis Mascula in Arnhem. Beeld Sabine Rovers

Bijna nergens in Nederland groeit de wilde mannetjesorchis, maar wel onder het raam van de natuurschrijver Koos van Zomeren in Arnhem, die al zestien jaar bijhoudt hoe het de orchidee vergaat. Aan zijn gegevens kan hij zien dat zijn huismannetjesorchis kwijnende is.

Slechts drie rode stippen staan er op het kaartje in de verspreidingsatlas van natuurorganisatie Floron. De Orchis Mascula, oftewel de mannetjesorchis, is een ‘zeer zeldzame soort’, natuurlijk weer ‘bedreigd’ en ‘sterk achteruitgegaan’. De vaatplant met zijn paarsrode (of soms anders gekleurde) bloeiaren met bloembladen in de vorm van mansfiguurtjes, is alleen nog gezien in de duinen van Noord-Holland en in Zuid-Limburg. En, wat gek: in Arnhem.

Zo het toeval iets wil, dan wilde het nu dat dit rode stipje op de kaart precies onder het raam ligt van de werkkamer van Koos van Zomeren. Daar staat, in een schuin aflopend veldje onderaan het appartementengebouw, welgeteld één vierkante meter met nu tien bloeiende mannetjesorchissen. Een zeldzaam cadeau voor een natuurschrijver, die er al zestien jaar op uitkijkt. In zijn werk heeft hij de plant herhaaldelijk tot leven gewekt, in zijn boek Alles is begonnen (2015) speelt die zelfs de hoofdrol, tot op de omslag toe.

De populatie lijkt kwijnend, zegt hij. Nee, hij hoeft geen actie tot behoud van, liet hij weten. Wel wil hij, vóór alles voorbij is, het verhaal nog eenmaal vertellen.

Wonderlijke reeks toevalligheden

Een wonderlijke reeks toevalligheden bepaalt de geschiedenis, die begon in mei 2004. Van Zomeren woonde sinds een paar jaar in een nieuwbouwwoning aan de groene rand van de stad. ‘Ik stond bij de garage, keek om en zag tussen het gras voor het eerst een grote plant staan, van zo’n 50 centimeter hoog’, zegt hij, gezeten aan het raam waardoor hij dagelijks zicht heeft op het wonder. ‘Ik zag wel dat het een orchidee was, maar niet welke. Het is ook moeilijk, er komen allerlei bastaardvormen voor.’

Nooit had hij gedacht dat dit een vervolg zou krijgen, ook al omdat de plant het jaar daarop niet bloeide. Met de kennis van nu: ‘Als je weet dat het planten zijn met een knolletje, en dat ze altijd opduiken in groepjes, dan had je al kunnen vermoeden dat het hier niet bij zou blijven. Maar ik wist niets van planten.’

Er moest zich een wortelrozet hebben gevormd, de manier waarop de orchis energie verzamelt. Want twee jaar later bloeiden ineens twee orchideeën. ‘Duidelijk verschillende individuen. Een recht exemplaar met effen blad, de andere een beetje slungelig, minder mooi en met gevlekt blad. Er moeten dus minstens twee bronnen van deze oervaders zijn geweest’, stelt Van Zomeren vast. Het heeft hem een paar jaar gekost om vast te stellen welke orchidee dit was. Deskundigen twijfelden. Rietorchis? Een gevlekte orchis misschien? Nee, die laatste heeft veel prominentere schutbladeren onder de bloem. Totdat onomstotelijk kwam vast te staan: mannetjesorchis. Zo onwaarschijnlijk dat een kenner meteen vroeg hoe Van Zomeren die in godsnaam daar had opgekweekt, want ‘wilde natuur’ kon dit niet zijn.

De hooguit twee uurtjes zon die de schaduwplanten op hun talud krijgen toebemeten, moet hebben bijgedragen aan het succes. Maar dat bleek later pas. Eerst het raadsel van hun verschijning in Arnhem. Aan die puzzel heeft Van Zomeren jarenlang gewerkt.

Alles is begonnen met de toekenning, in 2002, van de Prijs voor Natuurbehoud van het Prins Bernhard Cultuurfonds aan Van Zomeren. Ironisch: ‘Dat was natuurlijk geen toeval’. Regisseur Tijs Tinbergen en cameraman Jan Musch besloten een documentaire over de schrijver te maken. Het gezelschap toog daarvoor naar zijn geliefde Grindelwald in de Zwitserse Alpen, waar de mannetjesorchis welig tiert. Het was eind augustus, begin september, toevallig de tijd van de zaadverspreiding van de orchis.

Iets van dat zaad moet mee naar Arnhem zijn gekomen, zegt Van Zomeren nu. In de omslag van zijn broek, of die van zijn vrouw Iris, in de profielen van hun schoenzolen of autobanden, misschien in de vacht van trouwe metgezel Stanley, hun toenmalige hond.

Op Nederlandse bodem

Zo belanden wel meer uitheemse planten op Nederlandse bodem. Het toeval wilde nu dat de zaden in Arnhem vielen op grond die daar niet thuishoorde. Die was daar kort geleden door een grondbedrijf uitgestort om een fraai profieltje te creëren in de nieuwbouwwijk. Het is zeer onwaarschijnlijk dat die grond zaden van de mannetjesorchis bevatte, daar is die te zeldzaam voor. Elke andere verklaring zou alleen maar getuigen van nóg meer toeval.

Kan iemand ze zelf gezaaid hebben? Uitgesloten: zaad van de mannetjesorchis is bijna van stof, het verpulvert snel. Kweken is vrijwel onmogelijk: om te ontkiemen vereist het zaad specifieke schimmeldraden in de bodem. Die moeten stomtoevallig in dit stukje verse grond hebben gezeten. Natuurlijk heeft Van Zomeren de gemeente gevraagd waar de grond vandaan kwam. Het viel niet te achterhalen.

Dat de verse bodem nog niet begroeid was, vormde het zoveelste gelukkige toeval in dit verhaal. Een jaar later en de nieuwbouwplek zou zijn overwoekerd met grassen, mos en varens, waartegen de zaden het beslist zouden hebben afgelegd.

Onder het raam van schrijver Koos van Zomeren kwam ineens een zeldzame orchidee op. Beeld Sabine Rovers

Van Zomeren heeft niets tegen toeval, hij mag het fraaie woord graag gebruiken. Wat hij toeval noemt, is een typisch menselijk perspectief, erkent hij: ‘Ik zie vanuit mijn raam nu die enorme reeks toevalligheden, maar zo’n plant zal er onverschillig tegenover staan en concluderen: dit kan kennelijk, als de gewoonste zaak van de wereld.’

Gedetailleerde studie

‘Wilde’ natuur of niet: de planten recht onder zijn raam geven de natuurschrijver de kans tot observaties die geen bioloog zo nauwgezet in het wild zou kunnen doen. Sinds hun bestaan doet Van Zomeren gedetailleerde studie naar de plant. In een dik grijs schrift noteert hij hun levensloop, aan de hand van maten, (eerste) bloeidata en coördinaten. Coördinaten? Zeker: hij omheinde het vierkante metertje met gaas en sloeg in de hoekpaaltjes een spijker. Vanaf die punten meet hij elk jaar de plek van een nieuwe plant, en de volgorde van opkomst. Op plattegrondjes tekent hij hun positie in met een passer. ‘Alsof je achter je huis een klein sterrenstelsel in kaart zit te brengen’, schreef hij eens. Met die gegevens kan hij zijn planten bijna individualiseren. Dat idee leende hij van Jo Willems, voormalig botanist aan de Universiteit Utrecht, die hetzelfde deed met de herfstschroeforchis en de aapjesorchis – geen wetenschap met zo’n bloemrijk taalgebruik als de botanie. Wisten we trouwens dat ‘Orchis’ latijn is voor ‘testikels? En dat dus ook de mannetjesorchis onder de grond twee balletjes draagt, waarvan één verschrompeld?

Aan zijn verzamelde data lees je af dat zijn huismannetjesorchis kwijnende is, zegt hij. Hoewel het langetermijnbeeld grillig is, ziet hij de vitaliteit langzaam afnemen. Zijn favoriet, ‘Nummer 1’, ‘met de uitstraling van een Romeinse veldheer’, gaat ook dit jaar met vijftig centimeter recht omhoog. ‘38 steel, 12 aar’, constateert hij met de rolmaat erbij, toch twee centimeter meer dan een paar dagen eerder. De overige planten komen zo hoog niet.

In 2015, het laatste jaar dat hij beschreef in Alles is begonnen, stonden negentien planten in zijn perkje, ongeveer een centimeter uit elkaar. Een jaar daarna bloeiden er maar drie. Van Zomeren had er vrede mee: zijn boek was af, en een wonder hoeft zich niet eeuwig te herhalen. ‘Als Jezus elke dag over het water liep, was het al snel niet leuk meer’.

In 2017 stonden er toch ineens weer veertien, van fors formaat. Deze weken zijn het er tien, waarvan één is geknakt. De vitaliteit van de populatie nam af, zag hij. ‘Ieder jaar blijven ze kleiner, vooral die aar. Geen idee waarom.’

De muizen misschien, die Van Zomeren ongemoeid laat? Hij houdt niet van ingrijpen in de natuur, maar op dit minilandschapje heeft hij toch enkele beheersmaatregelen uitgevoerd: een paar maal strooide hij kalk tegen de verrijking door stikstof, af en toe haalt hij wat woekerend groen weg. Met de droge zomers van vorig jaar gaf hij soms water – met gemengde gevoelens. Hoe dan ook: eens zal die wonderbaarlijke opstanding hier verleden zijn. Tot die tijd geniet Van Zomeren van het ‘levend schilderij’ onder zijn werkkamer.

Anderhalve week na het bezoek volgt een nagekomen bericht van Van Zomeren: ‘Mijn onverwoestbare pessimisme heeft het opnieuw moeten afleggen tegen hun onbekommerde levenslust’: de grootste orchis was inmiddels 45 centimeter hoog met een aar van 16 centimeter. ‘Ze hadden me al zo vaak verrast, nu verrasten ze me opnieuw'. 

Waar wetenschap en literatuur elkaar treffen, ontstaan in dit geval onvermijdelijk mijmeringen over een wil van de plant, een ziel desnoods. Van Zomeren heeft niet het idee dat hij met ‘levende wezens’ van doen heeft, zegt hij. Dat is precies wat hem stoort aan het werk van de Duitse boswachter Peter Wohlleben, of eerder prinses Irene die met bomen sprak. ‘Ik snap dat je over bomen kunt spreken in menselijke termen van geboorte, groei en sterven. Het zou raar zijn om een dode boom ‘kapot’ te noemen in plaats van dood. Maar als je tot diepere waarneming komt, zie je dat al die levensverrichtingen ook kunnen plaatsvinden zonder de ziel die sommigen erin menen te zien. Menselijke of dierlijke eigenschappen toeschrijven aan planten lijkt een manifestatie van fantasie, maar het getuigt juist van een enorm gebrek eraan, van armoe. De Wohllebens kunnen zich niet voorstellen dat al die levensverrichtingen mogelijk zijn zonder het allerbelangrijkste dat ze bij zichzelf vaststellen: bewustzijn. Ik kan me dat wél voorstellen, en ik denk dat het mijn gevoel voor wat bewustzijn precies is, relativeert. Wij mensen gaan er – in het geloof, of in het communisme – maar van uit dat onze soort de parel van de schepping of de natuur is. Dit relativeert het een beetje: de natuur kan voor het grootste deel zonder bewustzijn. Ik vind dat een fascinerend gegeven, als schrijver.’

Het kan natuurlijk dat de mannetjesorchis er juist hierom bewust voor koos te verschijnen onder het raam van een natuurschrijver te Arnhem. Maar laten we het houden op een mooi toeval.

Mannetjesorchis

‘Wijdverspreid van W Europa tot Rusland, ook in NW Afrika, Turkije en het Midden-Oosten’, schrijft de net verschenen Veldgids Orchideeën (Uitg. Noordboek) over de Orchis Mascula. Maar niet in Nederland: het verspreidingskaartje is geheel leeg.

De plant bloeit ‘in open loofbossen, open dennenbossen en in grasland, meestal op kalksteen of kleiachtige gronden; van zeeniveau tot 3000 m.’ Kenmerken: ‘Bladeren groen of gevlekt of gestreept met donker paarsbruin. Aar cilindrisch in omtrek. Bloemen paars met de middelste sepaal en petalen die een open kap vormen, de zijdelingse sepalen rechtop of afstaand als konijnenoren en stomp tot toegespitst. Lip 3-lobbig met uitgespreide lobben, meestal paars gestippeld op het basale tot centrale deel, niet longitudinaal gewelfd; spoor knotsvormig, even lang of iets langer dan het vruchtbeginsel, zwak naar boven gebogen.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden