Beste David,

In zijn zojuist in een Nederlandse vertaling verschenen roman Jij bent mijn mes (Ambo, fl 49,50) laat de Israëlische schrijver David Grossman een man brieven schrijven aan een vrouw die hij slechts eenmaal terloops heeft gezien....

Michaël Zeeman

JA, DAT hebben wij mannen, dat wij soms een vrouw zien, vanuit onze ooghoeken, van wie we in een flits en volkomen redeloos weten: dat is haar, dat is de vrouw die het allemaal zou kunnen begrijpen, zonder al te veel omhaal van woorden, zonder al die rampzalige misverstanden die aan je uitspraken gaan kleven als teer aan je vingers. Zij is het - zij is het, die, zoals een Nederlandse dichter zegt, 'mij kan bedden in een grote zoete wijde rust'. 'En verder zoek ik niets meer, enkel vrede/ enkel vrede voor mijn wankel, uitgestreden/ en opstandig hart.'

Ze duikt even plotseling als terloops op aan de rand van je blikveld, tijdens een druk bezocht feest of op een receptie, en je weet het meteen: 'bij jou wil ik schuilen'. Een haarlok die wordt weggeschoven, een oogopslag, de manier waarop ze aandachtig naar iemand staat te luisteren: het gaat nog niet eens om een indringende of veelbetekende wisseling van blikken - dat zou al te veel zijn: dan is er immers al sprake van betekenis - maar om iets volkomen toevalligs en ogenschijnlijk onbeduidends. Het is er ineens, knalhard en volkomen ontregelend, maar wat het is, kun je niet zeggen: het is alles en niets tegelijk, het heeft nog geen welomschreven betekenis.

Ze passeert je op straat terwijl je net staat af te rekenen met een ober of een marktkoopman, of ze zit in een auto die in de file aan de andere kant van de vangrail staat. Als je de moed hebt jezelf belachelijk te maken en je haar achterna snelt, is ze steevast onvindbaar geworden. Opgelost in de menigte, onachterhaalbaar, voorgoed uitgewist - behalve in je geheugen.

Het verhaal van de Nederlandse schrijver Slauerhoff, 'Larrios', waarin hij vertelt hoe hij haar zag in de trein die stilstond naast de zijne, een trein die net vertrok toen hij zich naar het andere perron had gespoed, waarop hij radeloos ging zoeken in de steden die langs de spoorlijn van die trein lagen, deed je in de lach schieten. Je was er zo te zien jaloers op, zoals veel schrijvers jaloers zullen zijn op jou, als ze Jij bent mijn mes lezen. Die jaloezie komt, net als die enigszins nerveuze lach van jou, voort uit herkenning.

Wat een goed idee en wat mooi uitgewerkt! 'Ik zag je eergisteren op de schoolreünie', schrijf je al in de tweede alinea van je boek, in de eerste brief die Jaïr aan Mirjam richt. 'Jij zag mij niet, ik stond helemaal opzij, misschien wel in jouw dode hoek.'

Dat het om iets onmiddellijks gaat, dat niet kan worden verklaard, ja, dat niet mág worden uitgelegd simpelweg omdat het is, zonder woorden, zonder omslachtige toelichting, maakt Jaïr terecht meteen duidelijk: 'Als dit alles uitleg behoeft, heeft het geen zin en hoef je niet eens terug te schrijven, want dan heb ik me kennelijk in je vergist.' Daarom ook kon het gesprek dat wij maandagmorgen voerden bezwaarlijk bestaan uit mijn vragen en jouw antwoorden: had ik dergelijke vragen gehad, dan was het interview zinloos geweest, want dan zou gebleken zijn dat je boek aan mij niet besteed was geweest. Nee, het gaat juist om die redeloze herkenning.

Het is een motief dat in deze vorm al zo'n anderhalve eeuw opduikt in de literatuur. Wist je dat er zelfs al een boek is over deze passantes? Frans, vanzelfsprekend, want er is een mediterrane geest voor nodig om zo'n ineens opfladderend gevoel serieus te nemen. Het begint allemaal bij Charles Baudelaire, die in het gedicht 'A une passante' over haar schrijft. 'O pracht die mij ontglijdt,/ die met haar aanblik maakte dat ik werd herboren,/ zal ik je nimmer weerzien eer de eeuwigheid?' Ze is beslist iemand anders dan Dante's Beatrice of Petrarca's Laura - die hadden immers een naam, een adres en dus een man. Die passante is iemand zonder een naam, zonder geschiedenis: daar gaat het juist om. Dat ze 'Larrios' heette wist alleen Slauerhoff.

Met haar kun je opnieuw beginnen, met een schone lei, met kwijtschelding van de schuld die door de som van misverstanden tussen man en vrouw werd gevormd. Met haar is nog een verhouding mogelijk zoals die eigenlijk bedoeld was, met haar betekenen de woorden 'liefde', 'trouw' en 'tederheid' weer wat ze oorspronkelijk betekenden en schrompelen ze niet ineen tot betekenisloze klanken onder de last van halve waarheden en hele leugens. 'De woorden liefde, trouw en tederheid, zijn beurzensnijderswoorden, propaganda', schrijft een Nederlandse dichter bitter.

Het is daarom zo ontroerend dat je dat Jaïr in al zijn bijna kinderlijke eenvoud laat vertellen: hoe hij een nieuwe, nog onbezoedelde taal heeft willen ontwikkelen, precies zoals je dat ooit zelf even bij je zoontje probeerde. Laat hem zeggen wat hij 'mooi' vindt in de directe betekenis van die ervaring en niet op de manier waarop het woord 'mooi' de werkelijkheid verkavelt. We noemen allerlei zaken en indrukken 'mooi', terwijl de individuele ervaringen waarvoor we dat ene woord gebruiken misschien helemaal niet gelijkwaardig zijn. Jij probeerde je zoontje te verleiden zelf woorden te vinden voor zijn ervaringen, een nieuwe, individuele taal te vinden, met directe, niet afgeleide betekenissen.

Dat is natuurlijk niet te doen - maar Jaïr, die een volwassen man is met een eigen geschiedenis, zowel in de liefde als in de taal, wil het toch proberen. Hij is daar in zekere zin die hele correspondentie lang mee bezig, afwisselend vervuld van zelfkritiek en vitaliteit, van scepsis en scheppingsdrang. Zijn schrijven begint bij het begin, niet bij het vinden van woorden, maar bij het uitvinden ervan.

Dat is ook het plezierige raffinement van de wijze waarop je het in Jij bent mijn mes hebt aangepakt: had je Mirjams antwoorden meteen laten volgen op Jaïrs brieven, dan was het effect minder betoverend geweest. Dan hadden we immers vanaf de tweede brief geweten hoe de vork in de steel zat, wat zij op haar beurt gezien had en hoe zij op Jaïrs voorstellingen, zijn verlangens en verdichtsels, reageerde. Dan had zij van meet af aan óók een geschiedenis gehad, dan had de broodnuchtere werkelijkheid de verbeelding gecorrigeerd.

Je vertelde dat je vier jaar aan het boek werkte. Dat het je sloopte en onuitsprekelijk vermoeide en dat je, toen het boek al door je uitgever in Israël was aangekondigd, een paar maanden voor publicatie ineens besloot je aanvankelijke opzet te verlaten, alles om te gooien en het boek opnieuw te schrijven. Het wás ook geen goed idee om de briefwisseling van Jaïr en Mirjam eenvoudigweg chronologisch en in onderlinge afwisseling te presenteren: dan was het mysterie eraf geweest en had het boek bij lange na de kracht niet gehad die het nu heeft. Dan was er slechts sprake geweest van een eigentijdse variant op de briefroman uit de achttiende- en negentiende eeuw, wat welbeschouwd een vrij laffe en in elk geval vlakke literaire vorm is.

Nu duurt het lang voordat je er als lezer achter komt of die Mirjam wel echt bestaat, of Jaïr haar in ernst zit te schrijven en die brieven ook metterdaad verstuurt. Het kan immers best zijn dat hij haar gezien heeft, maar wie garandeert ons dat hij werkelijk weet wie ze is en waar ze woont? Hij recapituleert haar antwoorden weliswaar en gebruikt die om zijn beeld van haar bij te stellen, maar ook dat kan zich heel goed allemaal slechts in zijn fantasie afspelen.

Want waarom zou ze hem antwoorden? Je vertelde dat je die vraag altijd opperde als je in Israël een lezing gaf over je boek en hoe er dan vanuit de zaal een eensluidend gejoel opsteeg, vooral bij monde van de vrouwen: 'omdat ze een vrouw is, natuurlijk!' Zou het heus? Zou juist een vrouw niet de zenuwen krijgen van een brief van een haar onbekende man, die haar schrijft dat hij haar heeft gezien en sedertdien geen rustig ogenblik meer heeft gekend. De vrouwen die ik van de week over je boek vertelde en enthousiast probeerde te maken reageerden stuk voor stuk op een van de twee diametraal tegenovergestelde manieren: ofwel smalend en afwijzend - 'Pfff, dat hebben jullie mannen natuurlijk weer, onverbeterlijke romantici en pubers die jullie zijn!' -, ofwel instemmend glimlachend, met een geheimzinnig soort onuitgesproken begrip.

Maar wat zouden ze doen als ze zo'n brief bij de post vonden? Zouden ze het er niet benauwd van krijgen? Voor je het weet zit je met een plakkerige griezel opgescheept die van alles over je heeft gefantaseerd dat meer met zijn tekortkomingen en frustraties te maken heeft dan met jouw voortreffelijke en heilzame eigenschappen.

In de kleine advertenties in de kranten zie je het verschijnsel tegenwoordig vaak in een moderne vorm, in de rubriek 'oproepen': mysterieuze verwijzingen naar een haarkleur of een opvallend kledingstuk, gezien bij de supermarkt, tijdens het uitgaan van een concert, in het gedrang van een overvolle trein of tijdens een korte vliegreis, compleet met het vluchtnummer en het nummer van de stoel waarop de draagster ervan zat. Als ik het wel heb worden dergelijke advertenties alleen door mannen geplaatst en ik heb nog nooit gehoord van een man dat hij er inderdaad antwoord op kreeg en dan ook nog van de betrokkene.

Volgens mij schrikt een vrouw zich wild als ze zich 's morgens boven het ontbijt herkent in zo'n vierregelige annonce - áls ze zichzelf al herkent, want wat hij gezien heeft, beseft zij vermoedelijk niet eens over zichzelf. Ach, laten we elkaar niet voor de gek houden: we hebben het immers zelf gedaan en meegemaakt, zulke brieven geschreven en zulke brieven ontvangen. Als je er eentje krijgt, slaat je fantasie ogenblikkelijk op hol en is het verlangen bijkans niet meer te beteugelen. De hele dag ben je ermee bezig, met de mogelijkheid die zo'n brief suggereert - en dan heb ik het niet over de wellust die opwelt door de plotselinge kans op een kortstondige amourette met een volslagen onbekende die enthousiast is over jou, maar over iets fundamentelers, de mogelijkheid voor een alternatief, een ander en oneindig veel beter leven.

Het tragische is echter dat je, als je zo'n brief krijgt, ook ogenblikkelijk weet dat daar geen kans op is: jij hebt haar immers over het hoofd gezien, je hebt er geen idee van wie zij geweest is, hoezeer je je geheugen ook afpijnigt. Wie zelf zo'n brief verstuurt moet ermee rekenen dat de geadresseerde er even verrast en verward van opkijkt. Als er een doodenkele keer al eens een contact uit voortkomt, loopt dat geheid op een deceptie uit. 'Deceptie', 'deception': teleurstelling en misleiding beide. Jaïr is een bezeerde en beschadigde man. Hij heeft geen opperhuid en daarom hult hij zich in een harnas van taal. Hij is een virtuoos in het formuleren, maar daardoor maakt hij zichzelf onbereikbaar. Hoe meer woorden, des te kleiner de kans op contact. In zijn brieven aan Mirjam is hij afwisselend heel beslist - hij weet precies wat hij van haar verwacht en schrijft dat op als eigenschappen waarvan hij zeker weet dat zij ze heeft - en uiterst voorzichtig: hij herroept de hele tijd zijn toedichtingen.

Je sprak over het belang van de droom, de dromen die wij allemaal koesteren ook al weten we dat ze doorgaans niet gerealiseerd zullen worden. Dat maakt ze echter niet minder essentieel, en daarom snijdt dat verwijt van die vriendinnen van mij, dat alle mannen onverbeterlijke romantici zijn ook geen hout. Want, andere dichter, 'romantisch, dat zijn wij. . . Hoe anders dringen we door tot het Wezen, als we niet romantisch zijn? Hij die liefde noch pijn voelt, die niet weet wat een kus is of een lied, laat die zich aan een dennenboom ophangen: dat is de beste oplossing.'

Het verraste me, dat je dat meteen ook een politieke dimensie gaf, geheel in de geest van je vroegste werk. Israël is zo'n lang gekoesterde droom, die uiteindelijk verwerkelijkt werd. Je kunt zeggen dat die droom, 'volgend jaar in Jeruzalem', dikwijls een nachtmerrie is gebleken, maar wat tachtig generaties joden zich uitsluitend voorstelden, is nu al een halve eeuw een politieke realiteit. Misschien komt mijn scepsis over dromen wel voort uit de omstandigheid dat wij hier in een land leven waarin de droom verdacht is en allang heeft plaatsgemaakt voor wat we realiteitszin noemen. Andere culturen, andere sensibiliteiten.

Is het de droom van iedere schrijver, zo'n ontmoeting? 'De droom van iedere man', zei je meteen en beslist, toen ik het je vroeg. Maar waarom dan? Van de schrijver is het begrijpelijk: doorgaans behelst het stilzwijgend gesloten contract tussen schrijver en lezer onder meer dat de schrijver veel meer weet dan zijn lezer. In Jij bent mijn mes staan de schrijver en de lezer er precies hetzelfde voor: ze weten als het boek begint allebei bijna niets. Alles moet bedacht en verzonnen worden.

Dat maakt de schrijver niet tot een wereldvreemde. Ook jij moet zo nu en dan je schrijfkamer in het souterrain van je huis verlaten om schnitzels voor je kinderen te bakken. Dan kan je nog zoveel werelden in woorden hebben zitten spinnen, de realiteit van alledag haalt ook jou in. Maar het merkwaardige is, dat wat jij nu als fictie presenteert, zich al eens in de literatuurgeschiedenis heeft voorgedaan. De Duitse schrijver Kurt Tucholsky heeft vijftien jaar lang brieven geschreven aan een vrouw die hij beminde - een van de velen - waarin hij over haar en over zichzelf in de derde persoon schrijft: hij presenteert de werkelijkheid als fictie. Ze zagen elkaar nauwelijks, maar zijn laatste brief, geschreven vlak voor hij in 1935 in Zweden een eind aan zijn leven maakte, was voor haar: 'Hij heeft in zijn leven maar een iemand werkelijk lief gehad: haar', zo begint die brief.

Dat is verpletterend mooi en waar tegelijk - maar mooier nog is de titel die die correspondentie kreeg, toen ze vijftig jaar na Tucholsky's dood werd uitgegeven: Unser ungelebtes Leben, het leven dat we niet geleefd hebben. Daar gaat het om, ook voor Jaïr en Mirjam. Jaïr is een gewonde man, die hunkert naar iets dat hij nooit zal kunnen krijgen - en het mirakel is dat Mirjam hem inderdaad begrijpt, vooral ook door haar eigen ervaringen. Zij weet wat het is om iemand die je lief hebt niet te kunnen bereiken: haar zoontje is autistisch en zij moet zich evenzeer van de fantasie bedienen als hij om zich staande te houden.

Het slot is bijna niet te harden zo spannend, daardoor. Zij hoort voetstappen op het terras, zijn voetstappen: de verbeelding en de werkelijkheid gaan een confrontatie met elkaar aan. Ik zei dat ik niet geloofde dat dat ooit goed zou kunnen komen, maar jij vertelde glimlachend dat dat wel degelijk kan: je nieuwe boek, dat ongeveer Toen wij samen holden heet, gaat daarover. Daar moest dan maar heel gauw een Nederlandse vertaling van gemaakt worden.

Mij stoorde het aanvankelijk dat je uitgever een foto van een vrouw - weliswaar een heel mooie vrouw - op het omslag van je boek heeft laten zetten. Dat stuurt de verbeelding veel te veel. Maar wat je over de herkomst van die foto vertelde zaaide twijfel: ze komt van de Italiaanse uitgave en werd geleverd door een ontwerper die die foto uit een familiearchief had opgediept. Toen het boek verscheen meldde de afgebeelde vrouw zich: ze bleek een drieëntachtig jaar oude Italiaanse jodin te zin. In Amerika zou ze zich bij de rechtbank hebben vervoegd, om je te suen, maar een Italiaanse was er vanzelfsprekend groots op dat haar vergane schoonheid nu voor iedereen te zien was.

Dat ze 'Molly' heette, maakte dat ik me gewonnen gaf: Molly - Molly Bloom uit James Joyce's Ulysses, Molly blooming als het embleem voor de gedroomde vrouw. Ik vond het ontwapenend dat jij daar niet aan gedacht had.

O ja, en dan nog dit: je boek. Je had aan je Nederlandse uitgeefster gevraagd wat ik van je boek vond. 'Dat zegt-ie nooit van tevoren', zei zij. Maar zij, op haar beurt, had mij gepaaid met de tekst: dit is helemaal een boek voor jou.

Het is, beste David, een prachtig boek en helemaal voor mij geschreven. Sedert ik het las dreint er een merkwaardig soort verdriet in mijn hoofd, net achter mijn ogen. Alsof iemand met een mespuntje in je ziel zit te peuteren, inderdaad. De eerste keer heb ik het in een zitting gelezen, zo traag als dat ging. Nu lees ik er telkens kleine stukjes in, om te achterhalen wat je precies uitspookt.

Blijf schrijven.

Beste groet, je

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden