AnalyseOuders langs de lijn

Brullende ouders langs de lijn: hoe komen ze erop? En wat doet zoiets met kinderen?

Beeld Studio V

Brullende en bemoeizuchtige ouders langs de zijlijn: het is een wekelijks terugkerend tafereel op de sportvelden. Waar komt dat fanatisme toch vandaan, vraagt wetenschapsjournalist en jeugdcoach Tonie Mudde zich af. En wat doet het met de kinderen?

‘Uit voor hún?! Kom óp, scheids.’ ‘Nee, je moet niet schieten, je moet indribbelen. In-drib-be-len.’ ‘Já, díé is voor jou. Gaan nu. Gáán!’

Het is halverwege de wedstrijd als mijn ergernis over een vader van een van de tegenstanders het kookpunt bereikt.

Zaterdag veel te vroeg, ergens op een voetbalveld in Amsterdam-Noord. Het team van mijn 7-jarige zoon speelt tegen een club uit de buurt. Ik ben coach dit weekend en sta naast de coach van de tegenstander: een rustige vrouw die af en toe ‘goed zo!’ roept of een speler wisselt zodat iedereen evenveel speeltijd krijgt. Precies wat een coach moet doen bij een wedstrijd van 7-jarigen, veel te vroeg op een zaterdagochtend.

Maar dan die man. De héle tijd luidkeels commentaar geven, op alles. En hij is niet de enige, weet iedereen die weleens langs de zijlijn staat bij een sportwedstrijd van de jeugd. Sire maakte al eens de campagne ‘Geef kinderen hun spel terug’. En later nog een keer omdat ‘het gedrag van ouders langs de zijlijn veel problemen blijft geven’.

Ik ben gek op sport, altijd al geweest. En met mijn kinderen mee naar hun sport – dochter en zoon voetballen – vind ik minstens zo leuk als zelf een balletje trappen. Het gedoe in veel te krappe kleedkamers om al die tenues en scheenbeschermers aan te krijgen, de gretigheid waarmee ze het veld oprennen, hoe ze elke week een beetje beter worden, hoe ze als team leren omgaan met winst en verlies: ik vind het allemaal fantastisch om getuige van te zijn, zelfs als het regent, zelfs als de wedstrijd zo vroeg begint dat het nog schemert en de nachtvorst je schoenen intrekt. Maar één element van jeugdsport trek ik slecht en dat heeft niets met de kinderen te maken, maar alles met hun ouders, en met hoe bizar fanatiek en bemoeizuchtig die soms kunnen worden.

Beeld Getty Images

Stoppen met sport

Ook in het buitenland is het een bekend fenomeen. Zo waren in de Verenigde Staten campagnevideo’s te zien van een 9-jarige jongen die tijdens een persconferentie voor klikkende camera’s in de microfoon zegt dat hij zijn sportleven voor gezien houdt en met pensioen gaat ‘omdat er te veel druk is’. De situatie is niet helemaal vergelijkbaar met die in Nederland – in de VS kun je met een beurs voor talentvolle sporters toegang krijgen tot felbegeerde universiteiten – maar ook hier kan fanatisme doorslaan.

Niet voor niets staan er langs Nederlandse velden grote borden met teksten als ‘AUB Onthouden. Dit is een spel. De coaches zijn vrijwillig. De scheids is ook een mens. Dit is niet de Champions League.’ Een collega vertelde me hoe hij als coach elke avond voor de wedstrijd een telefoontje kreeg van een van de vaders van de spelers. Even samen de opstelling doornemen – waarbij de vader in kwestie uitgesproken ideeën had over de plek van zijn eigen zoon in het veld. Een van mijn kennissen is ook coach en zegt ‘helemaal gek te worden van het commentaar van alle ouders. Het lijkt wel alsof ze allemaal denken dat hun zoon de volgende Messi is.’

Canadese onderzoekers trokken langs voetbalvelden en noteerden commentaar van ouders langs de zijlijn bij wedstrijden in de categorie ‘onder de 12 jaar’. Daaruit bleek dat 35 procent van het commentaar aanmoedigingen waren, 35 procent bevatte een instructie en de overige opmerkingen waren neutraal, negatief of ronduit beledigend.

Beeld Studio V

Je hoeft geen hoogleraar pedagogiek te zijn om te snappen dat negatief of beledigend commentaar opvoedkundig niet zo handig is. Maar ook instructies geven is foute boel. Krijgt zo’n spelertje van zijn coach te horen: jij bent vandaag verdediger. Schreeuwt zijn vader (of moeder, die er ook zat) even later: ‘Naar vóren, Damiaan!’ Gevolg: totale verwarring, het gevoel dat je het nooit goed kunt doen.

Brulouders zijn niet voorbehouden aan volkssport nummer één. ‘Ik was laatst bij een hockeywedstrijd van mijn neefje’, zegt Paul van der Meer, specialist op het gebied van sociaal veilig sporten bij Kenniscentrum Sport & Bewegen, dat onder meer wetenschappelijke inzichten in de praktijk probeert te brengen bij clubs. ‘Stond de coach van de ene club de scheidsrechter van de andere club uit te foeteren omdat die iets verkeerd zou hebben gedaan. Sowieso al genant, maar in dit geval was die coach een advocaat van een jaar of 40 en de  scheidsrechter een jongen van 13…’

In Nederland is liefst 80 procent van de kinderen tussen de 6 en 11 jaar oud lid van een sportvereniging. Een gigantisch aantal. Maar vanaf 12 jaar keldert dat tot 56 procent. Middelbare scholieren kunnen om tal van redenen afhaken: bijbaantjes, huiswerk, een brommer die moet worden opgeknapt. Maar het opgefokte sfeertje langs de zijlijn doet de liefde voor de sport ook geen goed.

Houd het relaxed

Wat de kinderen zelf vinden van die fanatieke ouders langs de zijlijn? Dat valt onder meer te lezen in het rapport Laat ons lekker sporten, een onderzoek dat kinderen zelf uitvoerden. Leerlingen van groep acht van de Da Costaschool in Soest trokken op zaterdagen langs voetbal- en hockeyvelden, noteerden opmerkingen van ouders en hielden interviews met ouders en spelers.

Interviewer: ‘En wat vind jij van je vader die langs de kant staat te schreeuwen?’

Kind: ‘Uh, nou soms schaam ik me er een beetje voor, want dan hoor je de coach en dan hoor je mijn vader erbovenuit schreeuwen.’

Een vergelijkbaar beeld is te zien in de studie Junior Tennis Players’ Preferences for Parental Behaviors, waarin jonge tennisspelers zich uitspreken over het gedrag van hun ouders.

Chris: ‘Als de ouders te betrokken raken, dan draait het niet meer om de bal halen.’

Marcy: ‘Dan gaat ’t alleen om winnen.’

Chris: ‘Om winnen of verliezen. En dan wordt ’t moeilijker om te focussen.’

De conclusie van al die studies? Aanmoedigende ouders: oké, vinden de kinderen. Maar alsjeblieft, pa en ma, doe een beetje relaxed en geef géén technisch of tactisch advies. Want dat mag alleen de coach doen.

Het gekke is: spreek ouders op een rustig moment en ze weten meestal donders goed dat ze de sfeer verpesten door commentaar te geven op scheidsrechters of aanwijzingen te geven langs de zijlijn. Maar een paar dagen later, op wedstrijddag, vliegt het ventiel er weer af.

‘Uit elkáár, niet allemaal op een kluitje!’

‘Shit, hij laat Mike keepen. Die moet je juist in de aanval zetten.’

Zelf ben ik ook niet immuun voor het bemoeivirus. Op dagen dat ik niet coach en er gewoon sta als een van de ouders langs de zijlijn, moet ik soms op mijn lip bijten om geen aanwijzingen te geven aan mijn voetballende zoon of dochter. Bij de afsluitende penalty’s hoorde ik mezelf een keer tegen mijn zoon zeggen, vlak voordat hij zijn aanloop inzette: ‘Weet je het nog? Hard in de hoek.’

Emoties boven verstand

Wat is dat toch, dat ouders die overdag verantwoordelijke banen hebben en de ontwikkeling van hun kind hoog in het vaandel hebben, in het weekend langs zo’n zijlijn uit de bocht schieten?

Mark van Vugt, hoogleraar evolutionaire psychologie aan de Vrije Universiteit Amsterdam, heeft wel een idee. ‘De drang om het beste voor je kind te willen en het te beschermen zit zó diep in de genen. Het is een oerdrift die amper te temmen is. En bij teamsporten komt er ook nog een soort stammenstrijd bij: wij tegen zij, met een duidelijke winnaar en verliezer. Dat is een gegeven waarbij het verstand het geregeld verliest van de emoties.’

De hoogleraar spreekt ook uit eigen ervaring. Hij voetbalt zelf en is vader van een voetballende zoon. Laatst was Van Vugt grensrechter bij het team van zijn zoon. ‘Dan moet je je natuurlijk focussen op het vlaggen. Maar ja, dan staat zo’n verdediger vlakbij en denk je: zet nou twee stappen naar voren, dan zet je die aanvaller buitenspel. En dat zeg ik dan tegen hem. Helemaal fout natuurlijk. Het was bovendien een onderlinge wedstrijd tussen teams van de eigen club, het ging helemaal nérgens over. Maar het is zo moeilijk je te bedwingen.’

Hormonen spelen ook een grote rol, aldus Peter Bos, universitair hoofddocent aan de Universiteit Leiden en gespecialiseerd in hormonen en opvoeding. Ouders die naar een sportwedstrijd van hun kinderen kijken omschrijft hij als een ‘nogal giftige combinatie, omdat het twee dingen combineert: een competitieve setting en ouders die hun kinderen ‘beschermen’’.

Dat zijn twee factoren die agressie en dominantie kunnen uitlokken, deels veroorzaakt door verhoging van testosteron. ‘Als je het gevoel hebt dat je kind iets wordt aangedaan – onterecht of niet – kan dit een sterke emotionele reactie uitlokken.’ Zo’n felle reactie is ideaal als je kind in het water valt en je er snel achteraan moet duiken, maar nogal ongepast langs de lijn. ‘Bij mensen die hun emoties minder onder controle hebben, is dat onderscheid niet meer te maken.’

Bovendien denkt hij dat ouders angstig zijn voor de sociale afwijzing van het verlies. Van der Meer van het Kenniscentrum Sport & Bewegen: ‘Je kent ze vast wel, van die ouders die graag vertellen dat hun kind heeft gewonnen en twee keer scoorde. Bij verlies kunnen zulke ouders juist een soort plaatsvervangende schaamte voelen. Het lijkt soms wel alsof ze het ervaren alsof ze zelf in dat veld staan.’

Beeld Studio V

Onvervulde ambities

Nou, blijkt uit onderzoek van Eddie Brummelman, universitair hoofddocent aan de Universiteit van Amsterdam: sommige ouders vereenzelvigen zich inderdaad wel erg met hun kinderen.

Bij een experiment legde hij ouders twee cirkels voor: de ene cirkel ben jij, de andere cirkel is je kind. Vervolgens kozen de ouders uit negen afbeeldingen welke situatie het meest op de relatie met hun kind van toepassing was. De twee cirkels naast elkaar? Een beetje verbonden? Geheel over elkaar heen?

Hij vroeg de ouders ook naar hun eigen onvervulde ambities. De antwoorden varieerden van wereldreizen die nooit waren gemaakt tot een geneeskundeopleiding die vroegtijdig was gestaakt. Zo ontdekten Brummelman en collega’s dat vooral ouders die zich in hoge mate vereenzelvigen met hun kinderen, hopen dat hun zonen of dochters later zullen slagen waar zij zelf ooit faalden.

Een uitkomst die Nick Holt, hoogleraar aan de Universiteit van Alberta, herkent. Holt deed met collega’s veel onderzoek naar het gedrag van sportouders en wat dat met hun kinderen doet. ‘We ontdekten dat ouders die vroeger zelf op zeer hoog niveau voetbalden de neiging hebben kalmer te zijn, weinig instructies geven en alleen aanmoedigen tijdens de wedstrijd. Maar ouders die vroeger niet speelden, of maar een beetje, schreeuwen relatief meer aanwijzingen. Sommigen proberen misschien hun onvervulde dromen alsnog te beleven via hun kinderen.’

De eigen ervaringen uit de jeugd zijn volgens Van der Meer van het Kenniscentrum Sport & Bewegen ook een belangrijke reden waarom ouders zo fanatiek langs de zijlijn kunnen zijn. ‘Hun vader of moeder deed het vroeger óók zo, dus dan kan al snel het idee ingebakken raken dat het normaal gedrag is. Ik ben er heilig van overtuigd dat al die fanatieke ouders het met de beste intenties doen, dat ze denken dat ze hun kind ermee kunnen helpen. De tragiek is dat het juist averechts werkt.’

Ingrepen

Maar ja, hoe krijg je die ouders langs de zijlijn wat relaxter? De voetbalbond KNVB probeerde dit de afgelopen jaren al te stimuleren met enkele structurele ingrepen. Zo houdt de bond voor de jongste teams geen standen meer bij. Want zo’n ranglijst, dat is typisch iets waarop ouders zich gaan focussen, en ook typisch iets waarmee je een competitief sfeertje creëert: er is één winnaar en de rest heeft verloren.

Wat een zegen dat die ranglijst weg is, merk ik na anderhalf jaar langs de lijn. 7-, 8- en 9-jarigen missen zo’n stand totaal niet: die zijn alleen bezig met vrolijk een balletje trappen. Ook nieuw ten opzichte van mijn eigen voetbaljeugd: een afsluitende penaltyserie na de wedstrijd. Zo kan ieder kind – ook als het met 10-0 heeft verloren en de hele wedstrijd geen bal raakte – in elk geval één keer lekker op goal knallen en met een goed gevoel huiswaarts keren.

Uitstekende ingrepen van de voetbalbond, maar duidelijk niet voldoende om het overdreven fanatisme van ouders helemaal te temperen. Loop maar eens langs de velden van een willekeurige voetbalclub op zaterdagochtend.

Hoe kan het beter? De KNVB geeft tips als het organiseren van een ouderbijeenkomst, waarin coaches bespreken wat wel en niet van ouders gewenst is. Vaders en moeders vertellen hoe belangrijk hun voorbeeldgedrag op de club is. Het aanspreken van ouders die toch te fanatiek worden langs de zijlijn. Hun duidelijk maken dat, zoals de Canadese hoogleraar Holt het formuleert, ‘de wedstrijd het moment is voor het kind om te schitteren, niet de kans voor de ouders om in het spotlicht te staan’.

Allemaal waar en nuttig, maar de praktijk is toch weerbarstig, weet ook Van der Meer. Zijn Kenniscentrum Sport & Bewegen beoordeelde onder meer de kwaliteit van workshops, themabijeenkomsten en bijscholingen met als thema ‘naar een veiliger sportklimaat’. ‘Het werkt alleen als je er op alle niveaus in de club continu aandacht aan besteedt. En ook met elkaar afspreekt: wat doen we als een ouder zich niet aan de afspraken houdt?’

‘Maatschappelijk gezien zijn ouders steeds mondiger geworden’, aldus een woordvoerder van de KNVB. ‘Dat merken we langs de lijn van het voetbalveld, maar je ziet ook dat andere sporten en scholen hier veel mee te maken hebben. Wij willen vooral dat kinderen genieten van het voetballen en stimuleren een positieve betrokkenheid van ouders. We willen ze er actief en positief bij betrekken. Hiervoor hebben we eerder al aanpassingen gedaan en we blijven ook in de toekomst kijken hoe we de clubs met dit thema kunnen helpen.’

Terug naar die wedstrijd in Amsterdam-Noord, waar ik het commentaar van de brulvader naast me niet meer kan verdragen.

‘Kan het iets rustiger?’, vraag ik hem.

‘Maar’, sputtert hij, ‘de scheids doet het verkeerd. Ze moeten indribbelen. Ze moeten het toch goed leren?’

‘Ik vind het honderd keer belangrijker dat ze goed leren dat ze geen commentaar op de scheidsrechter moeten geven.’

De man draait zich geërgerd om, maar zwijgt wel. Een minuutje. En dan begint het weer. ‘Heeft-ie nou gefloten of niet? Hij moet harder blazen!’

De rit terug naar huis

Net doen alsof je in slaap valt op de bijrijdersstoel om maar niet met je vader of moeder te hoeven praten. Sommige jonge sporters doen dat, blijkt uit interviews die onderzoekers van de University of Toronto hielden met ouders en hun sportende kinderen over de rit terug naar huis. Op de website van de universiteit geeft universitair hoofddocent Katherine Tamminen tips over die autorit.

Tip 1: neem de tijd

Begin niet meteen over de prestaties van het team of het kind. Laat emoties eerst bekoelen.

Tip 2: maak gebruik van de setting

Je zit vlak bij elkaar in een afgesloten ruimte, maar kijkt allebei vooruit. Het is een unieke kans om rustig te praten over dingen die het kind kunnen dwarszitten, bijvoorbeeld als het zich tekortgedaan voelt door medespelers of de coach.

Tip 3: Laat het kind het gespreksonderwerp bepalen

Vraag het kind of het tijdens de autorit terug over de wedstrijd wil praten. Zo ja, prima. Maar misschien wil het wel liever samen muziek luisteren of plannen voor de rest van het weekend bespreken.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden