Bluffen over een atoombom

In 1941 spraken Niels Bohr en Werner Heisenberg met elkaar over een atoombom. In Kopenhagen gaat het niet om wát ze zeiden, maar waarom....

Het moet iets worden met veel licht en geluid, het einde van het toneelstuk Kopenhagen van de Britse schrijver Michael Frayne, dat 7 februari in première gaat. Een symbolische explosie, van een atoombom misschien. Dat is zelfs waarschijnlijk.

Maar deze middag, twee weken voor de première van het stuk in de Haagse Koninklijke Schouwburg, zijn dat licht en geluid er nog even niet. Op de hoge houten zolder van het Nationale Toneel wordt gerepeteerd. Zonder licht, zonder decor. Met alleen woorden. In een getekende cirkel op de vloer, met drie groene fauteuils.

De laatste woorden zijn zojuist gevallen tussen Bram van der Vlugt, die Niels Bohr is in het stuk, en Stefan de Walle, die Werner Heisenberg speelt. Twee geesten zijn ze, beroemde fysici die na hun dood terugblikken op een cruciale ontmoeting in 1941. Een bekgevecht in twee bedrijven over de vraag waarover ze destijds spraken, wat ze dachten te zeggen en wat de ander daaruit afleidde.

‘Voordat we ergens greep op kunnen krijgen’, zegt Bohr. ‘Voordat we een glimp opvangen van wie of wat we zijn’, gaat Heisenberg verder. ‘Zijn we dood en tot stof vergaan, en vroeg of laat onze kinderen ook, en de kinderen van onze kinderen’, vult Bohrs vrouw Margrethe (Liz Snoijink) hen aan. Gespaard gebleven, denkt Heisenberg hardop, door dat ene moment in Kopenhagen.

Regisseur Peter Tuinman, de hele doorloop rondsluipend om de drie acteurs die in de cirkel hun fenomenale woordspellen spelen, en soms met een licht handgebaar even hulp zoekend bij de regieassistent, rolt zichzelf op een bureaustoel naar het speelvlak.

Bijna fluisterend begint hij in te praten op de drie acteurs, die de fauteuils dichterbij schuiven. Het stuk, zegt hij, begint al te zingen. Heel goed. Die taal, die zinnen, jullie zijn één met de tekst aan het worden.

De acteurs weten het nog zo net niet. Werkt het nou wel echt? Vanwaar die rondgang over de cirkel? En snapt Heisenberg dat nou wel of niet, van die kilo’s uranium? En is dat achteraf? Of in 1941 al?

Dat, zegt Tuinman (61) – baseballjack, sneakers – een paar dagen later in de artiestenfoyer van de Schouwburg, is precies wat Kopenhagen zo bijzonder maakt. ‘Niemand weet precies wat er waar is en wat niet. De personages niet. De acteurs niet. En het publiek niet. Onzekerheid, daar gaat het over. Onzekerheid over motieven, over gebeurtenissen, over gedachten.’

En over verantwoordelijkheden, zegt Tuinman. ‘Ik ben zelf van 1947, het begin van de Koude Oorlog. Dan realiseer je je welke enorme historische betekenis de fysici hebben gehad. En welke immense verantwoordelijkheden ze hadden, in feite vaak zonder zich daarvan bewust te zijn. J. Robert Oppenheimer, de leider van het Amerikaanse atoombomprogramma, zei later: ‘We have known sin.’ Dat blijft verbijsterend. Zulke intelligente mannen, hebben die niet beseft waar ze mee bezig waren? Dat ze bommen bouwden waarmee ze de wereld konden vernietigen?’

Kopenhagen, zegt Tuinman, is een veeleisende tekst. Alleen al vanwege de vaktaal van de twee fysici, die er haast terloops in moet klinken. Daarmee lijkt het misschien een stuk voor nerds, over natuurkunde en natuurkundigen, atoombommen en kernsplijting. Maar dat is niet de kern van de zaak. ‘Dit gaat over menselijke dilemma’s en over de zuiverheid en onzuiverheid van motieven. Het is groot drama, en in die zin ook onbegrijpelijk dat het niet vaker wordt gespeeld.’

Het nieuwe Kopenhagen is een herneming van het stuk dat tien jaar geleden door het Noord Nederlands Toneel werd opgevoerd. Ook toen met Bram van der Vlugt als Bohr (Tuinman: ‘Er is maar één Bohr in Nederland, en dat is Bram’). Nu speelt hij het als afscheidsvoorstelling.

Ook tien jaar geleden was het toneel midden in het publiek gesitueerd. Dat moet, vindt Tuinman. ‘De personages moeten letterlijk dicht bij het publiek komen. Dat maakt dat je je het ene moment door de ene waarheid laat meevoeren, en het volgende moment door een andere waarheid. Er zijn momenten dat je als publiek opeens denkt: verrek, hij liegt – en dat dat echt als een schok komt.’

Terwijl, op papier, het stuk over een betrekkelijk afgebakende historische werkelijkheid gaat. In september 1941, midden in de Tweede Wereldoorlog, belt de Duitse fysicus Werner Heisenberg op een avond aan bij zijn oude leermeester Niels Bohr in het door de Duitsers bezette Kopenhagen. Het is drie jaar nadat Duitse wetenschappers kernsplijting hebben ontdekt en vrijwel alle fysici zich realiseerden dat daarmee enorme explosies konden worden gemaakt.

Heisenberg gold als de belangrijkste fysicus in Duitsland, betrokken bij elk kernfysisch onderzoek dat wordt uitgevoerd. Bohr is het internationale boegbeeld van de moderne fysica, leermeester en collega van vrijwel alle grote natuurkundigen uit die tijd.

Historici hebben zich, bij gebrek aan echte bronnen, altijd het hoofd gebroken over die ontmoeting. Kwam Heisenberg naar Kopenhagen om Bohr te waarschuwen voor de Duitse nucleaire inspanningen? Of kwam hij juist om Bohr uit te horen over eventuele geallieerde activiteiten op dat terrein?

Booker Prize-winnaar Michael Frayn (1933) schreef Kopenhagen in 1998 en won er vele prijzen mee. Zelf heeft hij nooit de pretentie gehad er de historische waarheid mee te beschrijven. Sterker: het stuk geeft vier verschillende versies van dezelfde, haast mythische ontmoeting tussen de twee fysici. Lang niet altijd staat de bom centraal, veel vaker de relatie tussen Bohr en Heisenberg, de briljante leerling die zijn leermeester wil overtroeven.

In de publieke verbeelding ging Kopenhagen meer en meer een eigen leven leiden. Zozeer, dat de nazaten van Bohr in 2002 besloten een aantal persoonlijke notities van Bohr uit 1957 over de ontmoeting vroegtijdig vrij te geven. Het zijn kladjes van brieven aan Heisenberg, gevonden in een boek over kernwapens in Bohrs bibliotheek.

In dat boek, Heller als tausend Sonnen van Robert Jungk, waren delen van een interview met Heisenberg opgenomen waarin de Duitser beweerde dat hij de Duitse pogingen om een kernbom te ontwikkelen steeds persoonlijk had gedwarsboomd. Dat schoot Bohr in het verkeerde keelgat. In 1941, schreef hij in de in 2002 vrijgegeven brieven uit 1957, wond Heisenberg er geen doekjes om. De oorlog, zei hij tijdens zijn ontmoeting met Bohr in 1941, zou met kernwapens worden beslecht, mits die lang genoeg zou duren. Ik zweeg, schrijft Bohr, want jij was de vijand, ook al was je mijn vriend. Bohr wist bovendien op dat moment niets van de Amerikaans/Britse inspanningen op nucleair gebied.

Interessante historische gegevens, vindt regisseur (‘Ik noem het liever emotioneel medewerker’) Peter Tuinman. Maar geen reden om anders tegen het stuk van Frayn aan te kijken. ‘Integendeel, zou ik denken. Het geeft eens te meer aan hoe verschillend de interpretaties kunnen zijn van eenzelfde ontmoeting. Zelfs van de mensen die elkaar op dat moment ontmoeten.’

Een van de hoogtepunten in de titanenstrijd tussen Bohr en Heisenberg is een scène waarin de geesten ontdekken dat het genie Heisenberg door een rekenfout de kritische massa voor een atoombom van meet af aan veel te hoog heeft geschat. Voor een bom is een ton uranium nodig, dacht hij, terwijl dat 50 kilo is.

Gretig hakt de oude rot Bohr op de bedremmelde Heisenberg in. ‘Je had gewoon je huiswerk niet gedaan toen je naar Kopenhagen kwam. Waarom?’

‘Ik weet het niet’, antwoordt Heisenberg. ‘Omdat ik veronderstelde dat het niet nodig was.’

‘Omdat’, verlost Margrethe hem, ‘hij geen bom probeerde te bouwen.’

‘Dank je’, veert Heisenberg op. ‘Inderdaad, omdat ik geen bom probeerde te bouwen.’

‘Maar dan kwam je dus alleen maar om te bluffen’, stelt Bohr geschokt vast.

Het is de menselijke maat, zegt Tuinman. Op een historisch moment. En zo staan in Kopenhagen uiteindelijk zelfs goed en kwaad op losse schroeven. In 1943 vlucht Bohr na geruchten over een op handen zijnde arrestatie halsoverkop in de nacht naar Engeland, en later naar Amerika, waar hij ook bij het atoombomproject in Los Alamos betrokken raakt.

Daar meldt hij zijn ontmoeting in 1941 met Heisenberg en tekent hij uit het hoofd een schets die de Duitser hem destijds had laten zien. De specialisten in Los Alamos zijn verbijsterd. Het is de schets van een kernreactor, niet van een atoombom.

‘Ik ging naar Los Alamos’, zegt Bohr in de slotscène, ‘om mijn bescheiden maar nuttige bijdrage te leveren aan de dood van honderdduizenden mensen.’ ‘Maar Niels’, onderbreekt Margrethe hem, ‘je hebt niets verkeerds gedaan!’ ‘O nee?’, vraagt Bohr. ‘Nee, natuurlijk niet’, zegt Heisenberg. ‘Jij was een goed mens, en niemand zou ooit iets anders kunnen zeggen. Terwijl ik ’

‘Terwijl jij’, zegt Bohr, ‘er je hele leven niet in bent geslaagd een bijdrage te leveren aan de dood van ook maar één mens, mijn beste Heisenberg.’

Daarna zwijgen de drie, tussen het publiek, tot verpletterend licht en geluid het toneel en de zaal overspoelen. Bij wijze van doek.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.