lessen van 2020biodiversiteit

De afname van de biodiversiteit laat zich moeilijk meten

Hoewel alle onderzoeken een wereldwijde achteruitgang waarnemen, is de biodiversiteit lastig in exacte cijfers te vatten. Les 5 van ons jaaroverzicht met de wetenschappelijke lessen van 2020.

Beeld Getty - illustraties typex

Wie het nieuws een beetje volgt, kent de ontmoedigende krantenkoppen. ‘Sinds 1970 is de populatiegrootte van vissen, vogels, zoogdieren, amfibieën en reptielen wereldwijd met gemiddeld 68 procent afgenomen’, aldus het Wereld Natuur Fonds dit jaar.

‘Gezondheid natuur EU blijft achteruitgaan’, concludeerde het Europees milieuagentschap EEA. ‘Nederlandse natuur is er slecht aan toe’, aldus het WNF Nederland in weer een ander rapport. ‘Minstens 30 procent van de aarde moet de komende tien jaar worden beschermd om te voorkomen dat het massale uitsterven van planten- en diersoorten doorzet’, stelden de Verenigde Naties begin dit jaar.

Het zijn weinig vrolijk stemmende cijfers, die de ernst van de zaak – de deplorabele staat van de natuur in de wereld – onderstrepen. Maar hoe vat je biodiversiteit in cijfers? Bij de andere wereldwijde dreiging, klimaatverandering, vallen feiten in elk geval nog eenvoudig vast te stellen, door langdurig temperatuurwisselingen te meten. Voor het meten van biodiversiteit bestaat geen thermometer. Het is ondoenlijk alle dieren en planten over de gehele wereld te tellen. Olifanten op de Afrikaanse savannes zijn eenvoudig in kaart te brengen met vliegtuigjes, drones of andere camera’s, maar hoe meet je de stand van insecten, vlinders of vissen? En hoe vallen daar percentages aan te koppelen?

Dat valt nog niet mee. Cijfers suggereren exactheid, maar de werkelijkheid van biodiversiteit is complexer. Dat wil niet zeggen dat er geen wolken voor de zon zijn geschoven. De algehele trend van verreweg de meeste onderzoeken is die van wereldwijde achteruitgang. Maar per soort en per locatie zijn altijd verschillen. Sommige planten- of diersoorten vermeerderen of verplaatsen zich juist, andere raken in de verdrukking of sterven zelfs uit. Maar hoe en wat, dat laat zich lastig vatten in simpele percentages. Die zijn dan ook vaak voor discussie vatbaar.

Insecten

Een bekend voorbeeld is het vaak geciteerde Duitse onderzoek naar de insectenstand, uit 2017. In 63 Duitse natuurgebieden was de biomassa van vliegende insecten met 5,2 procent afgenomen. De laatste 26 jaar was de totale hoeveelheid zelfs met 75 procent afgenomen. Het nieuws sloeg in als een bom, waarvan de klap nog altijd nadreunt. Niets duidt erop dat het goed gaat met insecten en dat is te verklaren uit onder meer het toegenomen gebruik van pesticiden in de landbouw, klimaatverandering, verstedelijking en ‘lichtvervuiling’. De vraag is alleen of de achteruitgang werkelijk zo dramatisch en eenduidig is als uit het onderzoek naar voren kwam.

Dit jaar kwam onder anderen de Nederlandse ecoloog Roel van Klink, verbonden aan de universiteit van Leipzig, tot andere conclusies. Hij en zijn team van internationale onderzoekers vergeleken honderden onderzoeken uit de hele wereld en publiceerden daarover in tijdschrift Science. Het beeld: er zijn grote lokale verschillen, niet alle insectensoorten doen het slecht. Met zoetwaterinsecten gaat het juist goed: die nemen in aantal toe met ongeveer 1 procent per jaar. De achteruitgang speelt zich vooral af in Noord-Amerika en Europa, daar staat tegenover dat zich in Afrika van tijd tot tijd juist explosies voordoen in de sprinkhanenstand, met alle problemen van dien, maar dat is een ander verhaal. Wereldwijd zou de afname volgens Van Klink c.s. gemiddeld ‘slechts’ 0,9 procent per jaar zijn. Nog altijd achteruitgang, en daarmee een bedreiging voor de mens (insecten bevruchten immers onze gewassen en zijn voedsel voor veel andere dieren), maar minder dan de grote krantenkoppen meldden in 2017.

Een van de graadmeters in de data van het bekende Duitse onderzoek was de hoeveelheid insecten die van de voorruiten van auto’s werd gehaald. Vakantiegangers kunnen zelf constateren dat op de route naar Zuid-Europa aanzienlijk minder vliegjes en andere insecten op de voorruit blijven plakken dan pakweg twintig, dertig jaar geleden. Maar wat betekent dat, en zegt dat iets over de stand wereldwijd? Misschien wel gewoon dat het ontwerp van een Volkswagen Kever uit 1975 een stuk minder aerodynamisch was dan die van pakweg een Tesla, waardoor vliegjes, vlinders en andere beestjes als het ware over de auto heen worden gezogen in plaats van erop te pletter te vliegen.

Minder drastisch

Het illustreert hoe moeilijk biodiversiteit te meten valt, ook al omdat niet overal dezelfde methoden gehanteerd worden. En, in de zijlijn, dat dramatische cijfers zoals van het Duitse onderzoek sneller en prominenter de media halen dan de nuance en gelaagdheid van bijvoorbeeld Van Klinks onderzoek (dat ook deze krant niet haalde).

Kritiek op al te besliste cijfers klinkt soms ook uit wetenschappelijke hoek. Enkele weken geleden nog betoogde een team van biologen onder leiding van de Canadese McGill University in het gezaghebbende wetenschappelijk tijdschrift Nature dat de afnamen in biodiversiteit veel minder drastisch zijn dan algemeen wordt aangenomen. 

De onderzoekers keken alleen naar gegevens van zo’n 14 duizend populaties van gewervelde dieren, van vogels en vissen tot antilopen. Die data zijn afkomstig uit de Living Planet Index, een internationaal gehanteerde indicator van de biodiversiteit, sinds 1997 bijgehouden in opdracht van het Wereld Natuur Fonds.

De vierjaarlijkse Living Planet Reports (afgewisseld door landelijke versies) die het Wereld Natuur Fonds op basis van de LPI uitbrengt, constateerden vier jaar geleden onder meer dat populaties van vissen, vogels, zoogdieren, amfibieën en reptielen sinds de jaren zeventig wereldwijd gemiddeld met zo’n 50 procent zijn afgenomen (in de laatste versie, van dit jaar, bedroeg dat percentage 68 procent, maar die versie hebben de Canadese onderzoekers buiten beschouwing gelaten). Een vertekening van de werkelijkheid, vinden de Canadese biologen in Nature. De drastische afname wordt in de statistieken veroorzaakt door enkele extreem dalende soorten, volgens de onderzoekers. ‘Wanneer je die uitzonderingen buiten beschouwing laat, ontstaat een heel ander en veel hoopvoller beeld van de mondiale biodiversiteit’, schrijven ze.

Afwijkende gemiddelden

Wel erkennen de onderzoekers dat ongeveer 1 procent van de onderzochte diersoorten kampt met wijdverbreide en systematische achteruitgang. Het gaat dan om reptielen in tropische gebieden in Noord-, Midden- en Zuid-Amerika en om vogelsoorten in de zogeheten Indo-Pacific-regio rondom Indonesië.

Alles draait om de gebruikte methode. De onderzoekers betogen dat gemiddelden snel en fors kunnen afwijken van de werkelijkheid: wanneer in een ecosysteem één soort met 99 procent afneemt en 9 soorten met 1 procent toenemen, dan nog zal de conclusie zijn dat de gemiddelde afname per soort 9 procent is, hoewel het met de meeste soorten goed gaat, aldus de onderzoekers. ‘Het beeld van een wereldwijde ‘biodiversiteitswoestijn’ wordt niet ondersteund door bewijs’, zegt hoofdonderzoeker Brian Leung van de McGill University in een toelichting.

Het klinkt als een onthulling, maar het Wereld Natuur Fonds doet zelf bepaald niet geheimzinnig over de onzekerheden in de data van de Living Planet Index. Bij het laatste rapport, van dit jaar, legt het WNF uitgebreid verantwoording af over de meetmethoden en de interpretatie van de gegevens. 

De genoemde afnamen zijn altijd gemiddelden van gemeten trends, benadrukt het WNF. Ze zeggen niets over één soort, noch over een locatie. Hoewel de krantenkoppen soms anders doen vermoeden, betekenen de cijfers niet dat wereldwijd ‘de biodiversiteit’ met hetzelfde percentage is afgenomen. Iets meer dan de helft van de reptielen-, vogel- en zoogdiersoorten zijn stabiel of stijgend. Daar staat tegenover dat de gemiddelde trend voor meer dan 50 procent van de soorten vissen en amfibieën over de hele wereld een afname vertoont.

Andere methoden

Overigens ontleenden de Canadese onderzoekers hun data aan het Living Planet Report van 2012 en niet uit het laatst verschenen rapport, dat loopt tot 2016. Het eerste berekent zo’n 14 duizend soorten, het latere rapport 21 duizend.

Ook erkent het WNF dat er andere methoden bestaan om de biodiversiteit in de wereld te meten, en dat sommige daarvan een geringere afname laten zien dan de LPI. De zogeheten Biodiversity Intactness Index (BII) is er een van. Het verschil tussen die twee indexen verklaart het WNF onder meer uit het feit dat de BII zo’n 47 duizend soorten telt, terwijl de LPI nu rond de 20 duizend soorten bijhoudt en dan alleen van gewervelde dieren. Volgens het WNF kunnen de statistische methoden, aannamen en extrapolaties bij de BII leiden tot onderschatting van de achteruitgang in biodiversiteit.

Een voordeel van al die onderzoeken: biodiversiteit staat ‘op de kaart’, zoals dat heet. Dat leidt tot bewustwording en daarmee wellicht tot de aanpak van problemen, die er wel degelijk zijn. Ter illustratie: in het digitale archief dat deze krant gebruikt (en waarin twintig krantentitels verzameld zijn), kwam de term ‘biodiversiteit’ in 1990 welgeteld tweemaal voor (beide keren in NRC Handelsblad), dit jaar staat de teller rond de vierduizend maal. Het uitsterven is duidelijk opgeleefd in de kolommen.

Wat hebben we geleerd in 2020?

Van spectaculaire ontdekkingen in ons zonnestelsel tot een levensreddend vaccin voor baby’s: dit zijn de 17 belangrijkste wetenschappelijke lessen van 2020, verzameld door onze wetenschapsredactie. 

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden