De jeugd is dik, de overheid slap

Het aantal zwaarlijvige kinderen blijft groeien. Bij initiatieven om dat tegen te gaan spelen multinationals een grote rol. En één communicatiebureau zit als een spin in het web.

13 procent van de kinderen kampt met overgewicht. Beeld anp

Wat eten sommige kinderen toch slecht en haastig, dacht Doris Voss tien jaar geleden toen zij de lunch bijwoonde op de kleuterschool van haar dochter Emma in Amsterdam. Ze schrokten pakjes zoete drinkyoghurt, witte boterhammen en voorverpakte koek naar binnen om maar op tijd klaar te zijn voor het speelkwartier. Dat was in Duitsland, haar geboorteland, toch beter en gründlicher geregeld.

De pan pompoensoep die Doris Voss de week daarna als experiment op tafel zette in de kleuterklas, was voor haar het begin van een carrière als voedselactivist. Ze probeerde het als beleidsambtenaar op dit terrein, en inmiddels schrijft, twittert en sleurt zij er namens haar stichting Tijd voor Eten op los - met als voornaamste doel het verbeteren van de eetcultuur op Nederlandse basisscholen, zonder inmenging van de voedselindustrie.

Voss had het tij mee. Kinderobesitas - zwaarlijvigheid onder de schoolgaande jeugd - heeft zich de afgelopen decennia ontwikkeld van een kwestie waarover vooral in medische en academische kringen werd gesproken tot een zaak van nationaal belang.

13 procent

Dat komt ook door alarmerende statistieken. Zo kampt volgens de jongste gegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek bijna 13 procent van de kinderen met overgewicht - van wie zo'n 3 procent ernstig. Het aantal te dikke kinderen is sinds 1980 meer dan verdubbeld. Overgewicht is, weten we inmiddels, behalve een medisch probleem ook een sociale kwestie: kinderen van allochtone of laagopgeleide ouders zijn vaker te zwaar dan die van hoogopgeleiden.

Geen nood, zou je kunnen denken, want de toegenomen aandacht voor kinderobesitas leidde de afgelopen tien jaar tot een groot aantal initiatieven en stichtingen met klinkende namen. Het bekende Nationaal Schoolontbijt, het convenant Jongeren op Gezond Gewicht, Olympic Moves, het Koningsontbijt en het Kids Global Programme: allemaal gericht op kinderen. En allemaal bedoeld om hen slanker, bewuster of gezonder te maken.

Er is echter één probleem: het tij is nog niet gekeerd. In veel wijken, vooral in de grote steden, neemt het aantal zwaarlijvige kinderen nog steeds toe.

Een 'gezonde' lunch Beeld Gees Voorhees

Voedselindustrie

'Het is vanaf het begin fout gegaan', zegt Voss. 'Het gros van de projecten en initiatieven die obesitas tegen moeten gaan, is gebaseerd op een sterk geloof in samenwerking met de voedselindustrie. Als je daar langer over nadenkt, is dat heel gek. Want voedselbedrijven willen in de eerste plaats zo veel mogelijk omzet draaien. Die zullen niet snel meewerken aan regels waarvan zij zelf last hebben. Sterker nog: zij gebruiken dit soort initiatieven als verkapte marketing.'

Er zijn voorbeelden te over. Zo draagt de schoolsport-competitie Olympic Moves nadrukkelijk het rood van sponsor Coca-Cola uit. Het Koningsontbijt, dat meer dan 1 miljoen kinderen met de verjaardag van Willem Alexander krijgen voorgeschoteld, wordt gesponsord door supermarktketen Jumbo en allerlei producenten van zoetigheid. Albert Heijn, Albron, FrieslandCampina, Nutricia en Unilever ondersteunen het programma Jongeren op Gezond Gewicht, waaraan inmiddels 75 gemeenten deelnemen.

Volgens Hilde Anna de Vries, directeur van de actiegroep Foodwatch Nederland, kunnen kinderen en hun ouders simpelweg niet op tegen de grote marketingbudgetten van bedrijven als Unilever. Als je multinationals inspraak geeft in wat er op scholen en met kinderen gebeurt, zegt De Vries, 'kun je het ze nauwelijks kwalijk nemen dat zij dit soort initiatieven aangrijpen als marketingkans. Daar zijn het bedrijven voor. Wat ons betreft moeten scholen helemaal vrij zijn van marketing gericht op kinderen.'

Wie zich een weg baant door de vele initiatieven op het gebied van gezond eten komt één bedrijf steeds tegen. Het is geen voedselproducent, maar een communicatiebureau: Schuttelaar en Partners. Dit bureau, gelegen aan de Zeestraat in Den Haag, is de afgelopen twee decennia uitgegroeid tot een vooruitgeschoven post van het ministerie van VWS, gespecialiseerd in publiek-private samenwerking.

Spilfunctie

Suzanne van der Pijll, partner bij dit bedrijf, kan bevlogen vertellen over de noodzaak van het drinken van water op scholen en kinderdagverblijven, en over het terugdringen van de hoeveelheid zout in supermarktvoedsel. Maar op één vraag heeft zij niet zo direct een antwoord: waarom is zij eigenlijk geen ambtenaar? Is het niet vreemd dat een communicatieadviseur zo'n spilfunctie heeft verworven in het Nederlandse voedselbeleid?

'Als ik eerlijk ben, vind ik ook dat de overheid veel meer zou moeten doen', zegt Van der Pijll - die Schuttelaar en Partners twintig jaar geleden met vier collega's opzette. 'Al die initiatieven en acties als het Schoolontbijt: prima, maar het zet meer zoden aan de dijk als de overheid echt handelend zou optreden. Met wetgeving bijvoorbeeld, of het verplicht stellen van smaak- en voedingslessen op school.'

'Toen mijn collega's en ik begonnen, was er nog maar weinig beleid op dit terrein. Dat is de afgelopen jaren voetje voor voetje gegroeid - en wij zijn meegegroeid, naar inmiddels zo'n tachtig adviseurs. Gezond eten is een van onze peilers. We hebben bijvoorbeeld mede aan de basis gestaan van de Stichting het Vinkje, een keurmerk voor gezonder voedsel. Dat is een groot succes, dat we inmiddels Europees aan het uitrollen zijn. En het werkt: voedselproducenten en supermarkten zijn dankzij dit initiatief echt aan het concurreren op het terrein van gezondheid.'

Het eerste Koningsontbijt, in 2013, met prins Willem-Alexander en prinses Máxima. Beeld anp

Snackbar

Is dat niet gek, goed geld verdienen aan iets waarvan je zelf eigenlijk vindt dat de overheid het beter zou kunnen? Van der Pijll: 'De overheid verwacht meer van bedrijven en van de samenleving zelf. Wij zijn gewoon in een gat gestapt, met succes. Neem het onderwerp kinderobesitas. Dat is de afgelopen jaren maatschappelijk steeds belangrijker geworden. Het ministerie heeft in dezelfde periode juist een beweging gemaakt naar minder: minder beleid, minder ambtenaren, minder regeltjes.'

Dat sluit goed aan bij de heersende Haagse opvatting dat overgewicht op een totaal andere manier bestreden dient te worden dan bijvoorbeeld drugsverslaving. Zodoende is het wel verboden om een coffeeshop naast een middelbare school te openen, maar mag een snackbar zich daar gewoon vestigen.

De rijksoverheid zoekt het bij het bestrijden van obesitas veel meer in samenwerking - met scholen, ouders, gemeenten en bedrijven - in plaats van in wetgeving of belastingheffing. Het gevolg, volgens Van der Pijll: 'Als er in de Tweede Kamer een vraag ontstaat rond bijvoorbeeld voedingsles op scholen, dan is daar nauwelijks geld voor. Idem dito rond het verlagen van de btw op gezond voedsel. We moeten het doen met potjes voor publiek-private samenwerking en communicatie.'

Oud-politicus Paul Rosenmöller begroet turner Epke Zonderland bij een 'Drink Water'-actie van Jongeren op Gezond Gewicht (JOGG). Beeld anp

Voortouw

Het gevolg laat zich raden. 'Stel dat een groep enthousiastelingen bedenkt dat zij een actie willen organiseren om het eten van fruit op scholen te bevorderen', zegt Van der Pijll. 'Dan ontstaan er allerlei praktische kwesties. Er moet een deal komen met een leverancier, er moet een campagne met een website komen en er moet een plek zijn waar de telefoon wordt opgenomen. Als de overheid dat niet wil faciliteren, dan proberen wij dat te regelen. Ja, ook met steun van het bedrijfsleven. Het gaat mij om de gezondheidswinst die we kunnen boeken - en niet om wie ons betaalt.'

Een onverwacht fel pleitbezorger van een sterkere rol van de overheid is de Amsterdamse wethouder Eric van der Burg. De VVD'er heeft, voor een liberaal, een activistische inslag op dit beleidsterrein. Hij vindt dat de - lokale - overheid zich juist nadrukkelijk moet bemoeien met het gewicht en de leefstijl van kinderen en dat het onzin is om daarbij te veel de nadruk te leggen op het samenwerken met de voedselindustrie.

'Als VVD'er ben ik natuurlijk niet tegen het samenwerken met bedrijven, maar de overheid moet het voortouw nemen. Dat gaat Amsterdam de komende twintig jaar ook doen: met structureel extra geld en extra mensen. Je kunt als stad toch niet wegkijken als er tienduizenden kinderen een ernstig gezondheidsprobleem ontwikkelen?'

Van den Burg hoopt dat andere gemeenten het voorbeeld zullen volgen. Hij wijst erop dat het succes van het beleid nu niet wordt beoordeeld aan de hand van het meest voor de hand liggende criterium: worden kinderen daadwerkelijk minder zwaar? 'Er wordt nu vooral gekeken naar nietszeggende statistieken als het aantal gemeenten dat deelneemt aan een programma als Jongeren op Gezond Gewicht. Maar het gaat niet om projecten, het gaat om aantallen kinderen en extra zorg.'

Marges

De eerste publiek-private samenwerking die onder de Amsterdamse daadkracht is gesneuveld, is die tussen de hoofdstad en het Healthy Kids Programme van voedingsbedrijf Nestlé. Dat betaalde onder meer een 'interactieve theatervoorstelling over opvoeding, voeding en bewegen voor ouders met kinderen in de basisschoolleeftijd' en daarbij werd 'uiteraard op geen enkel moment over specifieke producten van Nestlé gecommuniceerd'.

'We zijn uit dit project met Nestlé gestapt', zegt Van den Burg. 'Als de gemeente samenwerkt met het bedrijfsleven, dan moet er bij hen ook echt inhoudelijk iets veranderen. Het is niet voldoende dat een bedrijf voor de goede sier een bedrag overmaakt en dat dat het dan is.'

Doris Voss, de voedselactiviste van het eerste uur, geeft er ondertussen de brui aan. Ze is het 'gerommel in de marge' zat en heeft onlangs haar subsidie voor het opzetten van nieuwe gezond-eten-programma's stop laten zetten.

'Ik ben er niet doorheen gekomen', zegt Voss. 'Ik wilde nooit samenwerken met de industrie en ben daardoor gedoemd om in de marge te blijven opereren. Wie betaalt, bepaalt. Al die door de overheid ondersteunde programma's dienen vooral zichzelf. Het geld gaat op aan in het oog springende projecten, vage concepten als bewustwording, en aan de salarissen van de betrokken ambtenaren, consultants en bedrijven. Maar uiteindelijk komt er bijna niets terecht op de plek waar je het probleem zou moeten aanpakken: bij ouders en bij scholen.'

Een meisje met overgewicht. Beeld anp
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.