De kunstgeschiedenis blijkt een parade van plassende figuren

Holy showers: een beschouwing van plassende figuren in de kunst

Is er een alledaagser bezigheid dan plassen? Toch moet je urinerende figuren in de kunstgeschiedenis met een loepje zoeken. Maar die vertellen dan wel een interessant verhaal. Dat veel zegt over onszelf.

Titiaan, The Bacchanal of the Andrians, 1523-1526. Wie goed kijkt, wordt een fraaie kringloop van urine en water gewaar Foto Collectie Museo del Prado, Madrid

Ze hadden hoofden omringd door halo's en vleugels op hun rug, net als iedere andere engel. Afbladderende gezichten, een weggeslagen romp: nee, de tijd had ze niet gespaard. En toch was het evident dat ze iets vasthielden, net onder hun middel, iets wat langer was dan dik. 'Potloodventers?', vroeg ik de collega die de foto toonde van de muurschildering in de arcaden van de Sint-Franciscusbasiliek in Assisi, recht boven een fresco van Cimabue. 'Niet per se', antwoordde hij. 'Plassers kan ook.'

Daar zijn er meer van. De kunstgeschiedenis is een aaneenschakeling van leeglopers, een parade van plassende figuren, waarin alle leeftijden, rassen en seksen zijn vertegenwoordigd; al moet direct worden opgemerkt dat vrouwen in de minderheid zijn (zie kader). Er zijn exhibitionistische plassers, zoals het Brusselse Manneken Pis, en pissers in de achtergrond, zoals de microplasser op Rogier van der Weydens Lucas schildert de Madonna (1435). Er zijn opzienbarende plassers, zoals de fonteinvrouw op Gilles Berquets foto The Pisser (2000), en alledaagse, zoals de plassende boer op een prent van Willem Basse. En er zijn vrolijke plassers, zoals de elkaar in de mond stralende putti's op fonteinen, en angstige, zoals de baby op Rembrandts De roof van Ganymedes (1635).

Gezeik - je zou er een boek mee kunnen vullen. Pissing Figures: 1280-2014 van de Franse kunsthistoricus Jean-Claude Lebensztejn is zo'n boek.

De Engelse vertaling van het Franse origineel (Figures pissantes, 2016) is afgelopen nazomer verschenen bij de Britse uitgeverij David Zwirner Books; een handzaam, rijk geïllustreerd werkje met een sinaasappel-oranje kaft. Het is eerder een interesting dan een easy read. De stijl is elegant, met meanderende zinnen vol puntkomma's en onvertaalde citaten, maar de bij wijlen associatieve betoogtrant en het surplus aan namen bewerkstelligen dat je het spoor makkelijk bijster raakt. Je moet je hoofd er goed bij houden. Geen kattenpis.

Het boek snijdt intrigerende kwesties aan als: plaste Jackson Pollock over zijn action paintings? (ja), en: liet Andy Warhol anderen over zíjn Piss Paintings plassen? (ook ja, maar niet altijd naar volle tevredenheid).

Maar het vermakelijkst is toch het historische overzicht van de plassende figuur in de kunst, een verhaal van bloei en verval. Het romanpersonage in het algemeen, staat ergens in Martin Amis' roman The Information, devalueerde in 2000 jaar van god via mythisch wezen, vorst, hoveling, soldaat en arbeider naar oplichter en psychopaat; de plasser in de kunst, op zijn beurt, veranderde in de loop van de eeuwen van een louterende naar een alledaagse en vervolgens scandaleuze figuur. En blééf dat, helaas. Want in vroeger tijden gold die juist als meer dubbelzinnige, gezegende, vrolijke en ook onschuldige verschijning.

Dat onschuldige mag men letterlijk nemen. De eerste afbeeldingen van plassers portretteerden kleine jongetjes. Zo'n figuurtje hield zich verscholen op Romeinse sarcofagen en in de marges van verluchte manuscripten: één hand in de lucht, de ander rond zijn minuscule piemeltje, de zwaartekracht tartende parabolen producerend en gele vlekken achterlatend in de sneeuw.

Tegen de tijd dat de Renaissance vol op stoom was, groeiden vleugeltjes tussen zijn schouderbladen en kreeg hij een eigen naam: puer mingens oftewel spiritello. Al het menselijke was hem vreemd. De gouden straal uit zijn blaas gold niet als smerig of blasfemisch, maar juist als zegenrijk. Zijn water, zoveel mag duidelijk zijn, was hemels.

Strikt westers was het trouwens niet, de gewoonte van onze voorvaderen urine als iets heiligs te beschouwen. In Afrikaanse en Oceanische culturen had urine een ceremoniële functie en heeft dat nog steeds. Zuid-Afrikaanse Khoikhoipriesters, om een antropologische zijweg in te slaan, plassen tijdens huwelijksceremonies soms over het kersverse bruidspaar (waarbij de bruidegom zichzelf snijdt om de vloeistof dieper te laten doordringen); Nieuw-Guinese stamhoofden doen tijdens initiatieriten hetzelfde bij jonge mannen - in hun mond; eskimo's beschouwen de blaas als zetel van de ziel; Italianen noemen de plas van kleine kinderen acqua santa. Het hiernamaals, moet men na het lezen van dit alles wel concluderen, is van porselein.

Dat was het in het Westen ook, ooit.

Wie hiervan historische voorbeelden wil tonen, kan kiezen uit een overvloed. Men kan bijvoorbeeld terecht bij de drie engelen in de Sint-Franciscusbasiliek in Assisi. Over die figuren valt nog wel een anekdote te vertellen. Na ze grondig te hebben bestudeerd en alle relevante vragen te hebben gesteld (Plasten engelen? Deden ze dat bij voorkeur groepsgewijs? Hadden die lui überhaupt een gulp in hun gewaad?), besloot ik de ontdekking aan kenners van de middeleeuwse schilderkunst voor te leggen.

Die bleken niet onder de indruk. Sterker: ze reageerden niet eens. Eén wel. Met de wreveligheid van iemand die al zijn hele leven de telefoon opneemt om vragen over pissende engelen te beantwoorden, verzekerde hij me dat die niets meer waren dan 'visuele ruis', hetgeen me wel duidelijk zou worden wanneer ik ze met de putti van een eeuw later zou vergelijken. De plafondschilderingen van Andrea Mantegna in Mantua - dát waren pas plassende engelen!

Niet uit het veld geslagen door deze anachronistische drogreden (een Ford uit 1920 is geen auto want de carrosserie ziet er anders uit dan die van een Ferrari uit 1990), maar inmiddels een complot vermoedend van The Da Vinci Code-achtige proporties, legde ik de afbeeldingen voor aan een andere kunsthistoricus. Via deze kwamen ze terecht bij de in Parijs docerende Lebensztejn. Die nam ze graag op in zijn boek en wel als de vroegst bekende voorbeelden van geschilderde plassende figuren in de westerse kunst. Hun positie boven Cimabues zogenaamde Zwarte kruisiging uit 1277-'80 (het loodwit in dat fresco is geoxideerd waardoor alle figuren donkere lichamen en lichte omranding hebben, als waren waren ze een fotonegatief) was volgens de Fransman veelbetekenend. Door te plassen op de stervende Christus, meende Lebensztejn, wasten ze diens gehavende lichaam met 'hun lichamelijke vloeistoffen'. Door de druk op hun blazen te verlichten, verlichtten ze zogezegd het lijden van de Messias.

Een ander kunstwerk waarop aan plas een bijzondere kracht wordt toegedicht, is Lorenzo Lotto's beroemde huwelijksportret Venus en Amor (ca. 1525) uit het Metropolitan Museum in New York. Een goedlachse, maar groteske cupido schiet hierop een in druppeltjes uiteenvallende straal urine door een door Venus omhooggehouden krans van mirretakjes, een money shot dat hier vruchtbaarheid symboliseert. Plas dient hier te worden gelezen als prematuur substituut voor sperma, het échte vruchtwater.

Lorenzo Lotto, Venus en Cupido, 1525

Een derde voorbeeld betreft Titiaans Bacchanaal van de Andrianen (1523-'26), een schilderij uit het Prado, gebaseerd op een passage uit Philostratus' Beelden (I, 25), een bundel beschrijvingen uit begin derde eeuw na Christus van een, vermoedelijk fictieve, Napolitaanse kunstcollectie. De beschrijving in kwestie gaat over de Andrianen van Andros, eenvoudige, agrarische types die leefden in toegewijde verering van wijngod Dionysos. Bij wijze van tegenprestatie zeilde deze met zijn entourage van saters eens per jaar naar Andros om er de wijnranken te laten openbarsten, zodat een rode rivier het eiland overspoelde waaraan de Andrianen zich tegoeddeden. De scène was favoriet bij 16de-eeuwse hovelingen, onder wie Alfonso I d'Este, hertog van Ferrara. Hij sommeerde Titiaan dit tafereel te schilderen ter decoratie van een zaal in zijn stadspaleis.

Tenminste, zo wil het verhaal. In de praktijk valt op Titiaans schilderij van die hele beschrijving namelijk amper iets terug te vinden. De rivier is vervangen door een oude man, gelegen op een bed van druivenranken, en Dionysus' aanwezigheid beperkt zich tot zijn witbedoekte zeilschip. Het zijn de Andrianen, de drinkende, dansende en zingende ('wie drinkt en daarna niet wéér drinkt heeft niet gedronken') eilanders, met wie Titiaan zijn schilderij vulde. Een van hen, een vrouw in een witte tuniek, is een beetje te hard gegaan en strandde voortijdig laveloos op de grond. Naast haar, ter hoogte van haar knie, bevindt zich een jongetje. Hij piest. Van onder zijn opgetilde gewaad - een terugkerend motief in de geschiedenis van de plasser - valt een perfect ronde straal neerwaarts. Even denk je dat hij over de voeten van de laveloze vrouw piest, maar nee: hij piest in het kleine stroompje op de voorgrond. Een watertje dat naar links loopt en waaruit een dorstige mede-eilander juist een kannetje vult om ermee te doen wat zijn toastende en drinkende plaatsgenoten al doen: het achterover slaan, ad fundum.

Wat heeft dit alles te betekenen? Het duurt enkele seconden voor je het ziet, maar Titiaans schilderij bevat een kringloop. Wat door de ene figuur wordt uitgepiest, wordt door de ander opgeschept en door een derde bij wijze van toast ten hemel geheven, waarna een vierde het opslobbert, waarna de eerste... et cetera. Urine als brandstof van de kringloop des levens. Een perpetuum mobile van pis.

De achterneefjes van de spiritelli doken op onverwachte plekken op. Op patriottistische posters bijvoorbeeld, fascistische propaganda in het Interbellum. Toen de Volkenbond in 1936 de invasie van Ethiopië door Italië veroordeelde, lieten die Italianen bij wijze van antwoord ansichtkaarten drukken waarop kleine jongetjes, naakt afgezien van hun schoenen en baretje, stonden te wateren op de door de internationale gemeenschap opgelegde strafmaatregelen, le sanzioni.

Dat is minder excentriek dan het klinkt. Urine diende in vroeger eeuwen naast een theologisch ook een medicinaal en artistiek doel. Het werd gebruikt in bronsgieterijen (om de beelden van patina te voorzien, zoals in het atelier van Rodin gebeurde) en wolweverijen (om ruwe wol te wassen, denk aan de Tilburgse kruikenzeikers) en gold als veelgebruikt doch niet altijd effectief antidotum tegen wonden, oorwormen, hoofdroos, aambeien, blaasjes op en rond de geslachtsdelen, hondenbeten, schorpioensteken, ontstekingen aan het ooglid en, u steekt wat op, wintertenen. Totdat, ergens eind 19de-eeuw pas, het toilet zijn intrede deed, de ontlasting een private aangelegenheid werd, het plassen een potentieel beschamende activiteit en het afbeelden ervan begon te raken aan een taboe. De geschilderde of gebeeldhouwde plasser kreeg daarmee een statusupdate: van onschuldig tot provocatief.

Hierin is sindsdien weinig veranderd. In kunst en fotografie van na de Eerste Wereldoorlog figureert urine meestal als liquide de scandale. Van de antiburgerlijke stralen uit de antiburgerlijke piemels van de Weense Aktionisten Günter Brus en Otto Muehl tot de fascistische Italiaanse ansichtkaarten waarop naakte jongetjes met baretten over de resoluties van de Volkerenbond, le sanzioni, heen zeiken, tot de beroemde meme van het stripfiguurtje Calvin (van Hobbes) die met zijn billen naar de kijker toegedraaid en een duivelse grijns op zijn gezicht de naam van een sportclub of politicus (The Dodgers, Trump) bewatert. Plassen betekent in deze context vaak: op iets of iemand pissen, afzeiken. In enkele gevallen kennen zulke provocatieve beelden een (homo-)erotische ondertoon.

Norbert Bisky's schilderij The Artist at Work, waarop een hoogblond kleutertje een roze vloedgolf over een publiek van andere jongetjes uitstort, is zo'n werk waarin plassen een fetisjistische nevenfunctie heeft gekregen; Marwane Pallas' fotomontage Unload, een ander. Het toont een landschap, evident een fotostudio, waarin een roodharige jongen over een kunstmatige maan heen plast ('naar de maan pissen' betekent zoiets als je tijd verspillen met een onzinnige ambitie), zijn korte broek met lederen bretels afgestroopt, zijn roze billen rustend op de broekband.

Norbert Bisky, The Artist At Work, 2005

Het werk bezit de stoutmoedigheid van de afbeeldingen van de spiritelli van weleer, maar er is een element van kleverige provocatie aan toegevoegd. Of, in Lebensztejns woorden: 'De onschuld van weleer is hier verworden tot louter een flirterige pose.'

Pissing Figures 1280-2014, Jean-Claude Lebensztejn, David Zwirner Books, pp. 186. Met dank aan Arno Haijtema en Carel Blotkamp.


Pisseuses

Als je al een plassende vrouw tegenkomt, heeft het al snel een extra lading.

Beelden van plassende vrouwen zijn zeer sterk in de minderheid in de oude kunst, en de wel bestaande voorbeelden hadden vaak een erotische bijbetekenis - vergeet voor het gemak even Picasso, Marlene Dumas en Sophie Rickett. Lange tijd betroffen voorstellingen van urinerende vrouwen met name als sexy business: vrouw plast, man kijkt en helpt zichzelf al kijkende aan zijn gerief. De 18de-eeuwse Franse kunstenaar Boucher maakte voor bankier en zakenman Randon de Boisset een schilderij waarop een vrouw haar blaas leegt in een kamerpot terwijl een jonge man verlekkerd toekijkt; deze gluurder zou staan voor de kijker zelf, aldus Lebensztejn. Expliciet voyeuristisch is ook de houtsnede van Utamaro, waarop een jonge man vanuit een soort rugbyhouding zichzelf beroert terwijl hij een vrouw bespiedt die, servet tussen de tanden, op het punt staat om zichzelf te verlichten of dat net heeft gedaan. Een antwoord op dit geloer vormde de zogenaamde vases de mariées, aardewerken kamer(pis)potten, op de bodem waarvan men een wenkbrauw en een pupil aantrof. De vrouw die erboven hing, plaste haar bespieder dus recht in het oog.

Een plassende vrouw heeft al snel een extra lading
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.