Bazelende volksmenners en filosofen

De Griekse filosoof Plato (427-347 v.Chr.) mag zelf hebben getwijfeld aan de waarde van literatuur, zijn proza is verslavend – zelfs voor wie gruwt van zijn reactionaire stellingen....

De vette jaren zijn voorbij. Nadat in 1989 democratie en grootkapitaal hadden gezegevierd en de geschiedenis voltooid was verklaard, leek de heilstaat van ongebreidelde consumptie, permanent amusement en eeuwige jeugd op het punt van aanbreken te staan.

Dat intussen het klimaat een metamorfose onderging, tweederde van de wereldbevolking aan de triomf van geld en vrijheid geen deel had en het door welvaartsziekten geplaagde Westen een knagend gevoel van spirituele armoede ontwikkelde, werd in eerste instantie weggewuifd als tijdelijk ongerief, dat spoedig vanzelf zou oplossen – vanzelf, want de naïeve idee van maakbaarheid had plaatsgemaakt voor de Invisible Hand van de markt. Maar de aanslagen van 9/11, de invallen in Afghanistan en Irak, het gedonder met Marokkaantjes en de deplorabele toestand van zorginstellingen hebben duidelijk gemaakt dat er iets goed mis is met het Avondland. Nu ook het Grote Geld een luchtspiegeling blijkt te zijn geweest, weerklinkt alom de roep om een Sterke Man, die als een strenge doch liefhebbende vader waakt over onze welstand en moraal.

Voor Plato (427-347 v.Chr.) zou de diagnose glashelder zijn geweest: de ziel van de samenleving is ziek. Ook hij leefde in een tijd van grote politieke, economische en levensbeschouwelijke veranderingen, maar waar de meeste van zijn Atheense medeburgers trots waren op hun radicale democratie en het voormalig succes van hun meedogenloos imperialisme, ontwaarde Plato slechts verval van zeden, een graaicultuur van nouveaux riches en stompzinnig gebazel van volksmenners en zogenaamde filosofen. Deze briljante aristocraat keerde zich na de terechtstelling van zijn leermeester Sokrates in 399 af van de reële politiek om zich, behoudens enkele mislukte missies naar het hof van Syracuse, te richten op literatuur en onderwijs. Omstreeks 385 stichtte hij even buiten Athene zijn Akademie, waar geleerden en studenten zich bezighielden met wiskunde, debatteertechniek en moraalfilosofie, met in hun achterhoofd een idealistische visie op de samenleving waarvan ze zich het utopisch karakter gerealiseerd moeten hebben. Ook toen vermoedde men dat maakbaarheid een illusie was.

Wat Plato zijn leerlingen precies onderwezen heeft, weten we niet. In de Zevende brief, waarvan de authenticiteit overigens omstreden is, zegt hij dat de kern van zijn filosofie zich niet leent tot weergave op papier: ‘van mij bestaat daarover geen geschrift en dat zal er ook nooit komen. Want het is niet mogelijk die inzichten uit te spreken zoals andere leerstof, maar ten gevolge van een intense aanwezigheid bij de zaak zelf en van het leven daarmee komt het plotseling in de ziel terecht, zoals een licht dat flakkert uit een vuur dat oplaait, en vanaf dat moment houdt het zichzelf in leven.’

Ook in Phaidros wijst hij filosofische geschriften categorisch af, omdat ware inzichten uitsluitend kunnen ontstaan in erotisch geladen gesprekken van man tot man. Met andere woorden: je moet tot de intimi van Plato behoren om de felbegeerde metafysische verlichting deelachtig te worden.

Het heeft Plato er niet van weerhouden een intrigerend oeuvre van duizenden pagina’s te publiceren, enkele tientallen boeken die zichzelf en elkaar met verbluffende stelligheid tegenspreken. De verwarring over wat Plato’s filosofie nu eigenlijk behelst, wordt niet zozeer veroorzaakt doordat zijn opvattingen in een schrijversleven van ruim een halve eeuw steeds veranderden, als wel door de literaire vorm die hij eraan gegeven heeft. Vrijwel al zijn boeken hebben de structuur van een dialoog tussen twee of meer personages, onder wie Sokrates veelal de dominante figuur is.

Plato mag in Phaidros en Politeia twijfels hebben uitgesproken over de waarde van literatuur, zijn eigen proza behoort tot het schitterendste wat het klassieke Griekenland heeft opgeleverd, niet in de laatste plaats door de ongrijpbaarheid ervan. Lange, de spreektaal imiterende volzinnen, scherpe debatten met een keur aan verbijsterende drogredeneringen, een aanschouwelijke beeldtaal, visionaire mythen en enkele onvergetelijke karakters maken Plato’s werk verslavend, zelfs voor lezers die misselijk worden van ’s mans vaak hemeltergend reactionaire uitspraken.

Tot deze categorie moet zeker Gerard Koolschijn gerekend worden, die zich sinds 1980 heeft ingezet om Plato’s schrijverschap onder de aandacht te brengen, maar tijdens zijn intensieve omgang met het oeuvre een bijna rabiate haat tegen de filosoof heeft ontwikkeld. Koolschijns nawoord bij de nieuwe editie van zijn vertaling van vijf hoogtepunten uit Plato’s werk leest als een woedend schotschrift, dat bijna bedoeld lijkt om lezers de lectuur te ontraden, al geeft hij op de laatste bladzijde toe dat niemand aan de charmes van dit proza weerstand kan bieden.

Misschien was Plato een weerzinwekkende man, net als Augustinus en Johannes Calvijn, het laat onverlet dat de teksten in dit deel van de Perpetua-reeks tot de onbetwiste toppen van de Europese literatuur behoren. In Feest praten enkele intellectuelen over de macht van erotiek, een gesprek dat na Sokrates’ hoogdravende mystieke beschouwing kantelt wanneer de foute politicus Alkibiades dronken komt binnenvallen en Sokrates’ gestoorde omgang met seksualiteit aan de orde stelt.

In Euthyfron zet Sokrates op vileine wijze een niet bijster intelligente zedenmeester klem. Plato’s weergave van de verdedigingsrede die zijn leermeester voor de juryrechtbank zou hebben uitgesproken is een meeslepende, zij het verregaand arrogante zelfrechtvaardiging, die zorgvuldig toewerkt naar een heroïsch én ironisch afscheid van het leven.

In Kriton weigert Sokrates kalm in te gaan op een aanbod uit de gevangenis te ontsnappen. Faidon, ten slotte, biedt het verhaal van Sokrates’ laatste dag. Urenlang praat hij met zijn vrienden over de betekenis van de dood. Voor het eerst in de Europese literatuur wordt een poging gedaan met serieuze argumenten de onsterfelijkheid van de ziel te bewijzen. Dat dit uiteindelijk niet helemaal lukt, ziet ook Plato wel in, want Sokrates zegt: ‘Nu past het een verstandig man niet met stelligheid te beweren dat die dingen zo zijn als ik heb uiteengezet. Maar dat dit of iets dergelijks voor onze zielen en hun woningen geldt, nu de ziel inderdaad iets onsterfelijks blijkt te zijn, dát is naar mijn idee niet alleen passend maar het lijkt me ook het risico waard te denken dat het zo is, want het is een mooi risico en zulke dingen moet je jezelf als een soort bezwering voorhouden.’ Was Plato misschien toch minder fout dan Koolschijn denkt?Piet Gerbrandy

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden