Neurowetenschappen Telefoonverslaving

Bij elk bericht op je telefoon een shotje dopamine in het brein? ‘Dit effect is nog nooit onderzocht’

Beeld Eline van Strien

Het is het shotje dopamine dat vrijkomt in het brein die ons als verslaafden naar de telefoon doet grijpen bij elk pingeltje. Dat lees je overal. Zou het kloppen? Neurowetenschappers zijn allesbehalve overtuigd.  

Ik lig vastgesnoerd in een soort tandartsstoel en vraag me af waaraan ik ben begonnen. Uren is het team neurochirurgen al met me in de weer. Met kleine titanium schroeven bevestigden ze een frame aan mijn schedel, om mijn hoofd perfect stil te kunnen houden. Met de grootste zorg boorden ze een gaatje in het bot – dat geluid! – waarna het team voorzichtig een flinterdunne elektrode naar binnen duwde, millimeter voor millimeter, terwijl onderzoeksleider Tommy Pattij (VU Amsterdam) me voortdurend vragen stelde, om te controleren of de elektrode wel de juiste route aflegde door mijn brein.

En nu, eindelijk, zit de elektrode op de juiste plek. Helemaal onder in mijn brein, in een gebiedje genaamd het ‘ventrale tegmentale gebied’. ‘Je weet zeker dat je hiermee wilt doorgaan?’, informeert Pattij, meer als mededeling dan als vraag. Hij loopt weg, pakt een speciaal voor het experiment geprepareerde smartphone en stuurt me een appje.

‘Ping!’, doet de telefoon in mijn zak, duidelijk hoorbaar voor iedereen.

Kijk: zo gaat dat dus niet. Natuurlijk niet. ‘Het zou langs geen enkele ethische commissie komen’, zegt neurowetenschapper Pattij, gewoon vanuit zijn kantoor. ‘Het effect van appjes is op dit niveau in het brein nog nooit bij mensen onderzocht’, weet ook Ingo Willuhn, groepsleider bij het Nederlands Herseninstituut in Amsterdam. ‘En proefdieren hebben geen smartphones.’

Raar. Want al jaren lees je overal: wie een berichtmelding ontvangt op de telefoon, krijgt prompt een shot genot in het brein, in de vorm van een hormoon genaamd dopamine. Minstens vijftienhonderd keer werd die bewering de afgelopen jaren met grote stelligheid herhaald in allerlei bladen en kranten, leert een blik in het internationale media-archief Nexis.

Ook in Nederland. ‘Door bezig te zijn op de smartphone maken mensen een golfje van het gelukshormoon dopamine aan, dezelfde stof die vrijkomt bij sporten, seks of xtc-gebruik’, noteerde mediajournalist Wouter van Noort in NRC. ‘Facebook weet precies hoe je met likes kunt zorgen voor kleine scheutjes dopamine in het brein’, aldus filosoof Elize de Mul in Trouw. ‘Apps worden ontworpen om steeds weer shotjes dopamine in de hersenen te triggeren’, schreef ook onze technologieredacteur Laurens Verhagen (‘Ik ging ervan uit dat het een vaststaand feit was’, zegt hij achteraf).

Maar als het bij de mens nooit is onderzocht, hoe weet iedereen dan zo zeker dat ‘elk berichtje een shotje dopamine oplevert’ (Het Parool) en ‘je hersenen bij elke like een shot van het geluksstofje dopamine krijgen’ (NOS)? En zou het wel kloppen? Een mens krijgt toch ook geregeld berichtjes die helemaal niet leuk of genotvol zijn?

Een ‘shot dopamine’, die woordkeuze alleen al. Alsof hier sprake is van een harddrug die per injectienaald wordt toegediend aan het brein.

Voor een deel is dat toeval. Dopamine, ontdekt in 1957, is een van de ongeveer twintig boodschappermoleculen in het brein en dankt zijn naam aan het simpele feit dat het een afkorting is van de chemische stofnaam ‘dihydroxyphenylalanine’ (D-O-P-A). Het hersenhormoon is daarvan weer een ‘amine’. D-O-P-amine dus. Maar frappant is de overeenkomst met ‘dope’, in het Engelse taalgebied al sinds de 19de eeuw straattaal voor drugs.

En dan heeft dopamine nog te maken met de geneugten des levens ook. In de jaren tachtig ontdekte Wolfram Schultz, destijds verbonden aan de Universiteit van Freiburg, dat apen die een smakelijk stukje appel krijgen aangeboden extra dopamine aanmaken (de apen kregen wél een elektrode in hun genotsgebied).

Talloze experimenten waarbij men ratten, muizen, honden en apen voerde met drank, drugs en ander lekkers volgden. In een bizarre reeks experimenten liet een Canadees team ratten bijvoorbeeld zelf direct de elektrode bedienen die hun dopaminegebied prikkelde. De dieren verkozen het knopje van de elektrode boven eten en seks: waarom moeilijk doen als het makkelijk kan, nietwaar? Het bezorgde dopamine olijke bijnamen als ‘gelukshormoon’, ‘genotstof’ en ‘plezierbrenger van het brein’.

Totdat Schultz in 1997 aantoonde dat het subtieler zit. In een beroemd experiment maakte hij hard dat dopamine niet zozeer te maken heeft met de beloning – het genot achteraf – maar juist met de verwachting vóóraf. Ratten waarbij het dopaminecircuit met heftige chemicaliën is gesaboteerd, eten nog wel met smaak voedsel dat je in hun bekje stopt; ze komen alleen niet meer op het idee om er zelf naar op zoek te gaan. ‘Dopamine is geen genotshormoon. Dat is een groot misverstand’, zegt Willuhn. ‘De stof heeft te maken met de verwachting van een beloning, en met de respons van het iets willen.’

Het eten is klaar, en dopamine is het stofje dat de hersenen in beweging prikkelt: zin in! ‘Als je het zo bekijkt, dringt de vergelijking met smartphones zich inderdaad als vanzelf aan je op’, vindt Willuhn. ‘Je krijgt een berichtje, en opeens heb je je telefoon in je hand, helemaal vanzelf.’

Maar of dat echt wel zo magisch is? Zsuzsika Sjoerds, neuropsycholoog in Leiden, vindt van niet. ‘Je ziet je telefoon oplichten. Natuurlijk gebeurt er dan iets in je brein’, zegt ze. ‘Waarschijnlijk komt er dopamine vrij. Maar ook een heleboel andere neurotransmitters die te maken hebben met de perceptie, alertheid, cognitieve controle en beweging. Noradrenaline, adrenaline, acetylcholine, serotonine; ga zo maar door.’

Niks bijzonders natuurlijk. Gebeurt vast ook als het stoplicht op groen gaat, iemand vraagt of je nog koffie wilt of als de nieuwe Donald Duck op de deurmat valt. Maar ja. Verpest nooit een goed verhaal. Een stof met een naam die klinkt als een harddrug en die reageert als er om ons heen iets knippert, zoemt, tingelt of te eten valt; een krachtiger zinnebeeld om te waarschuwen tegen de gevaren van techniek is er niet.

Al in de jaren negentig begonnen de eerste verwijzingen naar dopamine op te duiken. Dopamine zou de drug zijn die ons verslingerd maakt aan computergames, heette het destijds nog. En na de eeuwwisseling, toen het e-mailverkeer explodeerde: dopamine is de stof die maakt dat we maar niet van onze e-mails kunnen afblijven. Of nee: dopamine maakt dat we maar doorgaan met surfen op internet, betoogde gedragspsycholoog en tech-ontwerper Susan Weinschenk in Neuro Web Design: What Makes Them Click? (2008), een van de eerste boeken die het verband tussen dopamine en techniek populariseerde.

Waarna de schrijvende Canadese psycholoog Daniel Levitin, weer een generatie gadgets verder, het verhaal van stal haalde om uit te leggen waarom we zo verslingerd zijn aan smartphones, likes en apps. ‘Elk berichtje bezorgt je een shot dopamine, als je limbische systeem het uitschreeuwt: Meer! Meer! Geef me meer!’, zoals hij verwoordde in de bestseller The Organized Mind: Thinking Straight in the Age of Information Overload (2014).

Het is een manier van denken waarbij zelfs de experts al gauw over menselijk gedrag praten alsof het hier om een muis in een kooitje gaat. ‘We worden beloond als we een piepje op onze telefoon horen’, zoals RTL Nieuws onlangs hoogleraar ontwikkelingspsychologie Eveline Crone aan het woord liet. ‘Dopamine laat ons zoeken, dan worden we beloond, en dat laat ons nog harder zoeken’, in Weinschenks woorden. Dat de geleerd klinkende term die ze daarvoor introduceert  ‘dopamine-geïnduceerde lussen’ – in de vakliteratuur niet voorkomt: je zou het haast vergeten.

Maar terwijl hersenwetenschap en neurofantasie steeds meer in elkaar overvloeien, is er één plek waar het verhaal pas echt resoneert: in Silicon Valley zelf. ‘Nergens ter wereld wordt de naam dopamine zo routineus genoemd als hier, waar het wordt vereerd als de geheime saus die ervoor zorgt dat een app, spel of sociaal platform mensen boeit – investeerderswoord voor ‘mogelijk winstgevend’’, signaleerde de Britse techjournalist Simon Parkin vorig jaar.

Beeld Eline van Strien

Dopamine, die magische knop die techneuten de macht geeft om mensen te veranderen in willoze zombies; zo stellen ze zich dat in Silicon Valley althans voor. Hoor de hubris bij Facebook-oprichter Sean Parker, die anderhalf jaar geleden opeens openlijk spijt stond te betuigen over Facebook, want ‘God weet wat het doet met de hersenen van onze kinderen’. Techondernemers zoals hij zouden ‘een kwetsbaarheid in de menselijke psychologie gijzelen’, betoogde Parker. ‘We geven je geregeld een shotje dopamine, omdat iemand een foto of een post liket of becommentarieert’, lamenteerde de topman.

De industrie die, net als de tabaksboer, het willoze brein injecteert met verslavende stoffen: het is een beeld dat er ook bij de critici prima in gaat. ‘Techbedrijven snappen hoe je dopaminepieken in het brein opwekt’, noteerde New York Times-columnist David Brooks in een zwartgallig commentaar dat de wereld rond ging. ‘Ze voorzien hun producten van gijzeltechnieken die ons naar binnen zuigen, en creëren ‘compulsielussen’ om ons vast te houden.’

Hoogleraar filosofie van de neurowetenschap Gerrit Glas (VU Amsterdam) herkent het jargon: het is typisch de manier waarop vooral Amerikaanse psychiaters over verslaving praten. ‘Gegijzeld, dat woord gebruikt men daarbij steeds. Men schetst de verslaving als een auto met het gaspedaal ingedrukt, het stuur ontregeld en een rem die het niet doet. Om te benadrukken: je bent een willoos slachtoffer.’

Onzin natuurlijk, zegt ook verslavingsdeskundige Tommy Pattij. ‘Het is logisch dat dopamine een zekere rol speelt’, denkt hij. ‘Maar ik denk niet dat er enige evidentie is dat mensen op hun telefoon zitten omdat dopamine de aanstichter is. Volgens mij heeft dat meer te maken met gewoonten, met verveling en de beschikbaarheid van je telefoon. Vroeger zat iedereen in de trein de krant te lezen: kwam dat ook door dopamine?’ Als er echt sprake zou zijn van een verslaving, merkt hij op, zou er bovendien gewenning optreden. We zouden steeds hardere pingels en zoemtonen nodig hebben, om in actie te komen.

Zo wordt de neurowetenschap een stok om de hond te slaan, een geleerd klinkende manier om te zeggen: doe die telefoon nou eens weg. En, voor ontwikkelaars: een zaak van gewichtigdoenerij. Wat zijn we toch machtig hè, dat we zelfs de ultieme computer, het brein, kunnen hacken? ‘Er zitten allerlei interessante normatieve betekenissen achter dit soort interpretaties van de neurowetenschap’, vindt Glas. ‘Zie je wel dat we verslaafd raken? Zie je dat we er iets aan moeten doen?’

‘Neurorealisme’, noemt Glas dat: ‘De opvatting dat sociaal gedrag pas echt bestaat als er een breincorrelaat van is. Dat correlaat gaat dan fungeren als een soort bewijs: we moeten iets doen met gedragsafwijkingen, als die in het brein zichtbaar worden.’ Een manier van kijken die gemakkelijk leidt tot medicalisering, waarschuwt hij, en tot ‘veronachtzaming van sociale en psychologische determinanten van gedrag’.

In de kantine van haar faculteit somt Sjoerds intussen op wat er zoal in het brein gebeurt als we een appje krijgen. De zintuigen activeren, het brein schiet uit de ‘default modus’, er is een oriëntatiereflex, motoracties komen op gang, taalgebieden floepen aan, en ja, ook dopamine is in die cascade van signalen en reacties een van de radertjes dat begint te draaien.

Maar niet meer dan dat, waarschuwt ze. ‘Mensen horen graag: hier is één stofje, en daardoor ontstaat gedrag. Maar in werkelijkheid zijn we complexe wezens, vol gedachten en doelen en beweegredenen. Je telefoon pakken, dat doe je volgens mij vaak vooral uit gewoonte.’

Drie broodjes techno-aap

Over onze snufjes doen talloze gevleugelde uitspraken de ronde, de een nog uitzinniger dan de ander. Maar kloppen ze wel?

1 ‘We hebben een kortere aandachtsspanne dan een goudvis’

24 duizend resultaten op Google

De mythe: ‘De gemiddelde aandachtsspanne van een goudvis is 9 seconden, maar tegenwoordig verliezen mensen hun concentratie al na 8 seconden, wat aangeeft welke effecten onze digitale leefstijl heeft op het brein.’ (Time Magazine, 2015)

De feiten: Afkomstig uit een folder van Microsoft, waar men het als weetje van internet had geplukt. Lang voor het digitale tijdperk ging de 8 seconden ook al rond, als klacht dat mensen nog zo weinig concentratie hebben door de afleidingen van ‘televisie, fastfood en de dagelijkse postbezorging’. De goudvis verwijst naar een oude grap waarom het dier aldoor rondjes zwemt in de kom: hij zou zo’n beroerd geheugen hebben dat hij bij ieder rondje alles weer als nieuw ziet.

2 ‘We openen een mailtje op kantoor al binnen 6 seconden’

7.740 hits op Google

De mythe: ‘Gemiddeld duurt het zes seconden om een doorsnee e-mailtje te bekijken nadat het is binnengekomen in het postvak-in.’ (Business Insider, 23 maart 2017)

De feiten: Gebaseerd op onderzoek van 15 werknemers van een Brits ict-bedrijf. Het onderzoek wees uit dat ‘slechts’ tweederde van de e-mails binnen 6 seconden werd geopend: de gemiddelde duur was 2 minuten. Bovendien checkt een ict-bedrijf zijn mail wellicht vaker dan elders. Niettemin werd het verhaal gepopulariseerd door marketingpsycholoog Adam Alter in zijn boek Superverslavend.

3 ‘Een smartphone in de broekzak maakt de man onvruchtbaar’

62.900 hits op Google

De mythe: ‘Het is slecht voor je gezondheid om je telefoon op of vlak tegen je huid te dragen. Bij mannen kan de straling de vruchtbaarheid verminderen.’ (Libelle, 29 juli 2019)

De feiten: Terugkerend verhaal, dat lijkt te zijn begonnen in 2012 met een Argentijns medisch experiment waarbij men verminderde beweeglijkheid van zaadcellen meldde na vier uur laptoppen. Maar het Argentijnse onderzoek werd al direct zwaar bekritiseerd omdat het rammelt. Bovendien hebben radiogolven niet genoeg energie om zaadcellen te beschadigen, stelden Franse onderzoekers in reactie op het Argentijnse stuk.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden