Chinese wetenschap blijft beetje haperen

De Chinese economie groeit hard, de Chinese wetenschap blijft daarbij achter. Kwalitatief hapert het zelfs, meent de Leidse citatieteller Ton van Raan.

Kenniscafé de Volkskrant / de Balie ism NEMO: Kennis made in China. Maandag 21 januari, 20.30 uur, debatcentrum de Balie, Amsterdam, gratis entree, info en aanmeldingen op www.debalie.nl

Hoogleraar Ton van Raan, kopman van het Leidse instituut voor kwantitatieve wetenschapsstudie CWTS, houdt een afdrukje van een grafiek op zijn twee handen plat voor zich.

Op het papier staat de kwaliteit van alle artikelen in de wetenschappelijke tijdschriften met minstens één auteur met een adres in China. Uitgezet tegen het jaar van publicatie.

Het lijntje rommelt tot ergens halverwege de jaren negentig ongeveer vlak, op een niveau van een weinig opmerkelijk wetenschapsbedrijf.

Gemiddeld werden tussen 1980 en 1995 Chinese wetenschappelijke artikelen eenderde tot tweevijfde maal zo vaak in de literatuur aangehaald als het wereldwijde gemiddelde. Voor de goede orde: Nederland als geheel scoort ongeveer 1.2, zo’n drie tot viermaal zo hoog.

Maar terug naar de grafiek van China. Ergens in de tweede helft van de jaren negentig begint het een beetje omhoog te gaan. En omdat de vertikale schaal in de grafiek logaritmisch is (elk hokje omhoog is een factor tien hoger), betekent de bijna rechte lijn toch al snel exponentiële groei. In 2000 staat de citatieteller op 0.35, in 2005 al op een dikke 0.7.

Maar, zegt Van Raan met wat hij noemt zijn wetenschappelijke timmermansoog schattend langs de grafieken, er zit iets van een afvlakking in die rechte lijn omhoog van de laatste tien jaar. ‘Ik heb het gevoel dat er kwalitatief iets zit te haperen.’

Ton van Raan is maandagavond in Amsterdam een van de inleiders in het nieuwe wetenschapscafé van de Volkskrant, de Balie en sciencecenter NEMO. Wat, is de vraag die daar centraal staat, is China in de wetenschappelijke wereld: een wereldmacht, net als sinds kort op economisch terrein? En zo ja, is dat een zegen of een bedreiging voor de wetenschap?

Zee van fietsers
Voor Van Raan op tafel ligt een stapeltje rapportjes en boekjes, sommige in het Chinees, op de cijfers na. Materiaal dat hij meenam van een conferentie over het meten van wetenschappelijke prestaties, het vak waarin hijzelf en zijn groep internationaal tot de top behoren.

Het was een memorabele bijeenkomst, zegt Van Raan. Niet in de laatste plaats omdat hij, voor het eerst in twintig jaar weer in China, met eigen ogen kon zien hoe het land in korte tijd veranderd is.

‘Om te beginnen al het straatbeeld. Ik herinnerde me nog de onafzienbare zee van fietsers in de straten van Peking. Dat is nu totaal anders. De stad is vol brommers en auto’s, de smog is verschrikkelijk. Je kunt geen goeie foto maken van de ene kant van het beroemde Plein van de Hemelse Vrede naar de andere.’

In oktober was dat. Van Raan was in Peking om contacten te leggen en, eerlijk is eerlijk, te zien of zijn instituut opdrachten kon binnenhalen. Al heeft hij eerlijk gezegd geen idee of dat werkelijk iets gaat opleveren. ‘Je praat met veel mensen die je allemaal netjes aanhoren en vervolgens blijft het stil’, zegt hij. Bovendien: er is in Shanghai een Chinees instituut dat ook gespecialiseerd is in het meten van wetenschappelijke productie en prestaties. Met grofweg dezelfde grondstoffen als die Van Raans CWTS gebruikt: databases met publicaties en citaties van publicaties.

Van Raan: ‘Dat de Chinezen geïnteresseerd zijn in het kwantitatief meten van wetenschappelijke kwaliteit is evident. En dat past ook wel bij een moderne wetenschappelijke sector.’

Een groeiende sector, bovendien. En hoe. Weer produceert Van Raan een grafiek, ditmaal van het aantal wetenschappelijke publicaties, geregistreerd sinds 1980.

De figuur is, opnieuw op logaritmische schaal, een strakke rechte lijn omhoog: een vertienvoudiging in iets minder dan twintig jaar. Exponentiële groei, zegt Van Raan, en zeker niet ongewoon voor een opkomende economische macht als China. ‘Maar het is nog geen hypercurve, zoals je die na de Tweede Wereldoorlog in het Westen hebt gezien, en zoals de huidige economische groei van China. Misschien begint ook daar al te gelden dat je beter de baas van een wetenschapper kunt worden, dan een wetenschapper.’

Voor een hyper-exponentiële groeicurve is niet alleen een kwantitatieve groei nodig maar ook aanhoudende kwalitatieve groei. Dat laatste is nog niet aan de orde. De situatie, zegt Van Raan, is een beetje te vergelijken met die van Japan. Ook daar was jarenlang een ongebreidelde kwantitatieve groei. Maar ook daar bleef kwaliteit uiteindelijk een beperkende factor.

Vorig jaar zomer spoorde de OECD China zelfs aan innovatiever te werk te gaan. China was in 2005 al de zesde natie ter wereld in uitgaven aan onderzoek. Alleen in de Verenigde Staten werken meer wetenschappers. Maar echte doorbraken levert dat alles nog niet op; zelfs het Chinese voornemen om binnen afzienbare termijn bemand naar de maan te vliegen, kan nauwelijks origineel heten.

Falen geen optie
Daarbij zijn mogelijk zelfs culturele factoren in het spel. Top-wetenschap vereist een vorm van intellectuele onafhankelijkheid die zich niet vanzelfsprekend verhoudt tot de Aziatische traditionele hiërarchie. Laat staan tot communistische verhoudingen, waar falen geen optie is.

Ook daar is wel het een en ander gaande. Vorig najaar kondigde het ministerie van Wetenschap en Technologie wetgeving aan die falen nadrukkelijk toestaat. Als een onderzoeker kan aantonen dat hij zijn onderzoek goed heeft opgezet en uitgevoerd, mag er desnoods niks uitkomen. Zonder dat hem dat meteen zijn baan kost.

Het productiefst zijn de Chinezen op het gebied van de chemie en de natuurkunde en materiaalwetenschappen. Alleen op het gebied van materialen scoren ze ook kwalitatief redelijk op internationaal niveau. Van Raan: ‘De Chinese wetenschap is vooralsnog volgend, niet toonaangevend. Er wordt heel veel gepubliceerd, maar vooral om mee te doen, de wetenschap in de vingers te krijgen en volume te creëren.’

China telt ongeveer 1300 universiteiten met vaak tienduizenden studenten. Het hoogst aangeslagen zijn de Tsinghua-universiteit (in Peking), gevolgd door Nanjing en de universiteit van Peking. Gemeten naar academische prestaties (weer gebaseerd op geciteerde publicaties) wisselen de drie koplopers net stuivertje: Nanjing op één, gevolgd door Tsinghua en Peking. De universiteit van Peking, rechtstreeks aangestuurd door de in China almachtige Academie van Wetenschappen, staat zelfs in de internationale tophonderd van instellingen. Vijf jaar geleden was dat nog op 160.

Maar, zeggen onderwijsexperts, op de meeste terreinen zijn ook de Chinese top-universiteiten kwalitatief nog geen partij voor de internationale top. In diezelfde vijf jaar bleef Peking hardnekkig op een zeventje steken, op een schaal waar het wereldwijde gemiddelde een 10 is. Leiden, memoreert Van Raan fijntjes, scoort ongeveer 13, bijna tweemaal zo hoog.

Bezoekers van een beurs in Shanghai bekijken de Fudan Intelligent Robot van Chinese makelij. (AP) Beeld AP
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.