Analyse Bestaat er zoiets als 'ras'?

Daar is het woord opeens weer: is ‘ras’ eigenlijk wel te bepalen?

Een afbeelding uit een boek uit 1857, waarin mensen werden gerangschikt op basis van de vorm van hun schedels, en de vormen van de schedels van de dieren waarmee ze overeen zouden komen. Beeld U.S. National Library of Medicine

Minister Grapperhaus van Justitie wil ‘ras’ laten meewegen bij de beoordeling of iemand al dan niet een wapenvergunning kan krijgen. Maar valt ‘ras’ wel te meten?

Het antwoord is, eenvoudig: nee. Hoewel het woord ‘ras’ doet vermoeden dat er zoiets bestaat als een objectief biologisch onderscheid tussen verschillende groepen mensen, is zo’n onderscheid in praktijk niet te maken. Dat zou de registratie die Grapperhaus voorstelt, problematisch maken: wat vullen we in achter het vakje 'ras'?

Zeker: een geboren Afrikaan ziet er anders uit dan een geboren Europeaan, is bevattelijk voor iets andere ziektes en heeft ook een subtiel anders genetisch herkomstprofiel. Maar tussen die uitersten zitten zoveel grensgevallen dat de ‘rassen’ in elkaar overvloeien, op een ‘continue, overlappende manier’, zoals een veel aangehaald wetenschappelijk overzichtsartikel in Nature Genetics het verwoordt. Dat maakt het onmogelijk om op een objectieve manier een onderscheid te maken tussen, zeg, ‘Afrikaans’ en ‘Europees’.

Die overlap heeft te maken met de prehistorische geschiedenis van de mens. Al zo’n honderdduizend jaar golft de mens in groepen over de wereld, en hoewel dat op de kaartjes vaak wordt weergegeven met pijlen van ‘migraties’, is er in werkelijkheid altijd beweging over en weer. Zo bevat het ‘Afrikaanse dna’ ook Europees erfelijk materiaal, en is de typische ‘Europeaan’ in genetisch opzicht een mix van Afrikanen, vroege boeren uit het Midden-Oosten en steppenvolkeren uit Rusland, verrijkt met een snufje dna van de Neanderthalers.

‘Oerstammen’

Ook de indeling in ‘oerstammen’ zoals Germanen, Kelten of Basken doorstaan de dna-tests niet. Neem het ‘Arische ras’, de Germanen. ‘Ook de stam van Arminius was al een samenraapsel’, noteerde wetenschapsblad Science onlangs in een bespreking van het genetische bewijs. ‘Samengesteld uit opeenvolgende reeksen migraties naar het hart van Europa, en daarna herhaaldelijk omgeroerd.’

Wat van het begrip ‘ras’ overblijft is een intuïtieve natte-vingerindeling, naar uiterlijkheden zoals huidskleur en land van (veronderstelde) herkomst. Maar zelfs die verdampt als je er de vinger op probeert te leggen. Zo is een ‘zwarte’ in Zuid-Afrika iets heel anders dan in VS, waar ook zeer licht getinte Afro-Amerikanen als zwart gelden. Hoe diffuus het onderscheid is, bleek toen sociologen 25 jaar bevolkingsgegevens doornamen van 13 duizend Amerikaanse burgers. Ongelooflijk genoeg veranderden honderden van hen in die tijd van ras: zwarten die hogerop kwamen gingen zichzelf ‘wit’ noemen, en blanken die armer werden identificeerden zichzelf als ‘zwart’.

Ook huidskleur is een belabberde graadmeter

Intussen blijkt zelfs huidskleur biologisch gezien een belabberde graadmeter. Huidskleur wordt gereguleerd door tientallen genen, die op verschillende momenten in de menselijke geschiedenis ‘aan’ en ook weer ‘uit’ zijn gegaan. Een wonderlijke recente ontdekking is dat de oorspronkelijke inwoners van Europa, die in de schoolboeken en musea als wit worden afgebeeld, het grootste deel van de prehistorie zwart waren, zo blijkt uit dna-onderzoek van oude botten uit onder meer Engeland, Luxemburg en zelfs Scandinavië. Pas met de opkomst van de landbouw kregen blekere huidtinten de overhand.

Tot vandaag aan toe zijn er niettemin studies die verschillen menen te ontwaren. Geruchtmakend en veelvuldig terugkerend is de discussie over IQ: zo wijst een denkstroom, aangevoerd door de Canadese, in Zuid-Afrika gevormde psycholoog Philippe Rushton, erop dat er gemiddeld genomen wel degelijk meetbaar IQ-verschil is tussen bevolkingsgroepen met een verschillende afkomst. Zulke verschillen blijken echter volledig te verdampen als men zaken meerekent die óók het IQ beïnvloeden maar die niets met ‘ras’ te maken hebben, zoals opleiding, sociaal-economische status, voeding, onderwijs en ervaring in het maken van IQ-tests.

En het menselijk ‘ras’? Een eigenaardigheid is dat mensen onderling juist extreem weinig van elkaar verschillen, veel minder dan andere diersoorten. Zelfs de minst verwante mensen verschillen genetisch maar ongeveer één op de duizend ‘dna-letters’ van elkaar; bij chimpansees is de variatie tien keer groter. Dat duidt erop dat alle nu levende mensen afstammen van maar een heel kleine groepje uit de prehistorie.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.