InterviewCriminaliteit tijdens de oorlog

‘Crimineel’ was tijdens WOII een rekbaar begrip

Het aantal veroordelingen voor diefstal verdrievoudigde in de eerste jaren van de Duitse bezetting. Tezelfdertijd nam de acceptatie van politiek gemotiveerde misdrijven toe, zowel bij burgers als bij justitie.

Gestolen rijwielen door de politie tentoongesteld 1941. Beeld Stadsarchief Amsterdam
Gestolen rijwielen door de politie tentoongesteld 1941.Beeld Stadsarchief Amsterdam

Aan belangstelling voor verzetsactiviteiten tijdens de Duitse bezetting – criminele handelingen, volgens de toenmalige machthebbers – heeft het in Nederland nooit ontbroken. Daarbij ging het over het gewapend verzet van knokploegen, over het geestelijk verzet van de illegale pers en alle gradaties daartussen. En over de vraag hoeveel, of hoe weinig, Nederlanders op enigerlei wijze bij het verzet waren betrokken. Maar hoe zat het met de ‘gewone’ criminaliteit? Met ordinaire diefstal, roof en oplichting? En hoe werden deze vormen van criminaliteit in het licht van de bezetting beoordeeld door burgers en de rechterlijke macht? Over deze en aanverwante vragen gaat Jan Julia Zurné (32), als politiek historicus verbonden aan de Radboud Universiteit Nijmegen, zich de komende jaren buigen – geassisteerd door medewerkers van de het Brabants Historisch Informatie Centrum (BHIC) en Noord-Hollands Archief. Eén ding is nu al duidelijk: de opvattingen over criminaliteit waren tijdens de Duitse bezetting onderhevig aan sterke veranderingen.

U bedoelt: politiek gemotiveerde criminaliteit was minder afkeurenswaardig dan een vermogensdelict.

‘Opvattingen over criminaliteit werden beïnvloed door de oorlogsomstandigheden. De tolerantiedrempel bij justitie en bij de burgers verschoof ten gunste van verzetsactiviteiten. Handelingen die in vredestijd onaanvaardbaar waren, werden in de context van de oorlog tot op zekere hoogte acceptabel geacht. Het probleem is alleen dat de grens tussen politiek gemotiveerde misdrijven en niet-politiek gemotiveerde misdrijven in de praktijk niet altijd zo scherp te trekken was. Een verdachte kon op meer clementie bij het publiek rekenen als hij zijn misdrijf politiek kon motiveren. Maar daar moest hij ook mee uitkijken: politieke misdrijven werden door de Duitse justitie afgehandeld, of door zogenoemde vrederechters, die in nationaalsocialistische geest optraden. Daar lag de tolerantiedrempel voor verzetsactiviteiten beduidend lager.’

Heeft u niettemin een indruk van de ontwikkelingen van de ‘gewone criminaliteit’ tijdens de bezetting?

‘Helaas zijn de criminaliteitscijfers uit deze periode incompleet, vooral voor de jaren 1944 en ’45. Ik zal dus geen kwantitatief onderzoek over de hele bezettingstijd doen. Maar uit de cijfers die er wél zijn, kan worden opgemaakt dat de criminaliteit over de hele linie tijdens de bezetting sterk toenam. Zo verdrievoudigde het aantal veroordelingen voor diefstal tussen 1940 en ’42: van 6.413 tot 21.933. Dit hing mogelijk samen met de afnemende tolerantie van het OM voor deze vorm van criminaliteit, maar wellicht ook met de normvervaging die zich in oorlogssituaties voordoet.’

Hoelang werkte die nog na?

‘Nog vele jaren. In 1949 was de criminaliteit in Nederland nog niet terug op het vooroorlogse niveau. Criminologen braken zich het hoofd over de morele invloed van de oorlog op, met name, de jeugd. Wat ik me afvraag is: werden de gevolgen van de oorlog toen nog door verdachten als verzachtende omstandigheid aangevoerd en door rechters als zodanig erkend? Aan de gerechtelijke dossiers die ik zal raadplegen, hoop ik nog een bron te kunnen toevoegen: brieven en andere egodocumenten van gewone criminelen. Die zijn, om begrijpelijke redenen, heel zeldzaam. Maar na zoveel jaren zijn deze privéarchieven misschien geen bron van gêne meer.’

Eerder heeft u vergelijkbaar onderzoek gedaan in België. Wat stelde u daarbij vast?

‘Dat het gewapende verzet er veel eerder een probleem vormde voor de openbare orde dan in Nederland. Dat hing mogelijk samen met het feit dat het grootste deel van België al tijdens de Eerste Wereldoorlog een vijandelijke bezetting had ondergaan. Veel Belgische rechters zagen het als hun patriottische plicht om verzetslieden binnen de grenzen van hun mogelijkheden te beschermen. Hun Nederlandse collega’s hadden minder manoeuvreerruimte: anders dan België kende Nederland een burgerlijk bezettingsbestuur, wat onder andere betekende dat de Duitsers hier meer prioriteit gaven aan de nazificering van de rechterlijke macht. Vooral op de top van het Openbaar Ministerie hebben de Duitsers hier meer hun stempel weten te drukken. Meer dan in België.’

Onderzoeker Jan Julia Zurné van de Radboud Universiteit. Beeld Radboud Universiteit Nijmegen
Onderzoeker Jan Julia Zurné van de Radboud Universiteit.Beeld Radboud Universiteit Nijmegen
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden