Dadaïstisch publiek in Amsterdam

De schrijfster Willy Corsari, wier leven meer dan een eeuw overspande (zij leefde van 1897 tot 1998), krijgt een half jaar voor haar dood bezoek van twee Parool-journalisten, Paul Arnoldussen en Hans Renders....

Het gesprek eindigt als Godfried Bomans ter sprake komt. 'Ja, die heb ik goed gekend', zegt de 100-jarige Willy Corsari. De journalisten: 'Die was een beetje verliefd op u.' 'Die was heel erg verliefd op mij.' 'En u op hem?' 'Nou, ik mocht hem erg graag.' 'Maar u was niet verliefd?' 'Ik heb toen hij dood was al zijn brieven verbrand.' 'Waarom?' 'Omdat ik niet wil dat dingen die iemand mij in vertrouwen schrijft, in handen vallen van anderen. Ook niet over twintig jaar. Dat vind ik nergens voor nodig. Ik hou niet van dat gedoe. Zullen we ermee ophouden? Ik heb er nu wel genoeg van.'

Het is een van de aardige fragmenten in de door Arnoldussen en Renders samengestelde bundel Jong in de jaren dertig (de Prom; ¿ 24,95). In de bundel brengen zij interviews samen die zij maakten met ooggetuigen van dat decennium. 'We waren niet op zoek naar belevenissen uit de kindertijd, maar zochten mensen die in die jaren al actief waren en bovendien een zekere maatschappelijke belangstelling hadden', zo verklaren zij hun selectie. Aan het woord komen onder anderen de journalist Max Nord, uitgever Reinold Kuipers, de kunstenares Gisèle Waterschoot van der Gracht (echtgenote van de Amsterdamse burgemeester d'Ailly), de criticus en schrijver Rob Nieuwenhuys, de dadaïstische kunstenaar Michel Seuphor en de essayist Siegfried E. van Praag.

Mooi is het gesprek met de schrijver Jan de Hartog, op het moment van het interview 85 jaar. In 1920, herinnert De Hartog zich, ging hij met twee nichten naar Artis in Amsterdam om een lezing van de dadaïst Kurt Schwitters bij te wonen. Schwitters bleek 'een magere vergeestelijkte dromer in een soort priestergewaad'. 'Hij begon zijn lezing met 'Twiet twiet twiet. Lorre lorre lorre. Poeie poe poeie.' Het publiek was aanvankelijk verbijsterd, maar een bezoeker riep luid 'Kukeleku', en al snel begon iedereen te kakelen, te koeren en te fluiten. Een dik mannetje hupte gehurkt het gangpad op en neer, klapwiekend met de ellebogen, roepend 'Ka! Ka!' Het was zo aanstekelijk dat ik mij op een gegeven moment losrukte uit de greep van mijn nichten, op de zitting van m'n klapstoel sprong en gilde met de ongebroken stem van de onschuld: 'Drolletje. Poep, poeperdepoep! Poepdrol!' '

Later zou Kurt Schwitters verklaren dat alléén in Amsterdam het dadaïsme onmiddellijk door zijn gehoor was begrepen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden