Christ Klep - Somalië, Rwanda, Srebrenica. De nasleep van drie ontspoorde vredesmissies

Aan ambitie ontbreekt het de historicus Christ Klep niet. In zijn proefschrift Somalië, Rwanda, Srebrenica – De nasleep van drie ontspoorde vredesmissies stelt hij zich ten doel om na te gaan hoe de betrokken autoriteiten – in respectievelijk Canada, België en Nederland – zijn omgegaan met hun verantwoordelijkheid voor de...

De drie policy failures , zoals Klep deze gestrande of gediscrediteerde missies terecht noemt, zijn echter slechts ten dele vergelijkbaar. De politieke afhandeling ervan vertoont inderdaad een vergelijkbaar patroon, maar er zijn ook verschillen. Die worden door Klep niet ontkend, maar doordat hij grote nadruk legt op de overeenkomsten in het proces van verantwoording, wordt hij uiteindelijk het slachtoffer van zijn eigen systematische aanpak.

In het geval van Somalië gaat het bij Klep niet om de mislukking van de VN-missie als zodanig, maar om het falen van het Canadian Airborne Regiment. Enkele Canadese militairen schoten een ongewapende Somaliër dood, die ze eerst hadden geprovoceerd om voedsel uit hun compound te stelen. Kort daarop martelden twee Canadese vredesstichters onder het toeziend oog van hun maten een zestienjarige Somalische jongen dood die zich ook al aan diefstal had bezondigd (er heerste honger in Somalië en dit soort diefstallen kwam geregeld voor). De daders werden volgens militair recht gevonnist en het leger stelde een onderzoekscommissie in, maar de resultaten bevredigden de publieke opinie niet. Het kwam tot een onafhankelijk onderzoek met conclusies waarin de gang van zaken fel gehekeld werd: ‘De dood van Shidane Arone tijdens wat ironisch genoeg Operatie Bevrijding werd genoemd, is het symbool geworden voor het dieptepunt in de geschiedenis van het Canadese leger.’ Het hele Canadian Airborne Regiment werd in maart 1995 opgeheven. Toch is Christ Klep van mening dat net als in de twee andere gevallen ook in Canada de verantwoordelijkheid voor het falen is ontweken. Het onafhankelijke onderzoek werd namelijk voortijdig beëindigd onder druk van de Canadese regering en er traden geen politici af. Bij dat laatste moet wel worden aangetekend dat er intussen een regeringswisseling had plaatsgevonden. De zittende minister van Defensie en premier waren formeel verantwoordelijk voor wat zich onder hun voorgangers had afgespeeld, maar hadden daar feitelijk niets mee te maken gehad. Je zou daarom, anders dan de auteur doet, ook kunnen concluderen dat de schaal van het Canadese falen minder dramatisch was dan dat van de Belgen en Nederlanders en dat er voor een belangrijk deel (oordeel onderzoekscommissie; opheffing betrokken regiment) wel verantwoording voor is afgelegd.

De discussie in België had betrekking op twee kwesties, die zich vlak na elkaar afspeelden, maar heel verschillend waren. Na het neerschieten van het vliegtuig met de gematigde (Hutu-)president van Rwanda Habyarimana, maakten radicale Hutu-milities zich op voor massamoord op de Tutsibevolking, hetgeen uitmondde in de beruchte genocide met honderdduizenden slachtoffers. Op dat moment maakten 450 Belgische para’s deel uit van de VN-vredesmacht Unamir. Een patrouille van tien Belgen werd op 7 april 1994 in de hoofdstad Kigali omsingeld door Rwandese (Hutu-)soldaten en gruwelijk afgeslacht. Kwestie nummer één betreft de vraag of de Belgische commandant Marchal dit bloedbad had kunnen voorkomen. Onmiddellijk na de moord op de tien para’s besloot het kabinet Dehaene, tegen de zin van Marchal en Unamir-bevelhebber Dallaire, de Belgen uit Rwanda terug te halen. Duizenden Tutsi’s die bescherming bij de Belgen hadden gezocht werden aan hun lot overgelaten. De tweede en, dunkt me, meest prangende kwestie is of door deze terugtrekking niet het licht op groen werd gezet voor de Hutumoordenaars. De twee kwesties bleven tijdens de achtereenvolgende onderzoeken door elkaar heen spelen, ook Klep maakt geen duidelijk onderscheid. De uiteindelijke conclusie van een politieke commissie uit de Belgische Senaat was weinigzeggend: zowel de internationale gemeenschap als de Belgische overheid had gefaald.

Geen van de betrokken bewindslieden trad – uit eigen beweging of onder druk van het parlement – af. Wel bood de nieuwe premier Verhofstadt, in april 2000 in Kigali namens België excuses aan.

Zo’n gebaar tegenover de nabestaanden van de vermoorde Moslimmannen uit Srebrenica heeft de toenmalige Nederlandse minister-president Kok, noch zijn opvolger Balkenende weten op te brengen. Daar staat weer tegenover dat het kabinet-Kok in het voorjaar van 2002 – bijna zeven jaar na het drama – aftrad om Srebrenica. Volgens Klep kan dit aftreden, naar aanleiding van het onderzoeksrapport van het NIOD, echter niet worden beschouwd als het vrijwillig op zich nemen van de verantwoordelijkheid. Hij heeft daarvoor goede argumenten: het late tijdstip en de twijfel of het hele kabinet vrijwillig aftrad, of vooral om te voorkomen dat enkele ministers (Jan Pronk, Frank de Grave) als enigen politieke consequenties zouden trekken en daarmee de anderen in een lastig parket zouden brengen. De voornaamste reden waarom de stap van het kabinet-Kok enigszins een slag in de lucht bleef, is dat nooit duidelijk is gemaakt waarvóór het zich nu precies verantwoordelijk achtte.

Voor het besluit om militairen naar Srebrenica te sturen zonder voldoende middelen om daar voor veiligheid te zorgen? Het NIOD-rapport veroordeelde dat besluit (genomen onder het laatste kabinet-Lubbers) niet, maar had er wel ernstige bedenkingen bij. Voor fouten in de afwikkeling, zoals de geconstateerde onwil van landmachtcommandant Couzy om minister Voorhoeve volledig te informeren? Of voor het onvermogen van Dutchbat om de Serviërs tegen te houden en de mannen van Srebrenica te beschermen? Dat laatste lijkt toch echt verreweg de belangrijkste en ernstigste misser, maar juist op dit punt was het NIOD-rapport uitgesproken vergoelijkend en weigerde Kok consequent om beladen termen als ‘schuld’ of ‘falen’ in de mond te nemen.

Bij zijn analyse van de processen van verantwoordelijkheid nemen dan wel afschuiven stelt Christ Klep tal van interessante overeenkomsten vast; in alle drie de landen stonden de militairen afwerend tegenover iedere kritiek van buitenaf, betoonden de betrokken bewindslieden zich pluchevast en maakten de volksvertegenwoordigers hun controlerende taak al te vaak ondergeschikt aan loyaliteit tegenover geestverwante ministers (gebrek aan dualisme).

Als Klep ook nog wat meer had stilgestaan bij de verschillen bij het afhandelen van de drie drama’s, had hij moeilijk aan de conclusie kunnen ontkomen dat niet alleen het optreden van Dutchbat in Srebrenica van weinig moed getuigde, maar dat hetzelfde geldt voor de aanhoudende weigering van de politieke en militaire top om dit falen ruiterlijk te erkennen. De Nederlanders waren bij het nemen van hun verantwoordelijkheid veruit het krenterigst.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden