De essentie van zijn leven was dichten INTERTEKSTUALITEIT IN HET WERK VAN J.H. LEOPOLD

Ook de hoogst individuele dichtkunst van J.H. Leopold heeft een context. Literair, filosofisch. Op voorbeeldige wijze wordt deze samenhang, deze 'intertekstualiteit', door de letterkundige J.D.F....

DOEN DE vroege gedichten soms aan Gorter denken - zij het meer de binnenkant van Gorter - weldra wordt de dichter J.H. Leopold onmiddellijk herkenbaar, uniek zelfs naar toon en taal. Ik citeer het begin van het vierde gedicht uit de reeks 'Voor 5 december':

Wij doen elkander zeer, het kon niet anders, in een droeve en on- gewisse lach werd dit bevonden, dit smartelijke, dat wij van stonden besterven moesten in ons bejegenen, veranderen en wij toegenegenen vervreemden;

De vloeiende lijn, die nauwelijks het papier lijkt te raken - ook papier kun je bezeren - loopt tot het einde van de lange eerste strofe. Dat doorgaande enjamberen, die gedempte toon ook, kan karakteristiek worden genoemd, evenals de woordcombinaties 'dit smartelijke' en 'in ons bejegenen', abstracties bijna. 'Wij toegenegenen' kan evenzeer typerend worden genoemd.

Een ander voorbeeld, het begin van het eerste gedicht uit de reeks 'Morgen':

Ik zie den morgen als een gouden mist van eigen rijkdom trage wade een afgehangen web van draden, en nu in twist vingertjes vechten, vingertjes vagen door de ragen, rafelen, halen de draden aan, varen er in het losgegaan weefsel, maken de fijne gazen een plundering en de gevlochten ma zen wijden zij uit (. . .)

De reeks 'Morgen' verscheen in 1897 in De nieuwe gids. Ze bleef op enkele wat plichtmatige reacties na onopgemerkt. Wat in de reeks, zeker naar de taal, uiterst individueel lijkt, blijkt een context te hebben. Of misschien moet ik al direct het woord 'intertekst' gebruiken, dat door J.D.F. van Halsema in een reeks studies over Leopold, Dit ene brein, zeer veelvuldig wordt gebezigd.

De intertekst is een tekst of een verzameling van teksten waarmee, laat ik het voorlopig zo zeggen, een gedicht, in dit geval van Leopold, in relatie staat en die door hem in zijn poëzie is binnengehaald, naar de geest, niet naar de letter, want door middel van een omvorming in de eigen dichterlijke taal.

In de intertekst wordt het gedicht uit zijn literaire, filosofische isolement gehaald en tegelijk wordt het isolement ervan erdoor benadrukt, misschien ook dat van de dichter. Een studie van die tot eigen poëzie en dus tot eigen taal gemaakte intertekst kan ook veel zichtbaar maken over de werkwijze van de dichter.

Voor inzicht in die werkwijze geeft het onvoltooide nagelaten werk van Leopold (en dat is zeer aanzienlijk) vele mogelijkheden. Leopold bewaarde bij het eigen werk het - in het latere werk veelsoortige - materiaal dat zijn verbeelding of zijn taal in gang had gezet of bevestigde.

Twee schitterende studies hebben zich, hoe verschillend ook, met fragmenten uit die nalatenschap ingelaten: Op het voetspoor van de dichter - De ontstaansgeschiedenis van J.H. Leopolds 'Naast ons, naast ons, achter het riet' van A. L. Sötemann uit 1980 en de dissertatie Bijeen het vroeger en het later - De dichter Leopold en zijn bronnen van Van Halsema uit 1989. De hoofdtitel is aan Leopold zelf ontleend, - de eigenheid van de taal verraadt zich in het kleinste.

De dichter gooide, als hij een gedicht af had, zijn materiaal weg. De onderzoeker van de gedichten zal zelf de sporen naar de intertekst moeten trekken. De uitgebreide studie van Van Halsema over 'Morgen' geeft daarvan indrukwekkende voorbeelden.

De serie wordt geplaatst binnen de discussie die in de jaren negentig werd gevoerd over de begrippen 'sensatie' en 'extase'. Van Deyssel is daarbij de gangmaker - zijn kritiek op Gorters Verzen en Couperus' in 1892 verschenen roman Extaze - Een boek van geluk.

Van Deyssels opstellen, Couperus' roman - ze moeten bij de dichter Leopold bij wijze van spreken open op tafel hebben gelegen, zoals zijn reeks 'Morgen' bewijst. Ze horen tot de intertekst van dat gedicht. Maar daar hoort evenzeer bij een in diezelfde jaren gevoerde - minder heftige - discussie over het extase-begrip in Plato's Phaedrus. Leopold nam niet openlijk deel aan het debat, hij was een terzijde-figuur, maar het hield hem bezig. Als dichter. En het palimpsest van het gedicht 'Morgen' laat zich ontcijferen als woorden of begrippen van Couperus, Van Deyssel, Plato. Zij spreken mee in het gedicht, maar in de eigen taal van Leopold.

De studie over 'Morgen' kan voorbeeldig worden genoemd. Om de omzichtigheid, de grote kennis van de literatuur van het fin de siècle - men moet zeer veel zeer grondig kennen voor het ontdekken van meer dan toevallige correspondenties -, de noodzakelijk trage werkwijze en niet het minst om het dubbele resultaat: inzicht in de reeks gedichten, verheldering, ook van het belang, van facetten uit de Nederlandse letterkunde van de jaren negentig. En misschien ook nog vanwege het verkregen inzicht in Leopolds werkwijze.

Maar er wordt ook iets van Leopolds levensloop zichtbaar. Met 'Morgen' mengt hij zich nog in de actualiteit, de literaire en denkwereld om hem heen is de intertekst voor zijn poëzie. Rond 1900 keert zijn volle aandacht - althans zoals zijn poëzie dat te lezen geeft - naar de filosofie, de klassieke, maar ook latere. Zijn grote gedichten, het met een Griekse titel getooide 'Van wijn één druppel', 'Kinderpartij' en 'Cheops' zullen erdoor worden bepaald. Met name van het laatste gedicht - het hoogtepunt van Leopolds werk geacht - bestaan vele interpretaties. Ze zijn indertijd in één boek bijeengebracht. Ook Van Halsema's studie stond erin.

Deze onderscheidde zich van de andere juist door het zichtbaar maken van de intertekst - de Stoa, maar vooral Epicurus en Lucretius - en de geheel nieuwe interpretatie, de, als altijd, voorlopig beste - die het zichtbaar gemaakte intertextueel karakter van het gedicht oplevert: de door Cheops ontdekte vormeloosheid van het heelal, het daaruit volgende nu lege karakter van het naar het model van het sluitend heelal vervaardigde kunstwerk dat de piramide is, de paradox dat Leopold die inzichten in een gedicht heeft verwoord.

Van 'Van wijn één druppel' bestonden al twee belangrijke interpretaties: een poëticale van J. Kamerbeek Jr en een filosofische van A.L. Sötemann. Bij uitdieping weet Van Halsema het wijsgerige en het poëticale op bijzondere wijze te verbinden.

Het zeer omvangrijke stuk over 'Kinderpartij' laat zich welhaast als een ontwikkelingsgeschiedenis van de filosofie, misschien wel van de ontwikkeling van Leopolds eigen denken lezen. Hoe hier, als in de andere stukken, van een enkele parel de afkomst uit een snoer wordt aangetoond, is meer dan bewonderenswaardig.

De dichter moge van deze voltooide gedichten het materiaal hebben vernietigd en dat terecht vind ik, er is nog het restant van zijn bibliotheek. En boeken daaruit (de streepjes staan er nog in) laten de aard van Leopolds wijsgerige lectuur uit de jaren dat hij aan de gedichten schreef, duidelijk zien. En als vaak - dat vind ik een van de boeiendste zaken die de studie zichtbaar maakt - blijkt Leopold geen geïsoleerde lezer, maar iemand die deelt in belangrijke aandachtsgebieden van zijn tijd. Hij deelt erin, maar gebruikt het materiaal als dichter; hij haalt het binnen in zijn poëzie waar het zijn intertekstueel leven - in andere zin - begint. Dat voor vaak zeer belangrijk blijkende kleinigheden te hebben aangetoond, is mede de grote verdienste van Van Halsema's studies.

Op de vraag of de lezer al die kennis van intertekst en bronnen nodig heeft om bijvoorbeeld 'Cheops' te verstaan, geeft Van Halsema zelf antwoord in een opstel met de titel 'Echt nodig is het nu ook weer niet'. Die titel kan men diplomatiek noemen, maar zij is ook wat katholiek. Ik moet zeggen, na dit stuk van Van Halsema wel overtuigd te zijn van de noodzaak, maar niet van het nut van alle kennis. Ik denk dat men twee lezersgroepen moet onderscheiden: de wetenschappelijke en de gewone.

In elk geval: buiten alle weten om oefenen zeker 'Cheops' en 'Kinderpartij' een indringende dichterlijke werking uit, die veel te vermoeden, maar niet alles te verklaren geeft. De eigen werking van een gedicht, buiten alle intertekstuele, biografische of andere relaties om, kan moeilijk ontkend worden. En die eigen werking geldt ook interpretaties die zelfs in hun schitterendste vorm - en die vorm hebben Van Halsema's studies - door het gedicht opgenomen en onzichtbaar worden gemaakt. Tijdelijk.

Van Halsema's boek heeft als ondertitel 'Opstellen over werk en dichterschap van J.H. Leopold'. Er zijn dus duidelijk twee objechten van onderzoek. In het boek gaan de twee volgens mij samen. Misschien moet men zelfs zeggen, dat dichterschap en werk synoniemen zijn geworden. Nagenoeg alles wat over het werk wordt gezegd, gaat over het dichterschap en de aard daarvan. En daarmee over J.H. Leopold.

En dat brengt mij tot een laatste punt. Het was beter geweest als de opstellen naar de chronologie van het werk waren geordend. (Nu is de ordening naar de chronologie van de studies.) In die andere ordening zou in de beschrijving van werk en dus dichterschap veel van de 'geestesbiografie' van Leopold zichtbaar zijn geworden.

En dat is ook de biografie van de eenzaamste lezer die de Nederlandse letterkunde heeft gehad, de meest absolute dichter ook: de essentie van zijn leven was dichten (in de tweede betekenis vergeefs). Hij ontwikkelde, om de laatste woorden van Van Halsema's boek samen te vatten, zijn dichterschap en zijn gemis.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.