De bloemlezer als lezer

HET ENIGE BEELD uit de sporttaal dat ik tegenkwam, was 'hordenloop'. Het staat in de slotalinea van een stuk over het gedicht Verbeelding van Carolus Tuinman (1659-1728)....

'Als poëzie kunst is, dan is het een optelsom van technische wegversperringen die de hordeloop van de kunstenaar zo adembenemend mogelijk moeten maken. Dat kan zo nu en dan dat verdoemde eindrijm er ook wel bij. Een gedicht is geen verveelding.'

De eerste zin laat zich op twee manieren lezen: vanuit de dichter en vanuit de lezer van diens poëzie. Ontelbare technische zaken, die samen vorm opleveren, laat de dichter zich in de weg zetten, maar wat leveren ze hem vaak niet aan vondsten op. Niet de slechtste regels (en vindingrijkste gedachten) zijn door de dwang van het rijm ontstaan. 'Hordenloop' is een mooi beeld, want voor de atleet staat er om de zoveel meter iets in de weg. Die ingebouwde barrières horen bij de sport zoals bij elk spel; ze zijn de uitdagende regels ervan. De combinatie van 'hordenloop' en 'adembenemend' is heel mooi, want de kunsttoer kost grote inspanning. Het mooie is dat de lezer die al die technische grepen ziet en de winst haast per regel kan uittellen, ademloos kan worden van het volgen, maar ook van bewondering. Het beroemde sonnet De Schaatser van Dèr Mouw laat dat samengaan van dichter en lezer en ook van die twee met de schaatser schitterend zien.

Gerrit Komrij - van hem is de geciteerde alinea - is zelf een virtuoos dichter en hij ontneemt zijn lezers ook nogal eens de adem. Als schrijver over poëzie is hij vaak op zijn best als hij de technische kunstgrepen van een gedicht demonstreert. Of over technische zaken in het algemeen schrijft. Hij doet dat op een een vrij luchtige toon, want hij weet zich bezig te houden met spel en spelregels. En die kent hij grondig uit de eigen praktijk als dichter. Het spel is natuurlijk tenslotte wel ernst. Misschien is dit een goed voorbeeld. Er is een sonnet van Revius dat Antichrist heet. Het begint met de regel: 'Wanneer de ruyge sneeu de Alpen niet sal decken', en er volgen nog twaalf met 'wanneer' beginnende regels waarin totale ontredderingen worden beschreven: een opeenstapeling van verschrikkelijke mogelijkheden of voorwaarden. De laatste regel luidt: 'So sal den Antichrist Gods kinders overwinnen'. Zijn stuk over dat gedicht begint Komrij zo:

''t Is een acrobatenkunstje, het spel dat in dit eenregelige sonnet wordt gespeeld, en 't kan zich ook al beroemen op een hele traditie. Dertien maal wordt een voorwaarde gesteld die onmogelijk kan worden ingelost en in de veertiende regel - een heuse chute - wordt het beeld geschetst van de toestand die zal zijn ingetreden of op het punt staat in te treden zodra aan alle voorwaarden wél is voldaan. Een ondenkbare, verschrikkelijke toestand dus.

Juist bij zo'n spel-inzet lijkt het kunstje zinvol. In een onwrikbare structuur giet zich een inhoud die alleen maar over ontwrichting handelt. De zaak zo streng mogelijk aanpakken als chaos het thema is - het heeft iets. Het verleent het gedicht spanning en verschaft het spel daarmee een artistiek alibi.'

Dat lijkt mij afdoende, hoewel het sonnet natuurlijk ook de paradox van de kunst laat zien, dat je chaos alleen in de strengste vorm kunt verbeelden, verveling alleeen in spanning, lelijkheid alleen in schoonheid, de werkelijkheid alleen in kunst. Wanneer Komrij verwijst naar de traditie, verwijst hij impliciet ook naar de retoriek. Vergis ik mij niet, dan beleeft hij aan de persoonlijke omgang door de dichter met de retoriek zijn grootste plezier. Dat maakt het hem ook mogelijk zo voortreffelijk over oudere poëzie te schrijven (en over veelvuldig optredende verschijnselen als herhaling bijvoorbeeld). De interpretatie overigens die Komrij aan Revius' gedicht tenslotte geeft - een even virtuoze als speelse gedachtengang van Revius, maar natuurlijk ook een hoogernstige komt te voorschijn - is ronduit schitterend. De vorm levert zijn inhoud uit, precies in elkaar passend.

0 ET ZIJN GROTE bloemlezing gaf Komrij 3000 en enige gedichten door, van de Middeleeuwen tot vandaag. Het is een niet gering aantal dat de moeite van de overlevering waard blijkt. De drie delen verschenen oorspronkelijk in omgekeerde chronologische volgorde: eerst de negentiende en twintigste eeuw, toen Renaissance en achttiende eeuw en tenslotte de Middeleeuwen. Bij de meeste lezers zullen ze zo in het geheugen zitten, al verschenen de drie delen later - met ruime uitbreiding van het derde deel - in één keer tegelijk. Maar bloemlezingen herlees je nooit in hun geheel, van leesboek worden ze naslagwerk. Wat zuiver chronologische lezing zou kunnen onthullen, wordt nu in een nieuw boek zichtbaar: Komrij leest de Nederlandse poëzie als een geheel, er is voor hem geen historische en moderne poëzie, er is alleen maar poëzie, Nederlandse. En hij weet zich even thuis in het verleden als in het heden. Dat nieuwe boek heet In Liefde Bloeyende, 'De Nederlandse poëzie van de twaalfde tot en met de twintigste eeuw in 100 en enige gedichten.' Het zijn er 101. De gedichten krijgen evenzovele commentaren, gemiddeld, met het gedicht mee, zo'n drieënhalve pagina. De bloemlezer als lezer. Het eerste gedicht is het snippertje 'hebban olla vogala nestas hagunnan hinase hic enda thu wat unbidan we nu', 'Zijn alle vogels aan hun nesten begonnen - behalve ik en jij - waar wachten we nu op?', het laatste is van de in 1966 geboren Menno Wigman, dat, voor een laatste gedicht, de mooie titel heeft Jeunesse dorée. En natuurlijk laat Komrij zich de kans aan het einde over verjonging te schrijven niet ontnemen: 'De poëzie begint altijd opnieuw. Een mens wordt ouder en krimpt. Een boom wordt ouder en sterft. De poëzie wordt ouder en begint van voren af aan.' (Het mooie is natuurlijk dat het eerste gedichtje zoveel traditie laat zien, dat het begin al een beetje oud is).

Tussen de honderd staan nogal wat gedichten die bijna iedereen alleen kent uit Komrijs bloemlezing, want hij heeft in de stofnesten van de geschiedenis vrij veel bijzonders gevonden. De dichters zijn, op dat enkele gedicht na, verder onbekend, voor de meesten van ons. Maar ook van dichters van wie iedereen wel de namen of enig werk kent, koos hij vaak vrij onbekende verzen. Er staan in In Liefde Bloeyende vrij veel gedichten waarover, voorzover ik het weet, nooit eerder door iemand al of niet enigszins uitvoerig is geschreven. En dat maakt het lezen van de stukken bijzonder aangenaam, want nieuw commentaar op commentaar is zelden, ach nooit leuk.

0 OMMENTAAR op commentaar, - waarschijnlijk zou Komrij het niet hebben gegeven. Want zijn methode van poëziebeschouwing is een heel andere dan de traditionele, die sterk analytisch van karakter en vaak niet gering van omvang is. Niet dat Komrij soms niet analyseert, maar hij doet dat eerder, wat paradoxaal gezegd, synthetisch: het gaat hem meer om de bewering dan om de verantwoording van alle stappen die hij voor die bewering heeft gezet. Hij schrijft zeer direct, vrij compact, zeer levendig en laat de benaderingswijze afhangen van het gedicht dat hij van commentaar voorziet.

Een prachtig voorbeeld van zijn synthetisch analyseren is het commentaar bij het sonnet Op het verongelukken van Doctor Roscius van Vondel, een der mooiste stukken uit het boek, overvol en verrassend. En in de behandeling van de zich op hoger niveau verzoenende tegenstellingen een mooie demonstratie van barok ook. En wat die levendigheid van beschrijving betreft, deze paar zinnen zijn al voldoende bewijs: 'De liefdeskus die de doodskus is, dat is het beeld dat Vondel hier schildert. Daarmee wordt het gedicht van Hollands ijstafereeltje getild naar een mythologisch niveau. De Hellespont, geschilderd door Avercamp.' De associatieve invallen van Komrij zijn nagenoeg altijd raak. Er schrijft hier niet een lezer alleen, maar ook een schrijver.

Er zijn nogal wat stukken waarin het gedicht meer aanleiding geeft tot een algemene beschouwing dan tot strikt commentaar. Op die manier komen nogal wat stijlverschijnselen aan de orde, thema's ook, met voorbeelden uit andere gedichten (Komrij moet heel wat poëzie in zijn hoofd hebben) en soms zijn die vergelijkingen verrassend. De ongewoonste is wel die tussen Geestigh Liedt van Bredero en In memoriam mijzelf van Slauerhoff, die naar Komrijs mening in veel opzichten elkaar echoën. Ik moet zeggen, dat het hier vrijwel de enige keer was dat ik tot een tegenanalyse werd uitgelokt, van het gedicht van Slauerhoff dan, dat Komrij, volgens mij, te metaforisch en te weinig letterlijk - en in die letterlijkheid en ontmetaforisering is hij vaak juist een meester - leest. Men kan het gedicht situeren tijdens de Russische veldtocht van Napoleon, de verslagene, de ik, is toch overwinnaar. En 'Parijs' is gewoon het Parijs dat hij heeft verlaten. Het is in elk geval een duidelijk 'slagveldgedicht'.

Waar de gekunsteldheid - de hogere dan - troef is, komt de speels interpreterende Komrij thuis. En het is soms verrassend welke kunstgrepen hij in ogenschijnlijk eenvoudige gedichten tot betekenis weet te brengen. Maar hij heeft ook gedichten gekozen waarover weinig te zeggen valt (wat aan de kwaliteit van de verzen niets hoeft af te doen). Dan wordt zijn commentaar soms een stukje persoonlijke geschiedenis, als bij Het schrijverke van Gezelle, waar het 'commentaar' een portret is van de declamerende scholier Gerrit Komrij. En gelukkig weet hij, bij een gedicht van Achterberg, ook de persoonlijke betekenis van dit gedicht voor hemzelf ter sprake te brengen, des te beter, omdat dat gedicht pas enkele jaren geleden die betekenis heeft gekregen. Het mooie van gedichten is ook, dat ze zich na jaren kunnen onthuullen.

0 ET IS OPVALLEND hoe vaak Komrij over 'de' poëzie en 'de' dichter schrijft. Hij moet alle gedichten als verbijzonderingen van poëzie in het algemeen zien; over alle eeuwen heen is er maar één poëzie, hoe verschillend de manieren van dichten ook kunnen zijn. Voor 'de' poëzie en natuurlijk ook voor een aantal gedichten uit dit boek is Komrij de propagandist, waarbij hij erin slaagt het lezen van gedichten, ook moeilijke gedichten, uit de isolatie te bevrijden. Poëzie lezen is gewoner dan men geacht wordt te denken. Hij heeft het nogal eens tegen de lagenlichters uit de literatuurwetenschap, tegen de literatuurhistorici en hun oordelen ook. Zeker de eersten moeten voor hem achter een ijzeren kamerscherm hun werk hebben gedaan.

Hij heeft alle recht om over 'de' poëzie te spreken; alle beschouwingen over oudere gedichten - en die zijn talrijk in het boek, want bijna alles in dit land is vroeg oud - laten zien hoe ze, over alle eeuwen heen als herkenbare poëzie - met herkenbare kunstgrepen en herkenbare inhouden - kunnen worden gelezen en dus jong zijn geleven. Zijn wijze van aanpak is ongewild of niet een afstraffing van al die didactische zielenherders die de oudere literatuur voor hun schapen te moeilijk vinden en voor die andere pastoraal bewogenen voor wie literatuuronderwijs de vrije arbeid is die wij vroeger, op zaterdag, op de kleuterschool konden verrichten: we mochten plakken en kleien wat we wilden. De beste leermeesters - ook altijd beoefenaren van de vrolijke wetenschap, want Komrijs boek is zeer plezierig, opgewekt en vaak geestig - zijn altijd buiten de school.

Juist de eenheid van alle gedichten in de poëzie maakt het Komrij mogelijk relaties tussen teksten uit verschillende tijden te leggen, vaak naar de vorm (heel veel mooie opmerkingen over 'lijstjes' - of opsommingspoëzie). Alle dichters zijn door alle tijden heen met hetzelfde bezig geweest: iets te maken in taal. En we zullen de poëzie allereerst als taalstuk moeten lezen, met plezier in de draden, krammen, hechtingen, kunstgreepjes die alles bijeen houden in een orde die het taalwerk de schijn van definitieve betekenis geeft. Dichten is afleren, lezen niet minder. Voor dat afleren is Komrij vaak de ideale leraar, die door anti-didactisch te willen zijn, een zeer goede didacticus is.

Men moet In Liefde Bloeyende (leve die grote makers die de rederijkers waren) ook lezen om de talrijke geslaagde wat algemene formuleringen. Deze bijvoorbeeld (uit het 'lijstjes-stuk'): 'Ook de opsomming van iets dat ontbreekt is een opsomming. De opsomming hóórt bij de poëzie, lijkt het wel. Ze duikt bij vernieuwers en natuurtalenten steeds weer spontaan op. De catalogus is geen intellectualistisch spel: hij bezit een huiveringwekkende kracht. De chaos wordt geordend en die opperste orde blijkt weer een chaos - encyclopedische nonsens.' Of dit, uit een stuk over een gedicht van Achterberg: 'Een goede magiër biedt zijn publiek niet alleen de suggestie van diepte, maar ook de suggestie van doorzichtigheid. Hij laat ons duidelijk zien dat hij aan het goochelen is - en dat het niet de ontraadseling maar het geheim zelf is waar hij schik in heeft. Hij doet zo helder mogelijk aan duistere kunst.'

Het is zeldzaam: plezier in literatuur over literatuur. Het valt in In Liefde Bloeyende te beleven. Komrij doet er geen moeite voor, maar hij spant zich wel in om ons en zichzelf te vermaken. Met spel. Ook.

Gerrit Komrij, In Liefde Bloeyende, De Nederlandse poëzie van de twaalfde tot en met de twintigste eeuw in 100 en enige gedichten, Bert Bakker, Amsterdam, prijs ¿ 45.-- (gebonden), ¿ 29.50 (paperback).

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden