De leerling gaat zijn meester te lijf

ALS CRITICUS had de voormalige hoogleraar in de moderne Nederlandse letterkunde aan de Rijksuniversiteit te Leiden H.A. Gomperts (1915-1998) het program, niet over één nacht ijs te gaan....

Een literair werk was in zijn ogen geen autonoom organisme, maar een uitgedrukte bedoeling. Men dient het werk 'te begrijpen met inbegrip van zijn maker en zijn problemen', en de criticus moest maar liefst 'alle beschikbare middelen' gebruiken om te proberen daar achter te komen. Waarbij Gomperts overigens aantekende dat psychologie - en de psychoanalayse in het bijzonder - een bedrieglijke methode is: 'Zij lijkt snel, maar voordat men het weet, staat men in de verkeerde slaapkamer. Men moet zich dus heel precies rekenschap ervan geven hoe men deze methode gebruiken moet.'

Vijftien jaar later nam Gomperts afscheid als hoogleraar met de rede 'Wij tolken', die besluit met de definitie dat de uitlegger een tolk is 'wiens versie de oorspronkelijke tekst niet vervangt, maar een van de hulpmiddelen is om die beter in het vizier te krijgen. Hij dient de waarheid het beste door er geen geheim van te maken dat zijn vertolkingen nooit helemaal zeker zijn en nooit helemaal voltooid.'

En toen werd het stil. Gomperts verhuisde naar Frankrijk, waar hij in 1998 stierf. Zijn belangwekkendste stukken waren in het jaar dat hij aftrad gebundeld in twee delen Intenties. Naar nu blijkt, is hij in de jaren tussen 1981 en zijn overlijden bezig geweest met een studie over het antisemitisme van intellectuelen, schrijvers en geleerden, van Erasmus, Voltaire, Nietzsche, Dostojewski. In de verantwoording bij het zojuist postuum verschenen boek Een kern van waarheid, melden de bezorgers Eep Francken en Herman Verhaar dat Gomperts 'een paar jaar geleden besloot zich in eerste instantie te beperken tot de aanleiding van zijn belangstelling, Menno ter Braak'.

Uit het onvoltooide manuscript hebben de bezorgers derhalve die publicabele gedeelten gelicht die cirkelen rond een persoonlijk probleem van Gomperts. In zijn jeugdjaren bewonderde hij de essayist en criticus Menno ter Braak, die op 14 mei 1940 door zelfdoding om het leven kwam, kort nadat de Duitsers Nederland bezetten. Achter in het vierde deel van Menno ter Braak / E. du Perron - Briefwisseling 1930-1940 (1967) wijdde Gomperts een bescheiden zestal alinea's aan zijn vriendschap met de toonaangevende criticus en redacteur van het invloedrijke tijdschrift Forum. Ter Braaks verlegenheid nam allengs af, maar toch voelde Gomperts dat hij niet echt tot hem door zou kunnen dringen. Van dichtbij zond Ter Braak 'levendige en hartelijke signalen' uit, daarachter bleef hij evenwel 'onbereikbaar verschanst'.

Gomperts vereerde hem om zijn virtuoze, ontspannen stijl en vrijgevochten mentaliteit. Maar er stak hem ook iets waar hij, toen Ter Braak nog leefde, niet de woorden voor had. De leermeester die zich in zijn geschriften kantte tegen het nazisme en antisemitisme, kon namelijk in verschillende artikelen en brieven betrapt worden op verbazingwekkende antisemitische uitlatingen. Verdoezeld, vermomd, verscholen, maar niettemin aanwijsbaar. Een pijnlijke kwestie voor Gomperts, die zelf aan de jodenvervolging ontkwam door naar Engeland over te steken.

Tientallen jaren na de dood van Ter Braak (en, naar achteraf gezegd kan worden, enkele jaren voor zijn eigen dood) moest Gomperts zijn eertijdse vriend te lijf, en wel met zijn hoofd, hart en ingewanden. Op Ter Braaks overtuigingen had hij altijd de zijne gestoeld: beiden lazen en analyseerden literaire werken om zich te verstaan met een 'vent', die werd verondersteld de vorm te hebben aangewend die zijn bedoeling het helderst uitdrukte.

Aan alles in de nu gepubliceerde hoofdstukken is af te lezen hoeveel moeite het Gomperts heeft gekost zijn grote voorbeeld te betrappen op onaangename ongerijmdheden. De schrijnende ironie van het lot wil dat de arbeid van deze tolk ook dit keer niet voltooid is - maar dan als gevolg van externe omstandigheden. In zijn nagelaten studie is Gomperts uitgesproken onvoorzichtig als het op oordelen aankomt: Ter Braak was een 'hartgrondig antisemiet' en 'diepgeworteld racist'. De moeite zit 'm alleen in het overleggen van flagrant bewijsmateriaal. Weliswaar kan Gomperts dat antisemitisme niet zomaar aanwijzen, maar doordat Ter Braak gespleten was en zijn toevlucht nam tot paradoxen, voelt Gomperts op zijn klompen aan dat hier iets verderfelijks verborgen werd.

'De wil om elkaar te begrijpen wordt vaak verdrongen door de wil om elkaar te verslaan', poneerde Gomperts in 1981 in zijn afscheidsrede. Echter, nu alles zo dichtbij kwam, verliet zijn prudentie hem op een wijze die dramatisch genoemd moet worden. Een kern van waarheid bevat een algemene, psychologische en filosofische inleiding over 'angst, haat, zelfhaat en het intellectuele antisemitisme'. De tragiek van de methode die Gomperts toepast, is dat hij deze keer, nu het om Ter Braak en het antisemitisme ging, nadrukkelijk bij de psychologie en psychoanalyse moet aankloppen om zijn bevindingen een schijn van waarheid te geven.

Als wetenschapper hamerde hij er nog op dat een uitlegger met de grootste zorgvuldigheid te werk diende te gaan. In de praktijk van Een kern van waarheid blijkt hoe fout het anders kan gaan. Gomperts poogt Nietzsche en Ter Braak te ontmaskeren, maar moet zijn geduldige lectuur van hun twijfelachtige tegenspraken en standpunten afwisselen met staaltjes van dilettantistische psychologie, teneinde zijn verklaringen 'rond' te krijgen.

Dat gaat dan zo. Nietzsche had een preoccupatie met zindelijkheid, was zelf een ziekelijk mens en trachtte zijn zwakheden te overschreeuwen met harde kreten. Ter Braak was verlegen en onhandig, en boog zijn latente homoseksualiteit om in verlichting voor het lijden aan zijn zelfhaat 'door hem op anderen te richten'.

De gespletenheid die Gomperts aantrof, moest en zou hij toch weer terugbrengen tot een overzichtelijk schema. Nogmaals, Gomperts zal zijn persoonlijke redenen hebben gehad zich in zijn laatste studie geen voorbehoud toe te staan, die toch altijd tot het wezen van zijn werk had behoord. Hij gaat er hard tegenaan. Zonder te scoren. Gomperts zet tendentieus in: eerst stelt hij dat Ter Braak gespleten was en een antisemiet, daarna geeft hij een citaat uit 1936 dat zonder context niet begrepen kan worden, en ontleedt dat citaat door Ter Braak een 'Jekyll and Hyde'-complex in de schoenen te schuiven dat hij, Gomperts, dan ineens weer haarfijn kan duiden.

Hij verwijt Ter Braak misleidende slordigheid, maar denkt exact te weten waar die onduidelijkheid voor bedoeld was: zo maskeerde Ter Braak zijn 'hartgrondig antisemitisme'. Uit de geciteerde passages blijkt zulks zeker niet zonneklaar. De 'kunstgrepen' die Gomperts bij Ter Braak laakt, past hij op zijn beurt toe in het streven zijn inspirator vast te pinnen. Ter Braaks sleutelwoorden 'instinct', 'paradox', 'probleem' en 'rancune' lijken 'voor de lezer, de kritische lezer, op stootblokken, die het denken stil zetten door de gewenste opheldering van het gestelde te verijdelen'. Een drogredenering. Doordat Ter Braak niet duidelijk is, zou hij zich verraden?

Marsman en Du Perron beschouwden hun vriend Ter Braak als ontragisch. 'Begrijpelijk', zegt Gomperts, 'als men let op zijn vitaliteit, zijn activiteit, zijn handigheid, zoals hij het zelf zegt, om met zijn innerlijke conflicten om te gaan. Onbegrijpelijk als men zijn jeugdgeschriften leest met hun ondergrond van melancholie en doodsverlangen.' Maar welke sensibele jongeling met literaire aspiraties is volkomen vrij van melancholie en doodsverlangen?

Een overweging die Gomperts niet uitkomt, want hij wil dóór naar zijn aanvechtbare conclusie: 'Ter Braak was allebei: als zelfhater samengesteld uit een ongelukkig gehate en een zelfvoldane hater. Een bescheiden vernederde en een arrogante vernederaar. Zoals zijn tweespalt zich ook uitte in zijn zich meedelen en zich verzwijgen.'

Zo meende Gomperts alsnog tot Ter Braak door te dringen. De waarheid van zijn moeizaam geformuleerde aantijgingen kan daarentegen bezwaarlijk voetstoots worden aangenomen, daar zij steunt op presupposities die fundamenteel hypothetisch zijn. Een kern van waarheid is op drijfzand gefundeerd. Gomperts maakt van Ter Braak een zielig geval, maar zijn bewijsvoering is van dien aard dat de aanklager eerder medelijden oproept, en zelfs de vraag of díe soms zijn eigen gespletenheid op Ter Braak projecteert.

Alleen wanneer je bereid bent Gomperts te geloven, kun je het met hem eens zijn. Cynisch misschien, maar helaas waar: hoe lang Gomperts ook heeft gewerkt aan de Onvoltooide, zijn methode was nog te snel. Ter Braaks zelfhaat is na lezing van dit boek minder evident dan Gomperts' zelfbedrog. Een kern van waarheid intrigeert om een andere reden. Het is geen afrekening, het is een psychologisch document van een leerling die zijn meester nooit van zich af heeft kunnen schudden.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.