Bestond de kerstster echt?

Geloof in de astronomie

Het is een van de bekendste verhalen uit de Bijbel: hoe de Ster van Bethlehem de Wijzen uit het Oosten naar de kribbe van Jezus leidt. Maar schitterde er tweeduizend jaar geleden echt iets aan de hemel, zoals veel sterrenkundigen denken?

Aanbidding van de Wijzen (ca. 1305), Giotto ca. (1266-1337) Foto .

'Toen nu Jezus geboren was te Bethlehem in Judéa, in de dagen van koning Herodes, zie, wijzen uit het Oosten kwamen te Jeruzalem, en vroegen: Waar is de Koning der Joden, die geboren is? Want wij hebben zijn ster in het Oosten gezien en wij zijn gekomen om Hem hulde te bewijzen.'

Het staat er gewoon - Mattheüs 2 vers 1 en 2. En wat verderop, in vers 9, nog een keer: '... en zie, de ster die zij hadden gezien in het Oosten, ging hun voor, totdat zij kwam en stond boven de plaats, waar het kind was.'

Wijzen

Wie waren die mysterieuze wijzen? En wat hebben ze gezien? Astronomen breken zich daarover al decennialang het hoofd. Vrijwel elk sterrenkundig verschijnsel is weleens geopperd als mogelijke verklaring voor de Ster van Bethlehem: een vuurbol, een meteorenregen, een supernova-explosie, een komeet, een planeetsamenstand, en ga zo maar door.

De drie Wijzen uit het Oosten met de ster van Bethlehem: verzinsel (theologen) of een beetje waar (sterrenkundigen)? Foto .

Maar historici, taalkundigen en godsdienstwetenschappers moeten er niets van hebben. 'Hobbyisme van astronomen', aldus Mladen Popovic, hoogleraar Oude Testament en het vroege jodendom aan de Rijksuniversiteit Groningen. Mattheüs was een spindoctor van het christendom; het verhaal van de kerstster niet meer dan slimme propagandistische fictie.

Best gek eigenlijk: de alfawetenschappers houden er een nuchtere visie op na en beperken zich tot de kale feiten; de bèta's komen op de proppen met speculatieve en onbewijsbare verklaringen voor een sprookjesachtig verhaal uit een boek van bijna twintig eeuwen oud. Maar ja, zegt Ster van Bethlehem-expert David Hughes, je kunt als astronoom moeilijk zeggen dat je er geen mening over hebt.

Samenstand van de planeten

Hughes gaf in de jaren zeventig college aan de Universiteit van Sheffield; zijn studenten vroegen hem wat de Wijzen uit het Oosten tweeduizend jaar geleden gezien konden hebben. 'Dan duik je er dus in. Het onderwerp heeft me sindsdien niet meer losgelaten.'

Na twee publicaties in Nature werd hij door een Britse uitgever benaderd: wilde hij er geen boek over schrijven? 'Het voorschot bedroeg ongeveer de helft van mijn jaarsalaris', grinnikt Hughes. 'Ik begon direct mijn potloden te slijpen.'

The Star of Bethlehem Mystery verscheen in 1979; de auteur was elk jaar rond Kerst weer een graag geziene talkshowgast. En keer op keer verkondigde hij hetzelfde evangelie: de Ster van Bethlehem was hoogstwaarschijnlijk een spectaculaire drievoudige samenstand van de planeten Jupiter en Saturnus in het jaar 7 voor Christus.

Bij een drievoudige samenstand staan de twee planeten maandenlang dicht bij elkaar aan de nachtelijke hemel en passeren ze elkaar drie keer op kleine onderlinge afstand. Samenstanden van Jupiter en Saturnus komen ongeveer eens in de twintig jaar voor, steeds in een ander Dierenriemsterrenbeeld. De beroemde Duitse astronoom Johannes Kepler was in 1604 getuige van zo'n drievoudige 'grote conjunctie'. Die werd nog eens extra opgeluisterd doordat er in september van dat jaar in hetzelfde deel van de sterrenhemel een 'nieuwe ster' opvlamde - een supernova. Volgens Kepler - die nog met één been in de astrologische traditie stond - was de nieuwe ster misschien wel door de planeetsamenstand veroorzaakt.

Supernova

In zijn boek De vero anno (1614) beschrijft Kepler zijn ideeën over de relatie tussen de planeetbewegingen en de geboorte van Jezus. De twaalf tekens van de Dierenriem zijn verdeeld in vier groepen van drie, elk met hun eigen 'karakter' - aarde, lucht, water en vuur. Tweehonderd jaar lang vinden de samenstanden van Jupiter en Saturnus steeds in tekens van dezelfde groep plaats. Eens in de achthonderd jaar is er weer voor het eerst een grote conjunctie in een vuurteken. Dat was in 1604 het geval, maar ook rond het begin van onze jaartelling. Hij schrijft het nergens, maar wellicht heeft Kepler gedacht dat die planeetsamenstand toen ook een 'nieuwe ster' voortbracht.

Mogelijk was de Ster van Bethlehem dus geen planeetsamenstand, maar een supernova. Zo'n sterexplosie kan maandenlang zichtbaar zijn, zoals onder andere bleek in 1006, 1054, 1572 en 1604. En er is nog een derde verklaring voor de kerstster: een komeet. De Italiaanse schilder Giotto di Bondone liet zich begin veertiende eeuw voor zijn fresco over de Aanbidding der Wijzen zelfs inspireren door een verschijning van de komeet Halley in 1301.

Elk jaar rond Kerst zijn er in planetaria over de hele wereld filmvoorstellingen over de Ster van Bethlehem waarin deze mogelijkheden de revue passeren. Meestal wordt de planeetsamenstand als beste kandidaat gepresenteerd. Al was het maar omdat je daarvan zeker weet dat hij ook echt heeft plaatsgevonden - de posities van de planeten zijn exact te berekenen, ook duizenden jaren in het verleden.

Over het jaar nul

Onze westerse kalender heeft de geboorte van Jezus als startpunt. Je zou dan ook verwachten dat die geboorte in het jaar 0 plaatsvond. Dat jaar heeft echter nooit bestaan: na het jaar 1 vóór Christus volgt meteen het jaar 1 ná Christus. Bovendien is er lang geleden ooit een rekenfout gemaakt, waardoor in ieder geval vaststaat dat Jezus enkele jaren voor het begin van onze jaartelling ter wereld kwam.

Niemand weet precies wanneer. De twee geboorteverhalen (van de evangelisten Mattheüs en Lucas) zijn qua chronologie met geen mogelijkheid met elkaar in overeenstemming te brengen. Het aannemelijkst is dat het Kerstverhaal zich afspeelde in het jaar 5 of 6 v.Chr., in het voorjaar (de herders waren immers buiten met hun lammeren).

Overigens is het verhaal van de Aanbidding der Wijzen in de loop van de eeuwen steeds verder verfraaid. Vrijwel iedereen kent wel de afbeeldingen waarop de drie wijzen (Melchior, Balthasar en de zwarte Caspar) op hun dromedarissen in Bethlehem arriveren. Maar Mattheüs - de enige die het verhaal vertelt - rept met geen woord over dromedarissen; dat er drie wijzen waren, is in de Bijbel ook niet terug te vinden, en namen hebben ze in het evangelie al helemaal niet.

Foto Aanbidding van de Magiërs (1624, Abraham Bloemaert (1564-1651)

Twijfelachtig

Maar als je er wat verder induikt, blijkt het allemaal veel ingewikkelder te liggen, vertelt Aaron Adair. De Amerikaanse natuurkundige kwam jaren geleden met het onderwerp in aanraking via zijn studentenbaantje bij een planetarium in Michigan. Inmiddels heeft hij er zelf een 'skeptisch' boek over geschreven. Mattheüs' verhaal over de geboorte van Jezus zit vol onwaarschijnlijke details en tegenstrijdigheden.

'Je moet niet proberen er iets historisch uit af te leiden', aldus Adair. 'Geen enkele Bijbelgeleerde heeft het verhaal de laatste vijftig jaar serieus genomen en daar zijn goede redenen voor.' Zo is het bijvoorbeeld op z'n minst heel opmerkelijk dat de evangelisten Marcus, Lucas en Johannes het nergens over de kerstster hebben. Ook in andere historische bronnen vind je niets over het mysterieuze hemelverschijnsel.

Astronomen laten zich echter niet zo snel uit het veld slaan. Zo kwam Michael Molnar - tot zijn pensioen verbonden aan de Rutgers-universiteit in New Jersey - enige tijd geleden met een verrassende nieuwe theorie. Molnar was oude Romeinse munten uit Antiochië op het spoor gekomen, waarop een maansikkel en een ster zichtbaar zijn in het sterrenbeeld Ram. Na wat speurwerk ontdekte hij dat er op 17 april in het jaar 6 voor Christus een bijzonder verschijnsel heeft plaatsgevonden in de Ram: de heldere planeet Jupiter werd door de smalle maansikkel bedekt. De andere planeten stonden overigens ook in de buurt.

Klein minpuntje: de bedekking was niet zichtbaar, want Jupiter en de maan stonden vlak bij de zon aan de hemel. Maar Molnar denkt dat Babylonische astrologen de unieke groepering konden voorspellen op basis van berekeningen en dat ze er veel belang aan toegekend moeten hebben. Jupiter was voor de Babyloniërs de 'koningsplaneet', genoemd naar de oppergod Mardoek. En Molnar haalt een historische bron aan waaruit blijkt dat het sterrenbeeld Ram geassocieerd was met de Romeinse provincie Judéa. Oosterse sterrenwichelaars zouden het hemelteken volgens hem dan ook geïnterpreteerd hebben als een aankondiging van de geboorte van een Koning der Joden. Anders gezegd: de Ster van Bethlehem was een astrologische horoscoop.

Astronomische verklaringen

Vrijwel elk sterrenkundig verschijnsel is weleens geopperd als mogelijke verklaring voor de Ster van Bethlehem: een vuurbol, een meteorenregen, een supernova-explosie, een komeet, een planeetsamenstand, en ga zo maar door.

Oude Chinese en Koreaanse kronieken maken rond de geboorte van Jezus evenwel geen melding van opvallende 'gaststerren' (de oude oosterse benaming voor supernova's) en 'bezemsterren' (kometen). Zulke verschijnselen werden bovendien in vrijwel elke cultuur als slechte voortekenen beschouwd, en niet als de aankondiging van de geboorte van een koning.

Of er ruim tweeduizend jaar geleden een supernova of een komeet zichtbaar was, valt niet met zekerheid te achterhalen. Maar van planeetsamenstanden kun je exact berekenen wanneer ze plaatsvonden. Soms kunnen twee planeten aan de hemel zo dicht bij elkaar staan dat ze nauwelijks afzonderlijk te zien zijn. Dat gebeurde bijvoorbeeld op 17 juni in het jaar 2 v.Chr., toen Jupiter en Venus extreem dicht bij elkaar aan de hemel stonden (een soortgelijke nauwe conjunctie vindt ook komend jaar plaats, op 30 juni).

Van planeten is bekend dat ze een belangrijke rol speelden in astrologische voorspellingen. Voor de hypothese dat de Ster van Bethlehem een - al dan niet zichtbare - planeetsamenstand was, bestaat echter geen overtuigend bewijs; dat blijft dus een kwestie van geloof en overtuiging.

Hoewel Molnar zelf niet aanwezig kon zijn, stond zijn theorie centraal tijdens een bijzonder tweedaags Ster van Bethlehem-colloquium, dat op 23 en 24 oktober in Groningen georganiseerd werd ter gelegenheid van het 400-jarig bestaan van de Rijksuniversiteit. Doel: onderzoeken of er een multidisciplinaire consensus te bereiken is over de ware aard van die mysterieuze ster uit het Mattheüs-evangelie.

Initiatiefnemer en organisator was de Groningse astronoom Peter Barthel, die zijn enthousiasme over Molnars astrologische verklaring niet onder stoelen of banken steekt. 'Prachtig toch? Alles klopt!' Dat zijn collega's van de Faculteit Godgeleerdheid en Godsdienstwetenschap de Ster van Bethlehem afdoen als 'literaire fictie' zit hem dan ook niet lekker. 'Het verhaal is te mooi om niet waar te zijn', aldus Barthel.

Aanbidding van de Wijzen (ca. 1657), Bartolomé Murillo 1617-1682) Foto .

Onzin

Van een consensus lijkt evenwel geen sprake. Hoewel het er in de statige Senaatszaal van het Groningse Academiegebouw aan de Broerstraat heel beschaafd aan toegaat, maken de opgetrommelde historici, linguïsten en Midden-Oosten-deskundigen gehakt van Molnars ideeën.

Toegegeven, zegt klassiek filoloog Stephan Heilen van de universiteit van Osnabrück, de stand van de planeten op 17 april 6 v.Chr. vertoont alle kenmerken van een 'koninklijke horoscoop'. En ja, in oudtestamentische profetieën wordt de komst van de messias geassocieerd met een ster. Maar op vrijwel alle andere terreinen waarop astronoom Molnar zich begeeft, slaat hij de plank mis. Schoenmaker, blijf bij je leest, luidt de onuitgesproken boodschap van de alfawetenschappers.

Zo beweert Molnar te kunnen verklaren waarom de Ster van Bethlehem in Jeruzalem kennelijk aan niemand was opgevallen: er wás immers ook niets te zien, en de Joden deden niet aan astrologie.

Maar dat is onzin, zegt Mladen Popovic. Zijn wereldvermaarde onderzoek aan de Dode Zee-rollen - Popovic was curator van de Dode Zeerollententoonstelling vorig jaar in het Drents Museum in Assen - heeft uitgewezen dat er wel degelijk joodse astrologie bestond. Molnar beweert verder dat er onder de Joden kort voor het begin van onze jaartelling sprake was van een groeiende messiaanse verwachting, maar ook dat is volgens Popovic niet hard te maken.

Geen astrologen

Nog veel dubieuzer is het verband dat Molnar legt tussen het sterrenbeeld Ram en de landstreek Judéa. 'Die associatie wordt in oude geschriften zegge en schrijve één keer gelegd', aldus Heilen, 'in het astrologische boek Tetrabiblos van Claudius Ptolemaeus. Veel vaker wordt de Ram gekoppeld aan Syrië of Perzië. Als de Wijzen uit het Oosten sterrenwichelaars uit het Tweestromenland waren, en ze zouden de horoscoop geïnterpreteerd hebben als de aankondiging van de geboorte van een koning, was het dus logischer geweest als ze gewoon thuis waren gebleven. Molnar begeeft zich echt op heel dun ijs.'

Heilens collega John Steele, historicus aan de Amerikaanse Brown-universiteit, denkt er net zo over. 'In oude Mesopotamische bronnen vind ik geen enkele aanwijzing waarom astrologen op hun dromedaris zouden springen', grapt hij.

En nog iets: de 'wijzen' (magi in het Engels, afgeleid van het Griekse woord magoi) waren waarschijnlijk helemaal geen astrologen, zoals sterrenkundigen op basis van het Ster van Bethlehem-verhaal al tientallen jaren suggereren. 'Babylonische sterrenwichelaars bedienden zich nooit van die titel', aldus hoogleraar vergelijkende godsdienstwetenschappen Ab de Jong van de Universiteit Leiden. 'In andere bronnen kom je ze ook tegen; meestal is er dan sprake van zogeheten kingmakers - invloedrijke personen in oosterse koningshuizen die een belangrijke rol speelden bij de keuze voor de troonopvolging.'

Andere sterren

Of de Ster van Bethlehem echt heeft bestaan, zal wel altijd een mysterie blijven. Maar andere hemelverschijnselen hebben in ieder geval wel hun sporen nagelaten in ons cultureel erfgoed. Schrijvers en schilders worden al sinds mensenheugnis geïnspireerd door de sterrenhemel. Zo is komeet Halley niet alleen in 1301 vastgelegd in een beroemd fresco van Giotto, maar ook in het Tapijt van Bayeux over de Slag bij Hastings (1066). De Amerikaanse dichter Walt Whitman (1819-1892) schreef over een meteorenregen die in 1860 werkelijk plaatsvond. Vincent van Gogh schilderde eind negentiende eeuw niet alleen de Grote Beer, maar ook een echt waargenomen samenstand van de maansikkel en de planeet Venus. Een bijzondere ster die door William Shakespeare beschreven wordt in Hamlet (1603) zou de heldere supernova van 1572 zijn. De Amerikaan Howard Russell Butler liet zich inspireren door de zonsverduistering van 8 juni 1918. En het Zevengesternte is terug te vinden in de 35 duizend jaar oude rotstekeningen van Lascaux.

Veel interessanter dan de vraag wat de Ster van Bethlehem geweest kan zijn, is volgens De Jong de vraag waarom Mattheüs het verhaal in zijn evangelie opnam.

Daar heeft Mathieu Ossendrijver van de Von Humboldt-universiteit in Berlijn wel antwoord op. De hoogleraar wetenschapsgeschiedenis van de klassieke oudheid ziet sowieso geen enkele aanleiding om het verhaal van de Wijzen uit het Oosten serieus te nemen. Nee, Mattheüs heeft zich aan het einde van de eerste eeuw, toen hij zijn evangelie schreef, zeer waarschijnlijk laten inspireren door vergelijkbare verhalen uit de geschiedenis.

Zo werd de intocht van Alexander de Grote in Babylon in het jaar 331 v.Chr. opgeluisterd door magiërs, die hem met parfums en geschenken verwelkomden als nieuwe koning - dat lijkt verdacht veel op het 'goud, wierook en mirre' van de wijzen. Ook bij de kroning van de Armeense koning Tiridates I in het jaar 66 door keizer Nero in Rome speelden magoi een belangrijke ceremoniële rol.

En die ster dan? Die past mooi in de toenmalige overtuiging dat de geboorte en de dood van grote leiders wordt 'aangekondigd' aan het firmament.

Nuchtere theologen

De conclusie ligt dan ook voor de hand: Mattheüs heeft het Ster van Bethlehem-verhaal verzonnen om de geboorte van Jezus extra koninklijk cachet te geven, en daarmee meer autoriteit te verlenen aan het kersverse christendom. Daarbij speelde hij handig in op de bekende oudtestamentische profetieën, waarin de messias beschreven wordt als 'een ster die voortgaat uit Jacob'.

'Hoogstwaarschijnlijk was er dus sprake van religieuze en politieke propaganda', aldus de Groningse hoogleraar religiewetenschap Kocku von Stuckrad. Conclusie: sterrenkundigen kunnen wel inpakken met hun astronomische verklaringen. 'Astronomen gaan straks depressief naar huis', moppert een sikkeneurige David Hughes al aan het eind van dag één.

Blijft natuurlijk de vraag waarom astronomen zo veel moeite hebben met de professionele visie van onderzoekers die er echt verstand van hebben. Of heeft dat toch op de een of andere manier te maken met het feit dat het hier om een Bijbelverhaal gaat?

Organisator Peter Barthel is actief lid van de Maranathakerk in Bedum. Astrofysicus Heino Falcke uit Nijmegen, die uitgebreid over de Ster van Bethlehem-bijeenkomst blogde op zijn website, is lekenpredikant in de Lutherse Kerk. Deelnemer Dwight Hutchinson, sterrenkundige en auteur van het zoveelste Ster van Bethlehem-boek, is werkzaam in de evangelische beweging Youth With A Mission. David Hughes refereert tijdens de bijeenkomst aan zijn christelijk geloof; spreker Bradley Schaefer - astronoom en historicus - wil geen antwoord geven op de vraag naar zijn religieuze overtuiging, maar blijkt wel actief in de katholieke kerk in Baton Rouge, Louisiana.

Misschien is dat wel de opmerkelijkste constatering na het Groningse colloquium: dat de nuchterste kijk op de Ster van Bethlehem uit de hoek van de geschiedenis en de godsdienstwetenschap komt, en niet uit de hoek van de harde bèta's. De sterrenkundigen op de bijeenkomst blijken uiteindelijk net mensen, met een onstilbare hang naar mooie verhalen waar je gewoon in wilt blijven geloven. 'Het gaat nooit over', verzucht Popovic. 'Zodra Jezus om de hoek komt kijken, lijken sommige mensen hun gezond verstand te verliezen.'

Meer over