De enige hoop die het telefoonboek rest, is dat het misschien ooit weer hip wordt er een te hebben

Control-Alt-Delete

Bard van de Weijer bespreekt de logica en onlogica van technologica. Deze week: het telefoonboek.

Bard van de Weijer Foto Cigdem Yuksel

Op Facebook circuleert een post waarin wordt gevraagd of je het telefoonnummer uit je jeugd nog weet. Ik weet het nog: 2564. Vier cijfers. We woonden in een dorpje in Twente en als ik uit mijn slaapkamerraam keek zag ik koeien, die toen nog gewoon in de wei liepen.

Wanneer iemand mijn moeder om ons telefoonnummer vroeg, zei ze altijd 'vijf maal vijf, acht maal acht' en de kleine verwarring die dit veroorzaakte ('Zo'n lang nummer? O wacht!'), zorgde ervoor dat de meeste kennissen ons nummer meteen uit het hoofd wisten.

Voor de tijd van de mobiele telefoon leerde je de belangrijkste nummers uit je hoofd. Ik wist het van het ouderlijk huis, van opa's en oma's en dat van de conciërge van school, die ik in geval van nood met verdraaide stem belde om mezelf namens mijn vader ziek te melden. Nu ken ik geen enkel nummer, zelfs niet dat van mijn vriendin of kinderen. Ze staan tussen de zeshonderd andere contacten.

Vroeger stonden je contacten in het telefoonboek dat elk huishouden jaarlijks gratis toegestuurd kreeg. Hierin stonden alle nummers uit de omgeving. Meestal volstond dit en als je eens iemand wilde bellen die verder weg woonde en je had zijn nummer niet, dan belde je 008, waar een mevrouw (geen bot) het voor je opzocht.

Dit mochten we thuis niet bellen, want dat kostte extra. Als je een onbekend nummer wilde weten, fietste je maar naar het postkantoor waar ze alle telefoonboeken van het land hadden.

Het telefoonboek was vuistdik, hoewel het bestond uit knisperdunne blaadjes. Om belangrijke nummers snel te kunnen vinden, maakte je in die pagina's een ezelsoor, wat we nu een bookmark noemen, al is dat eigenlijk ook alweer een ouderwets woord. Het boek vormde ook het hoogtepunt van het tv-programma De Sterkste Man van Nederland, waarin Gerard du Prie hele rijen aan stukken scheurde.

Nu is het telefoonboek niet meer, las ik deze week op Teletekst (over oud gesproken). Ik vond het een wonder dat het überhaupt nog bestond. Nu kennelijk elke Nederlander een mobieltje en internet heeft, is het eindelijk overbodig. Alle telefoonnummers en adressen (die stonden er gewoon bij, privacy was destijds geen onderwerp; alleen de dorpszonderling had een geheim nummer) van Nederland passen op een usb-stickje van 5 gigabyte, wat alweer zo weinig is dat ze nauwelijks meer verkocht worden.

Hier valt natuurlijk niet tegenop te drukken. De enige hoop die het telefoonboek rest, is dat het misschien ooit weer hip wordt er een te hebben, net zoals met vinyl en oude tiffanylampjes. Ik ga toch maar eens kijken of ik er ergens nog een op de kop kan tikken.


Afscheid van een papieren instituut: De Telefoongids is overbodig geworden

In de jaren zeventig was het telefoonboek onmisbaar in elk huis. Mobiele telefonie en internet maakten de dikke pil overbodig. De Telefoongids en Gouden Gids worden niet meer gedrukt.

Amsterdam 1930: er is een auto te water geraakt; in de telefoongids wordt het nummer van de hulpdiensten opgezocht. Foto Stadsarchief Amsterdam
Meer over