Bijgeloof en sport gaan hand in hand

Bijgeloof helpt sporters. Dat wil zeggen: mits ze er zelf in geloven.

De Spaanse tennisser Rafael Nadal bereidt zich met vaste gebaren voor op zijn service. Beeld Gregorio Borgia / AP
De Spaanse tennisser Rafael Nadal bereidt zich met vaste gebaren voor op zijn service.Beeld Gregorio Borgia / AP

In het normale leven zou je er gek van opkijken: een collega die altijd een rode jurk aantrekt voor een beoordelingsgesprek. Maar een volwassen bridgespeler die een beertje op de wedstrijdtafel zet, is volkomen geaccepteerd. Bijgeloof en sport, vooral topsport, gaan hand in hand. Acht van de tien topsporters koesteren vreemde rituelen voorafgaand aan belangrijke wedstrijden. De kin aantikken tijdens het volkslied, een stukje kauwgom op het veld van de tegenspeler spugen of vier pannekoeken eten.

Het is minder lachwekkend dan het lijkt. De Groningse sportpsycholoog Mark Schuls begeleidt tientallen sporters, van powerlifters tot bridgespelers. En hij merkt dagelijks hoe - ogenschijnlijk zinloze - rituelen de sporter rust en zelfvertrouwen geven. 'En zelfvertrouwen, vooral vertrouwen in de eigen bekwaamheid, is gelieerd aan goede prestaties', zegt Schuls. En dus heeft de sportpsycholoog er geen problemen mee als zijn cliënten per se aan hun oorlel willen trekken voor een vrije worp. Of als ze altijd als eerste de grasmat willen betreden. 'Hoewel dat laatste voor problemen kan zorgen, als er nóg een speler is die dat wil.'

Bijgeloof komt voort uit conditionering. En niet alleen mensen zijn er mee behept. De Amerikaanse psycholoog Fred Skinner toonde dat aan met zijn wereldberoemde duivenexperiment. Hij stopte hongerige duiven in een kooitje met een voedermachine die volautomatisch voer aanleverde. De vogels hadden geen enkele controle over wanneer er eten kwam, maar ze gedroegen zich alsof dat wel zo was. De ene vogel wiebelde met zijn kop, de ander stak zijn kop in hoekje van de kooi en weer een andere draaide rondjes om zijn as.

Ze herhaalden de bewegingen die ze toevallig maakten tijdens het eerste voedermoment en hoopten zo nieuwe voedselrondes af te dwingen. Ze werden net zo bijgelovig als Ghanese voetballers die over de voetbal urineren. Of Serena Williams die haar sokken niet wast tijdens een toernooi.

Bijgeloof is een manier om grip te krijgen op een onzekere, onvoorspelbare wereld door verbanden te leggen die er niet zijn. Dat weten de meeste topsporters diep van binnen ook wel. Toch biedt het een gevoel van controle waardoor de stress vermindert en het geloof in eigen kunnen wordt versterkt. En zo leidt bijgeloof indirect tot betere prestaties, denken sportpsychologen.

null Beeld Gregorio Borgia / AP
Beeld Gregorio Borgia / AP
Rafael Nadal. Beeld ap
Rafael Nadal.Beeld ap

In de topsport is bijgeloof dan ook wijd verbreid. Dat ontdekte de Amsterdamse hoogleraar psychologie Paul van Lange van de Vrije Universiteit in 2006. Acht op de tien topsporters doen er aan. Hoe belangrijker het toernooi en hoe krachtiger de tegenstander - des te meer de sporters hangen aan hocus pocus om de onzekerheid de baas te blijven. Ten slotte speelt ook persoonlijkheid een rol, benadrukt Van Lange. 'Mensen die het gevoel hebben dat ze hun zege zelf in de hand hebben, zijn minder bijgelovig.'

Van Lange denkt dat bijgeloof kan werken als een psychologisch placebo. 'Als de sporter denkt dat een polsbandje of een oranje onderbroek de kans op een zege vergroot, werkt het waarschijnlijk ook zo. En werkt het tegen hem als het ritueel niet vertoond kan worden, omdat het de onzekerheid vergroot.'

Net als de meeste sportpsychologen vindt Van Lange het 'zeer aannemelijk' dat zelfvertrouwen de prestaties opkrikt. Hij verwijst, in het dunne stapeltje wetenschappelijk onderzoek over dit thema, naar een Amerikaans experiment uit 1986 waarbij basketbalspelers twintig vrije worpen moesten nemen. Tien mét daaraan voorafgaand het bijgelovige ritueel dat ze gewend waren, en tien zonder.

null Beeld Gregorio Borgia / AP
Beeld Gregorio Borgia / AP

De worpen mét gingen (ietsjes) vaker in de basket. Maar waarom? Dat blijft speculeren. Het onderzoek verstoorde de normale routine, en dat kan ten koste van de concentratie gaan, schrijven de onderzoekers Wassermann en Lobmeyer. Maar ze vinden het waarschijnlijker dat vaste gewoontes - al hebben ze aantoonbaar geen nut - goed zijn voor het zelfvertrouwen en dus voor de prestatie.

Ook Keulse onderzoekers vonden in 2010 een positief effect van bijgeloof op prestaties. Een dertigtal studenten moest golfballetjes slaan. De deelnemers die te horen kregen dat zij met een 'geluksballetje' mochten 'putten' haalden een hogere score dan de controlegroep die een 'gewoon' balletje kreeg. In een tweede experiment moesten proefpersonen, die een geluksvoorwerp koesteren, een anagram maken. Het anagram werd een stuk sneller opgelost door deelnemers die hun mascotte bij zich mochten houden dan door de deelnemers die hun talisman eventjes moesten afstaan en niet op tijd terugkregen. De deelnemers mét talisman scoorden trouwens ook hoger op vragenlijsten die het zelfvertrouwen in kaart brachten.

Balansbandjes

In 2010 droegen bijna alle spelers van het Nederlands voetbalelftal balansbandjes tijdens het WK in Zuid-Afrika. Het bandje zou dankzij twee ingebouwde hologrammen de natuurlijke energie-stromen in het lichaam optimaliseren waardoor de drager meer evenwicht, kracht, lenigheid en uithoudingsvermogen kreeg. De fabrikant moest snel erkennen dat de claims nergens op stoelden. De bedenkers van het bandje verloren alle rechtszaken ter wereld. Maar de bandjes zijn nog steeds te koop voor 19,95 euro. In Nederland verloren ze hun aantrekkings-kracht nadat Nederland in Zuid-Afrika de finale tegen Spanje had verloren.

Helaas werd deze laatste studie begin dit jaar ontmaskerd als 'te mooi om waar te zijn'. De statistiek deugde van geen kanten. 'Psychologen die de kracht van bijgeloof willen aantonen, moeten vooral flink duimen, sneerden critici op de Replicability-index, een website over wetenschappelijke integriteit.

Eerlijk is eerlijk, de relatie zelfvertrouwen en prestatie is lastig te meten. De Amerikaanse psycholoog Roy Baumeister heeft zijn pogingen gestaakt omdat het te weinig opleverde. Leerlingen die blaken van zelfvertrouwen, halen geen hogere cijfers op school. Zelfverzekerde pubers gaan net zo goed roken, drugs gebruiken of (overmatig) drinken en de criminaliteit in als onzekere pubers. Dat staat haaks op het idee achter veel zelfhulpboeken dat een positief zelfbeeld doorwerkt op vele terreinen. Een quasi-religie, vindt Ger Post, docent cognitieve neurowetenschappen aan de Universiteit van Amsterdam. 'Het lijkt er eerder op dat een goede prestatie voor meer zelfvertrouwen zorgt dan andersom', schrijft hij in zijn boek Stalen Zenuwen.

Wie bijgeloof ziet als een 'schietgebedje' door ongelovigen - onder het motto: baat het niet dan schaadt het niet - heeft het mis. Rituelen kunnen verslavend werken. In die zin dat je er steeds meer van nodig hebt om hetzelfde effect te bereiken. De rituelen beslaan soms een hele dag van Teletubbies kijken na het opstaan tot en met dezelfde parkeerplek, dezelfde douche en altijd hetzelfde menu in hetzelfde restaurant met vissoep, lamsvlees en ijs met chocoladesaus - in het geval van de Kroatische tennisser Goran Ivanisevic.

Als de rituelen meerdere uren in beslag nemen, kan er sprake zijn van 'ziekelijk gedrag', zei de Amsterdamse psychiater Damiaan Denys onlangs tegen het blad Skepter. Zo vermoedt hij dat tennisser Rafael Nadal gebukt gaat onder de pakweg tien rituelen voor en twintig rituelen tijdens de wedstrijd. De sokken moeten gelijk opgetrokken worden, bij iedere baanwissel neemt hij uit twee flesjes een slokje, de flesjes moeten met de etiketten richting zijn baseline staan en hij stapt altijd met zijn rechtervoet over de witte streep - nooit erop. Dat begint op een stoornis te lijken, iets wat Nadal overigens ontkent. Hoe dan ook is het lastig je van dit soort dwangmatige handelingen - en de gedachten erachter - te bevrijden. Zeker voor een sporter die immers denkt dat hij zonder dat geen triomfen kan vieren.

Het lukte langebaanschaatser Carl Verheijen wel. Hij werd mesjogge van zijn dwangmatige rituelen (dezelfde sokken, dezelfde onderbroek, een vast patroon van hupjes en sprongetjes bij de warming-up). Elke kleine verandering of onderbreking van de rituelen zat hem dwars. Toen hij overstapte naar de schaatsploeg van Gerard Kemkers zette hij die benauwende gewoonten bij het grof vuil. Hij voelde zich bevrijd. En hij werd op zijn 25ste wereldkampioen op de 10.000 meter. En in de tien jaar daarna werd hij dat nog vier keer.

En seks dan?

Veel topsporters hebben voorafgaand aan een belangrijke wedstrijd geen seks. Dat zou te veel energie aftappen, dacht bijvoorbeeld Muhammad Ali. Van Lance Armstrong wordt gezegd dat hij geen seks had tijdens de Tour. Voetballer Ronaldo ziet seks voor de wedstrijd juist als een voorwaarde voor succes. Doordat seks ontspant en nieuwe energie geeft. Wie heeft er gelijk? Van seks krijg je meer testosteron. En hoe meer testosteron sporters in hun bloed hebben, des te agressiever, sterker en gretiger ze zijn om te zegevieren. Dat seks energie aftapt, is bijgeloof. Seks voor de wedstrijd kan geen kwaad. Er zijn wel een paar mitsen en maren. Liever niet te kort vóór de wedstrijd. Mannen zijn na de daad korte tijd slap en slaperig. Dat kan wel een uur of twee duren. Voor vrouwen geldt die beperking niet. Voor mannen én vrouwen geldt: het moet niet al te heftige seks zijn. Want te veel testosteron remt de prestaties.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden