'De lezer is mijn naaste naaste'

Een waagstuk, noemt Maria Stahlie haar nieuwe roman Sint-Juttemis. Ze ziet haar verhalen als levende organismen, voor lezers die verstand en fantasie koppelen aan onbevangenheid....

Eerst maar even een brandende vraag vooraf, voor de zekerheid. Gaat Maria Stahlie, nu haar tiende boek, Sint-Juttemis, op punt van verschijnen staat, nooit meer overwegen om te stoppen met schrijven, zoals ze in het verleden wel deed? De vraag is, na achttien jaar schrijverschap, nog steeds geen retorische, het antwoord een diepe zucht. 'Nu het boek af is kan ik me niet voorstellen dat ik ooit de concentratie had die nodig was om zo'n wereld tot leven te wekken', zegt ze dan. 'Ik ben er nu uitgestapt, terug in het gewone leven, en moet op adem komen. Nu lijkt me zo'n verhaalwereld te groot, iets ontzaglijks waar je in ondergedompeld raakt.'

De beduchtheid voor het eigen materiaal heeft alles te maken met het soort boeken dat Stahlie wil schrijven: 'Met elk boek moet ik een stap verder komen. Grenzen opzoeken en verleggen. Dat kost me erg veel energie.'

Kijk, legt ze uit, 'inhoudelijk lijken mijn boeken op elkaar. Mijn personages proberen iets te doen waarmee ze zichzelf overstijgen. Ze ontdekken dat het wel degelijk mogelijk is om een waar contact met iemand te hebben, als je bereid bent om je te laten bestemmen door een ander.

'Vergelijk alleen al de titels van mijn eerste en mijn laatste boek: Unisono - het samensmelten met een ander bewustzijn - en Sint-Juttemis - de dag waarop het onmogelijke mogelijk wordt - die twee begrippen duiden op hetzelfde streven. Maar met de vorm doe ik telkens iets nieuws; het technisch vermogen groeit met elk boek. Vanzelfsprekend is Sint-Juttemis dus mijn meest ambitieuze boek.'

De omvangrijke roman speelt zich af binnen zes dagen. Op de eerste dag krijgt de ik-figuur, Margot, te horen dat haar oudste vriend Christophe, haar 'naaste naaste' met wie ze als kind in Frankrijk opgroeide, is opgenomen in een Parijse psychiatrische inrichting, na geweldpleging en een zelfmoordpoging. Zij reist meteen af naar Parijs, noodgedwongen met haar bejaarde schoonmoeder en haar puberende stiefdochter. Christophe is buiten bewustzijn, zijn geest heeft zich 'gedissocieerd', is de diagnose. De drie vrouwen betrekken zijn appartement en Margot probeert uit alle macht te achterhalen hoe Christophe, een beroemd filmacteur, tot deze onkarakteristieke daad gekomen is. Ze wil zo diep tot hem doordringen dat hij de ogen weer zal openen.

En daar gaat Margot ver in. Zij sleept haar twee reisgenoten, en de lezer, mee in een zoektocht naar het wezen van Christophe; zij onderzoekt met haar verstand, gevoel, instinct, geweten en ten slotte met haar volle verbeeldingskracht die haar, en de twee andere vrouwen, in saamhorigheid voert naar sferen waarin het onmogelijke mogelijk wordt. Je zou zelfs van extase kunnen spreken. Vervoering. Loutering.

Stahlie vindt het grote woorden, maar ze kan zich er wel in vinden. 'In bijna al mijn verhalen komen mensen, nadat ik ze in een moeilijk parket heb gebracht, gelouterd uit de strijd. Schoongewassen. Ik zet ze onder hoogspanning, ik laat ze diep in zichzelf tasten, maar het is niet voor niets dat ik ze zo pijnig', zegt ze met een grijns. 'En ik hoop ook dat de lezer zich gelouterd voelt. Ik heb een aangrijpend boek willen schrijven.'

Sint-Juttemis is een waagstuk, erkent de schrijfster. 'Er staat in dit boek nog meer op het spel dan in mijn vorige roman, De lijfarts. Hier draait het nog meer om de kracht van de verbeelding, ik neem die nu letterlijk. De verbeelding van Margot ontwaakt, en ik voer de lezer daarin mee. Die passages zijn in zekere zin riskant, maar ik denk dat het goed gelukt is.'

Voorwaarde is wel dat de lezer bereid is zich totaal over te leveren: 'Ik probeer de lezer de wereld van het boek in te slepen en hem er snel mee vertrouwd te maken. Zijn inzet moet groot zijn: verstand en verbeelding moeten op scherp staan, maar er moet ook een grote onbevangenheid zijn. De ideale lezer is voor mij geen achterdochtige lezer maar een zo ontvankelijk mogelijke lezer. Als je je niet kunt laten meevoeren, is het kennelijk geen boek voor jou. Dan kun je het beter terzijde leggen.'

Maria Stahlie kan zich 'geen wonderlijker en intiemer' contact voorstellen dan dat tussen schrijver en lezer. 'De lezer is míjn ''naaste naaste''. Er gebeurt iets in het hoofd van een schrijver en dat vindt zijn weerslag in het hoofd van de lezer. Die ziet beelden voor zich die in mijn hoofd rondtolden. Vreemder en wilder kan het niet. Lezen is niet als luisteren. Een lezer is uitvoerder, zoals een pianist die noten speelt van bladmuziek. Waar ik naar streef is dat lezers mijn boeken tot zich laten komen, de toon horen waarop ik het heb bedoeld. De verbeelding maakt een weefsel: alles tegelijk en toch zo helder als glas. Zo wil ik dat mijn boeken worden ervaren.'

Het ergert haar als mensen romans ijverig interpreteren, terugbrengen tot wat 'eigenlijk' bedoeld zou zijn. 'Dan ontrafel je dat zorgvuldig opgebouwde weefsel. Een ''thema'' is niks. De waarheden van een roman komen pas tot hun recht binnen het verhaal, dáár worden ze waargemaakt. Als je ze eruit licht, houd je agendawijsheden over. Een schrijver is geen denker, en een roman niet de verpakking van denkbeelden of een grabbelton waaruit de lezer iets van zijn gading kan pikken. Een verhaal is een levend organisme. Al schrijvend reageer ik op wat zich in mijn verhalen voordoet.'

Noem het geen thema - toch kun je vaststellen dat in Sint-Juttemis de strijd wordt aangebonden met het alomtegenwoordige cynisme. Je kunt je wel degelijk teweer stellen tegen de zinloosheid en grauwheid van het bestaan. Stahlie beaamt het. 'Ik verzet mij in al mijn boeken tegen voor de hand liggend cynisme. Als je alleen al bedenkt wat er in één mensenhoofd omgaat, hoeveel mogelijkheden ieder mens in zich heeft. Het is ondankbaar om je te verschuilen achter dooddoeners als ''het bestaan is zinloos'', ''de mens is slecht'', of ''dood gaan we toch''. Dan ben je te snel klaar. Wat ik met heel mijn wezen wil zeggen is dat je wakken kunt slaan in de muur die het cynisme hand in hand met de rede heeft opgetrokken. Je kunt glimpen van een diepere waarheid opvangen.

'Het gaat erom je open te stellen voor een ander, voor zijn geest, gevoel, herinnering. Dan zijn mensen doordringbaar. Kijk alleen al naar de woorden die we gebruiken. Niet voor niets heet ''gedachtewisseling'' zo, of ''mededeelzaamheid'', of ''saamhorigheid''. Je moet het letterlijk nemen: het is echt mogelijk dat er iets wordt uitgewisseld en gedeeld met iemand anders.

'Taal wordt door de rede ook misbruikt. De duizelingwekkende mogelijkheden van het bestaan kunnen bedreigend zijn. Daarom probeert de rede etiketten te plakken op verschijnselen, suggererend dat zij daarmee onschadelijk zijn gemaakt, en dat wat geen etiket heeft, niet bestaat. Ik denk dat je er niets mee opschiet om alles vast te leggen in beschrijfbare processen. De taalkundige Noam Chomsky bracht de taal terug tot een serie grammaticale wetmatigheden. Wat heb je daaraan? Het gaat om betekenis, toon, ritme. Het is vooral de toon van de schrijver die bloed geeft aan de taal.'

Uiteindelijk, zegt Stahlie, gaat het in al haar boeken over liefde. 'Al zal ik dát nu weer niet zo letterlijk stellen', bekent ze met een lachje. 'Mijn personages zullen niet snel een liefdesrelatie beginnen met hun bondgenoot. En ze zijn vaak geen echte familie van elkaar. Maar ook tussen nepfamilieleden kan grote zielsverwantschap bestaan.

'In Sint-Juttemis doet Christophe een heroïsche poging om te leven in de geest van zijn verongelukte vriend Sasja. Maar Sasja, de idealist, was voor Christophe te hoog gegrepen, en daarna viel hij genadeloos terug in de leegte van zijn koude hart. Toch is hij een geweldige jongen - dat vindt Margot, en dat vind ik. En die poging tot eenwording met zijn vriend was liefde. Net als de totale toewijding van Margot aan Christophe, en het verbond met haar schoonmoeder en stiefdochter: pure liefde.'

Van dat web van compassie heeft zij, de schrijfster, zich nu losgescheurd, en dat kostte moeite. Vandaar dat zij nog niet wil nadenken over boek nummer elf. Toen zij klein was, vertelt Stahlie, was haar liefste wens om zangeres te worden in een achtergrondkoortje. Veilig, onopvallend, dienstbaar. 'In het dagelijks leven ben ik de behoedzaamheid zelve. Mijn gewone ik verschilt hemelsbreed van mijn schrijvende ik. In mijn boeken durf ik alles. De greep die ik heb op een verhaalwereld zou ik in mijn leven goed kunnen gebruiken. Kennelijk is het kiezen of delen.'

Ze merkt dat de kloof bij elk boek groter wordt. 'Tijdens het schrijven van mijn eerste twee, drie boeken was ik nog onbevangen. Daarna werd ik me langzamerhand bewust van de enorme kracht van de verbeelding, van wat je allemaal uit je duim zuigt.

'Het begint vaak met een beeld, en dan doe ik iets wat ik ''eronder komen'' noem: dan ontstaan er personages en probeer ik ''onder'' die personages te komen. Zo groeit, voordat ik één letter heb opgeschreven, in mijn hoofd een wereld die ik kan oproepen wanneer ik maar wil. Intussen gaat mijn leven gewoon door; ik lees boeken, ik kijk tv, maar aldoor breidt dat spoor in mijn hoofd zich uit. Dat is een van de vreemdste dingen die je kunt meemaken. En wat me huiverig maakt: die verhaalwereld staat compleet los van mijn echte leven.'

Afgelopen zomer werd haar dat nog eens ingewreven. 'Mijn moeder overleed, toen ik midden in het schrijven van een hoofdstuk zat. De laatste maanden van haar leven ging ik vaak met haar naar het ziekenhuis, en haar dood heeft me erg aangegrepen. Toch ging ik gewoon door met schrijven. Haar dood heeft ook geen enkel effect gehad op de toon van het boek. Dat heeft me verrast, en geschokt.'

Schrijven heeft dus een prijs, en Maria Stahlie vraagt zich vaak af of het die prijs wel waard is. 'Mag je je uitsluitend wijden aan het verzinnen van verhalen? Ondanks alle twijfel denk ik nu dat het nut heeft. Als je vindt dat je het goed kunt - en misschien mag ik nu vaststellen dat ik doe wat ik moet doen - dan lever je op die manier ook een bijdrage aan de maatschappij. Verhalen zijn belangrijk. 'Daarom' - ze kan het nu wel zeggen - 'zou het onzin zijn om te denken dat ik er nu na achttien jaar maar eens mee stop. Ik mag dan als ik schrijf nauwelijks bestaan, mijn boeken bestaan wel. Ik hoop altijd, als ik door een park loop of in de trein zit, dat ik iemand tegenkom die een boek van mij aan het lezen is. Helaas is dat me nog nooit overkomen.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden