Analyse

Dat leerstijlen kinderen helpen in het onderwijs, is volgens experts een ‘onuitroeibare’ mythe

De een leert beter via beelden, de ander door te doen. Zo hebben alle leerlingen hun leerstijl en door daar rekening mee te houden presteren zij beter, denken velen in het onderwijs. Alleen: dat idee is een hardnekkige mythe volgens experts.

null Beeld Astrid Anna van Rooij
Beeld Astrid Anna van Rooij

Stel, twee scholieren hebben moeite met biologie en willen extra oefenen. De leraar weet dat het verschillende types zijn: scholier A is een aanpakker die niet graag stilzit en informatie snel visualiseert, scholier B denkt theoretischer en houdt van lezen. Hij laat scholier A daarom een filmpje zien over een experiment om thuis te proberen en geeft scholier B extra geschreven uitleg. Want als de instructie op hun persoonlijke leerstijl aansluit, zo verwacht hij, begrijpen en onthouden ze de stof beter. Dat is in een notendop de leerstijltheorie.

Wetenschappers hebben er een andere naam voor: de leerstijlmythe. Er is namelijk geen enkel bewijs voor de theorie, die volgens critici zelfs averechts kan werken. Toch gelooft zo’n 90 procent van de leraren in basis- en middelbaar onderwijs erin, concludeerden onderzoekers van de universiteit van Swansea in Wales in een recente analyse van 37 internationale studies. En daar bleek ondanks kritiek uit de wetenschap de afgelopen tien jaar bijna niets in veranderd.

Ook in Nederland is het de populairste onderwijsmythe, blijkt uit studies van de Vrije Universiteit Amsterdam. Van 105 ondervraagde leraren op basis- en middelbare scholen dacht 95 procent dat de stelling ‘kinderen zouden hogere cijfers halen als ze les krijgen volgens hun leerstijl’ klopte. In een vervolgstudie onder zo’n 500 mbo-medewerkers geloofde 77 procent erin: ongeveer tweederde van de beleidsmedewerkers, 80 procent van de docenten en bijna alle begeleiders. Het helpt vast niet dat talloze bijlesinstituten, trainers en coaches – voor kinderen én volwassenen – hun cliënten gretig leerstijltestjes onder de neus duwen.

‘Onuitroeibaar’, noemt ook Paul Kirschner de leerstijlmythe. De emeritus hoogleraar onderwijspsychologie, verbonden aan de Open Universiteit, staat al jarenlang op de spreekwoordelijke barricades om de mythe uit de onderwijspraktijk te verbannen. Maar bij elke lezing opnieuw ziet hij een aanzienlijk deel van het publiek de hand opsteken als hij vraagt wie denkt dat het zinnig is om lesstof aan de leerstijlen van leerlingen aan te passen. Terwijl er volgens hem geen twijfel over bestaat dat dat onzin is. ‘Ik zeg altijd: leerstijlen bestáán niet. Mensen hebben geen leerstijl, ze hebben een voorkeursaanpak. En wat we het liefst doen, is niet altijd het beste voor ons. Veel mensen verkiezen taart boven wortels, maar geen enkele diëtist zal dat aanraden.’

Doeners en dromers

De zaadjes voor de leerstijlmythe zijn in de jaren zeventig en tachtig geplant. Psychologen observeerden verschillen in hoe mensen leren en maakten mooie theoretische modellen over hun bevindingen. Zo introduceerde de Amerikaanse psycholoog David Kolb in 1983 een nog altijd populair model dat uitgaat van vier groepen: doeners, dromers, denkers en beslissers. Kort door de bocht komt het erop neer dat de doener graag zelf experimenteert, de dromer meer observeert vanaf de zijlijn, de denker theoretisch is ingesteld en de beslisser theorieën graag in de praktijk uitprobeert.

Terwijl wetenschappers onderling over dat soort modellen discussieerden en er experimenten mee startten, zoals dat gaat met wetenschappelijke ideeën, gingen enthousiastelingen er alvast mee aan de haal. En niet altijd zoals de bedenker het bedoeld had. Zo vergeten mensen nogal eens een belangrijk onderdeel van Kolbs theorie, volgens Kirschner: ‘Hij zag die vier groepen als fasen in een leercyclus. Door zijn test start je in de groep waar je de meeste affiniteit mee hebt, maar de bedoeling is dat je ze alle vier doorloopt.’ Je startfase bepaal je door een test met stellingen als ‘ik gebruik een stap-voor-stap aanpak in het oplossen van problemen’ of ‘in discussies kom ik graag snel ter zake’. Tegenwoordig is bij zo’n test de conclusie al snel: die doener of denker, dat bén jij en zo moet je instructies krijgen.

Er is een wildgroei ontstaan aan vragenlijsten en leerhokjes waarin je kunt belanden. Naast Kolb kom je het ‘VARK-model’ vaak tegen, dat mensen indeelt in voorkeur voor kijken, luisteren, lezen of bewegen/voelen (Visual, Auditory, Reading, Kinaesthetic). Maar je kunt ook een abstract of concreet denker zijn, een introvert of extrovert student of iemand die liefst alle informatie over een onderwerp ineens krijgt of in stapjes. Als je dat eenmaal van jezelf of een leerling weet, weet je volgens de leerstijltheorie ook welke manier van studeren het meest effectief is. Al mag je zelf uitvogelen wat hét lesmateriaal is voor een introverte, beelddenkende, stapsgewijs en abstract lerende dromer.

In de wetenschap kwam er intussen steeds meer kritiek, omdat studies geen overtuigend bewijs leverden dat die mooie theoretische modellen in de praktijk werken. Ja, zowel kinderen als volwassen studenten noemen duidelijke voorkeuren als je hun ernaar vraagt, concludeerden onderzoekers van onder andere de Universiteit van Californië in 2009 na analyse van vele leerstijlstudies. Maar als je hen in groepen indeelt, waarbij een deel lesstof krijgt aangeboden in hun voorkeursstijl en een ander deel juist niet, zie je in een eindtest geen verschil.

null Beeld Astrid Anna van Rooij
Beeld Astrid Anna van Rooij

Archiefkast

Zonde van de tijd en moeite dus, focussen op persoonlijke leerstijlen. Maar is het schadelijk? Er is weinig bekend over hoeveel docenten het in praktijk brengen, en op welke manier, stelden de Britse onderzoekers die recentelijk 37 studies onder de loep namen. Laat staan over welk effect dat heeft op leerlingen. Critici denken wel degelijk dat geloof in de leerstijlmythe de houding van leraren en ouders ten opzichte van kinderen kan beïnvloeden.

Een belangrijk kritiekpunt is dat je kinderen te rigoureus in hokjes zet door hun een leerstijl toe te bedelen, bijna alsof het een karaktereigenschap is. Het gevaar daarvan is dat het vervolgens als een molensteen om de nek van een kind komt te hangen, zegt emeritus hoogleraar neuropsychologie Jelle Jolles (Vrije Universiteit), die verantwoordelijk was voor de studies naar onderwijsmythen onder Nederlandse leraren. ‘Van een 7-jarige die veel met lego speelt en graag dingen bouwt wordt bijvoorbeeld al snel gezegd: die heeft een ruimtelijke leerstijl. Je deelt een kind dan in op basis van één vaardigheid die hij toevallig op dat moment heeft.’ En bewust of onbewust krijgt zo’n kind dan misschien extra vaak instructies en oefeningen die daarbij aansluiten.

Dat druist in tegen wat we weten over hersenen en leren, volgens Jolles, namelijk dat de hersenen flexibel zijn en je kinderen heel breed moet laten leren. Tastzin, verbale vaardigheden, ruimtelijk inzicht, empathie: in potentie weten de hersenen overal wel raad mee. ‘Door kennis en ervaringen rijpen de verbindingsbanen tussen hersenstructuren, als een wegennet dat zich ontwikkelt van simpele lokale weggetjes tot zesbaanssnelwegen. Daarbij blijft het brein openstaan voor nieuwe informatie.’ Zie het als een archiefkast, zegt Jolles, waarvan de planken zich vullen door wat kinderen meemaken op school én daarbuiten, via bijvoorbeeld vriendjes of hobby’s. Als de helft van de kast leeg blijft, is dat toch zonde. Een docent moet zich dus niet blindstaren op een leerstijl, maar voorkomen dat een kind daarin vast komt te zitten. ‘Laat zien dat er meer wegen naar Rome leiden. Juist als je iets eens op een andere manier doet, kun je iets nieuws leren.’

Ook Kirschner denkt dat het kinderen onrecht doet om hen op hun voorkeurswenken te bedienen. Prima als de docent varieert in hoe hij of zij lesstof aanbiedt, maar laat het afhangen van het onderwerp – niet van de leerling. ‘Gaat het over de citroenzuurcyclus in de biologie, dan is een afbeelding met alle stappen logischer dan een omschrijving van anderhalve pagina. En bij poëzie kan luisteren heel nuttig zijn, dan hoor je de cadans erbij.’

Intuïtief

Waarom blijft de leerstijlmythe ondanks alle kritiek toch rondzoemen? Waarschijnlijk spreekt het ons intuïtief aan, omdat het herkenbaar is. Iedereen kan wel een anekdote uit de mouw schudden over een analytisch kind of over die ene keer dat je iets niet begreep totdat je er een plaatje bij zag. Een anekdote is geen bewijs, maar vertel dat maar aan ons onderbuikgevoel. Kirschner: ‘Dit is de moeilijkste onderwijsmythe om weg te nemen als iemand er eenmaal in gelooft. Als mensen denken dat multitasken mogelijk is, nog zo’n mythe, kun je met een simpel experimentje direct laten zien dat ze het niet kunnen. Met leerstijlen gaat dat niet.’

Daarnaast denkt Kirschner dat ouders en kinderen het soms als een uitweg gebruiken. ‘Als een kind ergens moeite mee heeft, kun je zeggen dat het eraan ligt dat de methode van de docent niet bij de leerstijl aansluit.’

Wat ook niet meehelpt, is dat nieuwe wetenschappelijke inzichten vaak maar langzaam en mondjesmaat doorsijpelen naar de onderwijspraktijk. Dat ligt zeker niet aan een gebrek aan interesse, merkt Jolles. ‘Maar we zagen in onze studies dat degenen die geïnteresseerd zijn in hersenonderzoek óók degenen zijn die het sterkst geloven in onderwijsmythes.’ Wat Jolles betreft moeten onderzoekers de dialoog met mensen in het onderwijs nog meer aangaan. Want nu komen docenten met honger naar nieuwe kennis online al snel bij ideeën over leerstijlen uit. Als ze mazzel hebben staat er nog net een zinnetje dat er geen wetenschappelijk bewijs is, gevolgd door een link naar een test.

Geen dominante hersenhelft

Nog zo’n fabeltje dat overal opduikt, ook in studies naar onderwijsmythes: bij creatieve mensen is de rechterhersenhelft dominant, bij analytische mensen de linkerhersenhelft. In een studie van de Vrije Universiteit Amsterdam onder mbo-medewerkers geloofde zo’n 60 procent dit. Maar zo simpel steekt ons brein niet in elkaar, beide hersenhelften werken heel intensief samen bij alles wat we doen. De mythe is een vermenging van achterhaalde ideeën, valt te lezen in het boek Kijken in het brein (2015). In de 19de eeuw ontdekten wetenschappers dat de linkerhersenhelft belangrijk is voor taal, waarna ze dit tot dominante hersenhelft bestempelden. Later bleek dat er niet één dominante helft is, de linkerkant heeft de rechterkant hard nodig om woorden te lezen, begrijpen én uit te spreken. Toch zaaiden Australische wetenschappers in 1981 nog wat extra verwarring door in een zwaar bekritiseerd artikel te spreken over een ‘holistische’ (later verbasterd tot creatieve) en ‘analytische’ hersenhelft. Dat klopte dus ook niet, maar werd rap gecombineerd met het fabeltje van de dominante hersenhelft.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden