Dankzij deze man werd Nederland een wereldmacht in uraniumverrijking

Hoe kon het nietige Nederland een wereldmacht worden in het verrijken van uranium? Door één man: fysicus Jaap Kistemaker.

Jaap Kistemaker in zijn werkkamer in Amsterdam, circa 1963. Beeld ET-NL

Wetenschapshistoricus Abel Streefland weet nog dat hij het voor het eerst in zijn handen had: het rode boekje van Jaap Kistemaker. Het was in de oude archieven van het Amolf, het natuurkunde-instituut in de Watergraafsmeerpolder te Amsterdam.

Boekje is een groot woord. Een cahier was het, van welgeteld 85 getypte pagina's dat begint met de bevrijding in 1945. 'In een arm en verwoest land', luidt de eerste zin. In 1991 had de intussen gepensioneerde Kistemaker zijn herinneringen opgeschreven aan de aanloop naar Urenco, de uraniumverrijkingsfabriek in Almelo. Aan de hand van zijn oude aantekeningen, herinneringen, gesprekken met oude maten en bewaarde agenda's.

Herinneringen aan de eerste experimenten met het magnetisch scheiden van splijtbaar en niet-splijtbaar uranium in de leegstaande hallen van het Gemeentelijk Elektriciteitsbedrijf GEB. Hoe Kistemaker het idee van extreem snelle centrifuges naar Amsterdam haalde, in weerwil van toenemende nucleaire geheimhouding. Hoe uiteindelijk bureaucratie de eigengereide fysicus te veel werd. En hoe politiek gedoe het er niet beter op maakte.

Het boekje, zegt Streefland, werd een bron van frustratie voor Kistemaker, toen hem verboden werd het openbaar te maken. Atoombomkennis mocht in de Koude Oorlog niet verspreid worden. 'Zelfs nu is publiceren nog ongewenst', weet Streefland, die later deze maand promoveert op de voorgeschiedenis van Urenco en de rol van Jaap Kistemaker daarin. Het rode boekje, zegt hij, is overigens meer een ego-document dan een betrouwbare bron.

Gefascineerd door de nachthemel

Jacob 'Jaap' Kistemaker werd in 1917 geboren als boerenzoon in Kolhorn, een dorp in Noord-Holland. Hij ging, gefascineerd door de donkere nachthemel, in Leiden sterrenkunde studeren, stapte over naar natuurkunde, kreeg werk op het befaamde Kamerlingh Onnes Laboratorium, dat in de oorlog doorwerkte hoewel de universiteit zelf gesloten was. Op aanbeveling van hoogleraar Warner de Haas werkt Kistemaker korte tijd bij Cellastic, een schimmig bureau in het bezette Parijs, dat nadien een Duitse instelling voor industriële spionage blijkt.

Lang na de oorlog krijgt Kistemaker - dan de drijvende kracht achter een voorgenomen Nederlands-Duitse samenwerking rond uraniumverrijking - met die uitstap nog vreselijk last als de communistische krant De Waarheid suggereert dat 'atoombombouwer Kistemaker' een collaborateur is geweest. Studenten kalken leuzen op schuttingen rond Kistemakers nieuwe lab in de Watergraafsmeer in Amsterdam. Pas later blijkt dat hij na de oorlog na een fikse berisping is gezuiverd. Bovendien heeft Cellastic zich nooit met uranium of kernbommen beziggehouden.

Tekst gaat verder na de foto.

De eerste experimenten met ultracentrifuge op het Werkspoorterrein in Amsterdam, circa 1957. Beeld ET-NL
De magnetische isotopenscheider in bedrijf bij Amolf, Amsterdam, circa 1953. Beeld Amolf

De ophef is paradoxaal genoeg een van de redenen dat tien jaar later Urenco toch van de grond komt, concludeert Streefland in zijn proefschrift. De politieke gevoeligheid van de uraniumscheiding (in Almelo alleen voor gebruik in kerncentrales) maakt dat alles rond de technologie achter slot en grendel gaat. Dat geldt tot de dag van vandaag.

De Nederlandse expertise in uraniumverrijking begint eigenlijk al voor de oorlog, als de Nederlandse regering in 1938 (kernsplijting is net in Berlijn ontdekt) tweehonderd vaatjes Belgisch uraniumerts koopt. Gedurende de oorlog worden die verstopt gehouden, waarna fysici als Kistemaker er na de oorlog een vliegende start mee kunnen maken - anders dan in andere landen buiten de VS. Na de atoombommen op Japan is immers duidelijk: het atoomtijdperk is aangebroken.

De Amerikanen hebben het voortouw, maar daar laten fysici als Kistemaker zich weinig aan gelegen liggen. Hij verdiept zich in atomaire scheidingsmethoden en begint aan experimenten met reusachtige elektromagneten, waarin verdampt uranium wordt afgebogen, de lichte uranium-235 atomen net wat sterker dan de veel gewonere maar onsplijtbare uranium-238 atomen. De elektromagnetische massascheiding levert na veel geprobeer milligrammen verrijkt materiaal op, dat van heinde en verre beroemd bezoek trekt, van Niels Bohr tot Irène Curie (de dochter van).

Verrijken

Natuurlijk uranium bevat maar een kleine fractie uraniumatomen die te splijten zijn. Voor toepassing in een kerncentrale is rond de 8 procent uranium-235 afdoende; voor een kernwapen is zuiverder uranium nodig. Chemisch zijn uraniumisotopen identiek, ze zijn alleen via hun minieme massaverschil te scheiden. In een ultrasnelle centrifuge worden zware atomen naar de buitenwand gedrukt, de lichte blijven centraal.

Beeld Amolf

Ultracentrifuge

De monsters gezuiverd uranium boden collega-onderzoekers de kans de eigenschappen van splijtbaar uranium beter te doorgronden. Maar begin jaren vijftig wordt ook duidelijk dat de technieken op industriële schaal kansloos zijn. Dan komt de veelreizer Kistemaker een andere methode op het spoor: ultracentrifuge, in het naoorlogse pikant genoeg een Duitse vinding. In een oude schuilkelder op het Werkspoorterrein in Amsterdam-Oost worden de eerste proeven gedaan, achter een wal van zandzakken voor het geval de razendsnel draaiende cilinders uit elkaar zouden spatten. Later blijkt dat bij proeven op het reactorcentrum aan de Wenckebachstraat geen overbodigheid als er tientallen proefcentrifuges ontploffen.

Uiterste doelgerichtheid, meer industrieel dan wetenschappelijk, maakt dat Jaap Kistemaker de techniek uiteindelijk toch aan de praat krijgt. Zonder de verbeten, eigengereide en soms onstuurbare Kistemaker, wars van bureaucratie, zouden er geen ultracentrifuges zijn, oordeelt Streefland.

Tekst gaat verder onder de foto.

Voorbereiding van een experiment met magnetische uraniumscheiding, 1951. Beeld Amolf

Pas als de Amerikanen in de Koude Oorlog begin jaren zestig zware druk uitoefenen om alle verrijkingstechnologie geheim te verklaren, raakt onderzoeker Kistemaker toch in de marge. Nederland besluit de techniek onder te brengen in een bedrijf met hoge hekken en gescreende werknemers. Hij laat de research aan Urenco, al blijft hij Almelo wel adviseren. Het lab voor massascheiding in Amsterdam (eerst in een gesloten centrale in Amsterdam-Oost, later in de Watergraafsmeer) wordt omgedoopt tot lab voor fundamenteel atoom- en molecuulonderzoek, onder Kistemakers leiding. In 1983 gaat hij met pensioen.

Jaap Kistemaker overleed, 93 jaar oud, op 3 mei 2010. Vrijwel tot zijn dood heeft hij nog wekelijks in zijn typische witte labjas achter zijn bureau op het Amolf-instituut gezeten.

Jaap Kistemaker en de uraniumverrijking in Nederland 1945-1962 van Abel Streefland verschijnt op 20 september bij Prometheus.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden