Culturele diversiteit in VS minder regionaal gebonden dan in Europa

Immigratie en integratie worden in Amerika anders beleefd dan in Europa: een mentaliteit van de huifkar versus het familiekasteel, zegt Thomas von der Dunk....

Bij onze worsteling met de multiculturele samenleving wordt aan Europa regelmatig Amerika als lichtend voorbeeld voorgehouden. Vandaar dat Amerikaanse analyses van de problemen waarmee een en ander ook daar desondanks gepaard gaat, bij ons op grote belangstelling kunnen rekenen. Dat geldt bijvoorbeeld voor de bevindingen van de socioloog Robert Putnam, aan wiens theorie afgelopen zaterdag aandacht werd besteed (het Betoog, 21 februari).

Vaak wordt ter verklaring van het relatieve Amerikaanse integratiesucces naar verschillen in soorten migranten gekeken, maar misschien is de aard van het land van aankomst wel veel belangrijker. In een relevant opzicht onderscheidt de Europese Oude Wereld zich wezenlijk van de Amerikaanse Nieuwe: in een veel sterker besef van regionale eigenheid, dat niet alleen de interne Europese integratie, maar ook de integratie van niet-Europeanen zeer bemoeilijkt.

Paul Schnabel zei maandag in de Volkskrant iets zeer essentieels: ‘Uiteindelijk gaat het om de vraag: van wie is dit land? We willen ons niets laten vertellen door types van buiten.’ Nu: van de indianen af gezien, bestaat Amerika eigenlijk alleen maar uit ‘types van buiten’. Ook bij hen die al vele generaties in Amerika wonen, is dat eigen immigrantenbesef nog aanwezig. Iedereen weet exact wanneer ‘hij’ gekomen is, ook als het zijn betbetbet­overgrootouders betreft. Dat maakt de houding ten opzichte van nieuwe ‘types van buiten’ fundamenteel anders.

Natuurlijk: als je ver genoeg in het verleden gaat graven, komen ook vrijwel alle ‘echte’ Europeanen ooit van buiten. Maar dan moet je wel tot de Grote Volksverhuizing terug, of nog verder, tot die fameuze Batavieren van ons die op hun vlot de Rijn kwamen afzakken en aldus bij een toen nog niet existent Lobith ons toen nog niet existente land binnenkwamen.

Alleen is onze persoonlijke familieherinnering daartoe ontoereikend, behoudens die van het handvol vorstelijke gelukkigen dat misschien inderdaad nog met enig gesjoemel de eigen stamboom tot de Hunnenkoning Attila weet terug te voeren. Bij alle normale burgers laten de doopboeken ons toch echt uiterlijk vóór de 16de eeuw in de steek.

Daardoor weten we gewoon niet wiens voorouders zich wanneer in deze contreien gevestigd hebben, zoals we dat wel van Marokkanen weten – en daarmee maakt die eigen familie-immigratie ook geen deel uit van ons nationaal historisch besef: wij, autochtone Europeanen, waren er gewoon ‘altijd’. Niemand die nog kan hardmaken dat hij van de Franken, de Saksen, de Friezen, de Romeinen of voor mijn part de Canninefaten afstamt – vermoedelijk van allemaal, want in vijftien eeuwen zijn de genen van al die volksstammen op onwaarschijnlijk grondige wijze door elkaar geklutst.

Dat verschil qua oerbewoningssentiment heeft een belangrijke consequentie: in Amerika is het heimatgevoel veel zwakker ontwikkeld. Geboortegrond telt minder. Men verhuist er veel makkelijker duizenden kilometers dan bij ons: het is de mentaliteit van de huifkar versus die van het voorvaderlijk kasteel. Ook omdat de culturele verschillen veel geringer zijn. Dat begint al met de taal – wij raken vanouds toch binnen enige dagmarsen verbaal gehandicapt – en daar komt dan nog het nodige bij.

Zeden, kleding, huizen, gewoonten, regels verschillen tussen New York en San Francisco minder dan tussen de Noordkaap en Gibraltar, het eten is overal hetzelfde – onderschat niet de ontzaglijke ontberingen die Nederlandse pensionado’s aan de Costa Brava moeten doorstaan als de mee verhuisde patattent tijdelijk dicht is – en de rest eigenlijk eveneens.

De grote culturele diversiteit die Amerika natuurlijk óók kent, is veel minder regionaal gebonden dan in Europa. Dat betekent: overal kun je veel makkelijker hetzelfde van je eigen gading vinden, dankzij gettovorming op plaatselijk niveau. Elk soort Amerikaan kan zich daardoor overal in Amerika veel sneller thuis voelen dan een Europeaan in Europa; het Amerikaanse natiebesef is minder plaatsgebonden. Voor Nederlanders zijn de polders, voor Zwitsers de bergen daarentegen essentieel voor hun identiteit – het idee van: hier, op deze paar vierkante kilometer, voel ik mij thuis, hier kom ik vandaan, is sterker ontwikkeld. Dat herkomstbesef speelt zelfs nog voor Europeanen die naar Amerika zijn geëmigreerd. Of een Amerikaanse Italiaan nu in Boston of in Houston woont, is voor zijn bewustzijn nauwelijks van belang. Maar verslijt ook na vijf generaties niet de nakomeling van een Milanees voor die van een Napolitaan!

Dat betekent tevens dat je in (het sowieso veel vollere) Europa ingeval van migranten minder makkelijk tegen de autochtone bevolking kunt zeggen: schikt U even wat in? Zo kan Brussel ook niet aan Letten, die zich vanwege de vele ‘inwonende’ Russen cultureel überfremdet voelen, laten weten: er is nog best ruimte in de Extremadura of op de Faeröer.

Waar een Amerikaan, als zijn stad of wijk etnisch verkleurt en hij er zich zodoende niet langer meer thuis voelt, wat makkelijker verkast omdat hij elders opnieuw zo’n soortgelijke stad of wijk vindt, houdt de Europeaan veel koppiger aan zijn eerstgeboorterecht vast: hier ben ik geboren, dus hier ga ik ook dood.­

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.