Basis van leven en ook medicijn

Planten zijn voor de mens veel belangrijker dan alle vormen van dierlijk leven. Dat was vroeger zo en dat is voor een groot deel nog zo....

Piet van Seeters

Hoe belangrijk planten ook op andere terreinen in de historie van de mens zijn geweest, blijkt weer eens uit het boek Etnobotanie, de rol van planten in de menselijke cultuur, geschreven door de Amerikaanse botanici Michael Balick en Paul Cox. Planten zijn de mens op allerlei andere manieren dan als voedsel van dienst: als medicijn, genotmiddel, gebruiksvoorwerp, verf, bouwmateriaal, kleding, cosmeticum en als transportmiddel.

De reden van dit veelzijdige gebruik is dat planten, behalve cellulosevezels, nog duizenden andere stoffen aanmaken die voor het grootste deel nog niet in kaart zijn gebracht. 'Geen enkel dier, inclusief menselijke wezens met hun witte laboratoriumjassen, was ooit in staat om zelfs maar een fractie te produceren van de duizelingwekkende verscheidenheid aan moleculen die door planten routinematig worden gemaakt', schrijven Balick en Cox.

Planten maken gifstoffen om te voorkomen dat ze door dieren worden opgegeten. Ze maken lokstoffen om insecten naar zich toe te halen om bij de bevruchting te helpen. Ze produceren stoffen die voor de mens verslavend zijn zoals cafeïne, nicotine en morfine. En ze leveren allerlei andere stoffen die als geneesmiddel worden gebruikt. De moderne farmacologie heeft nog geen half procent van de 250 duizend bloeiende planten die op aarde aangetroffen zijn, uitputtend op bruikbare chemische stoffen onderzocht.

Planten hebben regelmatig het aanzien van de door de mens gedomineerde wereld veranderd. De viking Leif Erikson voer in een houten boot van Groenland naar Noord-Amerika en eeuwen later deed Columbus hetzelfde, zij het vele breedtegraden lager. Meer dan eenderde van de voedselvoorziening van China bestaat uit gewassen die in het spoor van Columbus mee terug kwamen uit de Nieuwe Wereld en zo mede de bevolkingsgroei van China mogelijk maakten. De nootmuskaat was de basis voor de welvaart van eerst Venetië en Genua, en later Amsterdam.

Hedendaagse stadsmensen hebben weinig of geen kennis van de rol die planten nog altijd spelen. Dat is in de Derde Wereld anders. Daar leven inheemse volken nog dicht bij de natuur en hebben kennis van samenhangen die in de verkokerde postindustriële samenleving al lang verloren zijn gegaan.

Dit boek gaat vooral daarover. De term etnobotanie werd eind vorige eeuw gelanceerd voor het onderzoek naar planten die worden gebruikt door inheemse volken.

Een belangrijk deel van de etnobotanie, aldus de schrijvers, bestrijkt hetzelfde gebied als de culturele antropologie. 'Gezien zijn belangstelling voor zowel planten als inheemse volken is de ideale etnobotanicus een combinatie van antropoloog, archeoloog, botanicus, chemicus, psycholoog, ecoloog, ontdekkingsreiziger, folklorist, farmacoloog en diplomaat. Alleen door een interdisciplinaire benadering kunnen we de nauwe relatie tussen planten en menselijke gemeenschappen begrijpen.'

Deze brede benadering is een van de redenen dat dit een heel boeiend boek is geworden. Balick en Cox hebben niet alleen kennis van zaken op een breed terrein, ze kunnen het ook goed opschrijven. Hun boek leest meer als een journalistieke reportage dan als een wetenschappelijke verhandeling. Sommige passages zijn ronduit moeilijk (vooral als er chemische en ecologische begrippen aan te pas komen) maar het merendeel van de tekst is helder en begrijpelijk geschreven en bovendien goed geïllustreerd.

Uiteraard is het boek een impliciet pleidooi om wat er op dit terrein nog is, zorgvuldig te bewaren. Dat geldt niet alleen voor natuurgebieden, tropische bossen vooral, met hun ontelbare, nog niet in kaart gebrachte en onderzochte mossen, kruiden, struiken en bomen. Het geldt ook voor de kennis die bij veel inheemse volken nog volop aanwezig is maar die sterk onder druk staat van de steeds verder oprukkende westerse samenleving.

Illustratief is dat de auteurs op het eiland Kabara in de Stille Oceaan nog één man vonden die in staat was een schip te bouwen van het type waarmee de Polynesiërs honderden jaren geleden het ene eiland na het andere koloniseerden. Hij bouwde met veel succes een camakau, een kano met één romp die gebruikt werd voor vrachtvervoer en als oorlogsschip. Soms gebruikten de Polynesiërs deze houten boten om te ontsnappen aan hun eigen houtgebrek. Nieuw-Zeeland is waarschijnlijk door Polynesiërs gekoloniseerd, aldus de schrijvers, omdat hun eiland van herkomst, net als Paaseiland, door ontbossing onbruikbaar was geworden.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden