Interview Hortulanus Art Vogel

Art Vogel zocht veertig jaar naar planten die nog niemand eerder had gezien

Hortulanus Art Vogel in zijn tuin in Heemstede. Beeld Katja Poelwijk

In de afgelegen wouden van Azië en Zuid-Amerika bloeien planten die geen mens nog zag. Hortulanus Art Vogel blikt terug op een tijd dat je ze nog gewoon kon gaan halen.

Opeens zat hij aan tafel met een lijk. Hij was met zijn team in Papoea-Nieuw-Guinea, en om toestemming te krijgen om de planten ter plaatse te verkennen, werden de stamoudsten bij elkaar gehaald. Oók het stammenhoofd dat niet meer leefde.

‘Ze hadden in die streek de gewoonte hun doden te conserveren door ze zo te roken’, vertelt Art Vogel, en hij trekt zijn knieën en armen op om de houding te imiteren. ‘En dus werd ook deze leider met eerbied aan tafel gezet. Hij was wel een beetje stil.’

Art Vogel (69), hortulanus in ruste. Zo’n veertig jaar achtereen reisde hij de wereld af, op zoek naar planten die de wetenschap nog niet kent. Eerst enkele keren naar Midden- en Zuid-Amerika, voor de botanische tuin van de Vrije Universiteit Amsterdam. En vanaf 1990, een keer of acht naar de afgelegen gebieden van Borneo en Nieuw-Guinea, in dienst van de hortus botanicus in Leiden.

Niet slecht, voor een man die als kind nog van school werd geschopt wegens onhandelbaarheid en daarna weinig noemenswaardige scholing genoot. Ging-ie in de bloemen werken: dahlia’s. En daarna als medewerker van de hortus. Waar hij, om het cliché maar eens te gebruiken, tot bloei kwam.

Via de wereld van plantenliefhebbers kwam hij in contact met Tineke Roelfsema en haar man Derk, een welgesteld echtpaar orchideeënverzamelaars. ‘We hadden een leuke klik. En op een dag vroegen ze me of ik ze wilde ondersteunen bij een expeditie naar Bolivia. Als ik af en toe bereid was hun koffertje te dragen, mocht ik mee als hun gast.’

Wat Roelfsema bezielde om uitgerekend Art Vogel mee te vragen? En daarna nog een keer, en nog een keer, en nog tientallen keren? Ach, het was ‘gewoon toeval’, vergoelijkt Vogel zelf. Maar het laat zich raden. Prettig gezelschap, een makkelijke prater, zo iemand die direct het ijs breekt. En eenmaal in het bos: een superspeurder met een scherp oog voor nieuwe soorten en een buitengewoon instinct voor waar je ze kunt vinden.

‘Nou ja, je bent ermee bezig, hè?’, vertelt de hortulanus, zich opeens verschuilend achter de je-vorm. ‘Je hebt je verdiept. En dan zie je een plantje.’

Neem die keer dat hij met de Roelfsema’s Venezuela bezocht. ‘De orchideeënflora van Venezuela staat beschreven in zes dikke boeken vol prachtige illustraties. Die had ik voordat we erheen gingen al vele malen zitten doorbladeren. En dan zie je op een koffieplantage een dingetje op een koffiestruik zitten, dat je denkt: die komt me onbekend voor. Zo’n lullig plantje.’ Bleek het een nieuwe soort voor de wetenschap, gewoon bij de koffieplanter op het erf.

Art Vogel, twintig jaar geleden, op 3.400 meter hoogte in Papoea-Nieuw-Guinea. Beeld Maarten Keulemans

Dat is nou de plantenwereld, vindt Vogel. Altijd verrassend. En overal aanwezig, ook op plekken waar je ze het minste verwacht. ‘Ik kan je planten laten zien op plaatsen dat je denkt: hoe is dat mógelijk?’ Hij wijst omhoog: ‘Een kalkstenen rots, van 80 meter hoog. Waar de hele dag de zon op staat te branden. Waar zes maanden van het jaar geen druppel regen valt. En dat daar toch planten groeien. Bizar! Hoe komen ze daar? Hoe doen ze dat?’

In een adem door: ‘En dat wij er dan met elkaar toch zo’n klerezooi van maken. Met zoveel intellect op deze planeet. Elke dag plegen we roofbouw, het gaat allemaal naar de klote. Het is toch triest dat we niet in staat zijn te zeggen: jongens, laten we dit nou eens regelen? Dat moet toch kunnen?’

Als je hem nog wilt spreken, moet je niet te lang wachten, had zijn entourage de Volkskrant ingeseind. Het gaat nu nog goed met hem. Maar intussen. Uitgezaaide longkanker. Zomaar opeens bij hem vastgesteld. Pure pech, het verkeerde lot uit de loterij. En nu tuurt de man die decennialang het gezicht van de Leidse hortus was, die een werkgroep voor liefhebbers van vleesetende planten oprichtte, die talloze lezingen hield en voor drie koninginnen handboeketten maakte, beteuterd naar een stapel verzamelmappen die hij voor zich op de tuintafel heeft uitgestald.

Dikke mappen, vol oude krantenknipsels, reisverslagen, foto’s, herinneringen.

De dood kent hij wel. In Mexico nam hij de vorm aan van een grote zwarte wolk, die hem opeens omhulde. Bijen. Killer bees, om precies te zijn, de agressieve kruising van westerse en Afrikaanse honingbijen. ‘We waren op zoek naar een bepaalde plant en liepen door open veld. En opeens komt er zo’n wolk op je af. Voor je het weet: prik, prik, prik, overal, in je oren, je neus, overal. Ik zakte door mijn benen, kon niet meer lopen. Ik had ontzettend geluk dat ik nog kon schreeuwen. Een grote gozer uit Australië en een uit Californië hebben me aan mijn benen naar de auto gesleept, over de keien heen. In het ziekenhuis zijn twee lieftallige dames een paar uur met me bezig geweest. 360 angels, had ik in mijn lijf. Ik zag eruit als een michelinmannetje. En de plant waarvoor we daar waren, hebben we niet gevonden.’

We bekijken een foto van Vogel een jaar of twintig geleden. Daar zit hij, de baard en schedel nog wat voller met haar, op 3.400 meter hoogte in Papoea-Nieuw-Guinea, geknield naast een boomvaren. Met in de kruin, heel klein, een paar orchideeën.

‘En die kent niemand, hè?’, zegt hij. ‘Alles wat je daar ziet, is nieuw en onbekend. Volgens mij is er nog nooit een westerling geweest.’ In zo’n geval plukt hij de bloemen, om ze te determineren, en scheurt hij een stukje van de plant af. ‘Die kweek je later dan weer verder. Over het algemeen lukt dat vrij goed.’

Er zijn een stuk of acht planten naar Art Vogel vernoemd. Beeld Maarten Keulemans

Duizenden planten en tientallen, zo niet honderden nieuwe soorten, moet hij door de jaren heen hebben meegebracht – een stuk of acht zijn er naar hem vernoemd.

 In Leiden nam hij deel aan het omvangrijke, meerjarige project om in samenwerking met de onderzoeksinstituten en botanische tuinen ter plaatse alle flora in kaart te brengen rondom Maleisië: van Thailand tot de Filipijnen, en van Indonesië tot de kop van Australië.

‘Er zijn nog steeds witte vlekken. Plaatsen waar nog geen mens heeft gezocht’, vertelt hij. En planten die domweg onopgemerkt zijn gebleven: ‘Als je in het bos loopt, zie je de planten wel, maar je hebt een bloemetje nodig om ze op naam te kunnen brengen. En sommige bloeien maar een paar dagen of zelfs een paar uurtjes. Supertoevallig dus als je die net ziet.’

Het kan tegenwoordig niet meer, op expeditie gaan naar het buitenland en daar plantenmateriaal meenemen, vertelt Vogel. Het Protocol van Nagoya (2014) staat in de weg. Uitheems biologisch materiaal mag niet zomaar meer mee, staat daar, als tegemoetkoming aan landen die het shoppen naar planten, dieren en genen een halt willen toeroepen. Aan de plaatselijke overheden zelf hoe ze die regels denken te gaan invullen. En onder meer Brazilië, Mexico en Indonesië zitten sindsdien in feite op slot. ‘Het is één grote papierwinkel geworden. Een bureaucratisch monster’, verzucht Vogel.

Een klein rood bloempje uit de Andes. Beeld Maarten Keulemans

En of het nu wel zo verstandig is; Vogel waagt het te betwijfelen. Want plaatselijke biologen zijn vaak niet bij machte hun planten in kaart te brengen, vertelt hij. ‘Men wil wel, maar de kennis ontbreekt nogal eens. We hebben vaak cursussen gegeven hoe orchideeën te verzamelen en te beheren. Want vaak is het in die tropische landen: ze verzamelen planten, zetten ze in een pot en kijken er niet meer naar om. Ja, dan gaat-ie dus dood.’

Hij bladert door foto’s van de Aziatische wildernis: hoge rotswanden met scherpe pieken, waartussen zich het oerwoud uitstrekt. ‘Hier. Deze berg is nu helemaal afgegraven, voor de cementindustrie’, wijst hij. ‘Kun je nagaan: op zo’n helling leven soms endemische soorten, die alleen maar daar voorkomen. Door de hoogteverschillen zijn dit hotspots van biodiversiteit: op elke honderd meter die je hoger gaat, is het klimaat anders en groeit andere vegetatie.’ Meewarige blik op de foto’s: ‘Veel van de plekken die je hier ziet, zijn er gewoon niet meer. Als je nu over Borneo en Maleisië vliegt: het staat er vol palmolieplantages.’

Voor Vogel is de cirkel rond. Sinds een jaar woont hij in Heemstede, in nota bene de kwekerij waar hij vijftig jaar geleden als jongeman dahlia’s plukte. ‘Het huis heb ik destijds nog helpen bouwen.’ In zijn tuin staan houten tafels, met daarop uitgestald enkele van de planten die hij naar Nederland haalde. Een cactus die hij veertig jaar geleden meenam uit Venezuela. Een zwarte aeonium van de Canarische Eilanden. Een klein rood bloempje, hoog uit de Andes, ‘ik zie hem nog zitten’.

Bij een van de potten, met een fraai omhoog krullend vleesetend plantje erin, blijft hij wat langer staan. 

De Sarracenia EVA, vernoemd naar de vrouw van Art. Beeld Maarten Keulemans

Dat is de Sarracenia EVA, vertelt hij, vernoemd naar zijn vrouw, die vijf jaar geleden overleed. ‘Met hoofdletters. De afkorting staat voor Els Vogel-Adamse.’

In een van de kelkjes beweegt iets. Een spinnetje.

‘Die plantjes lokken met een bepaalde geur vliegjes aan. En zo’n spinnetje maakt daar gebruik van. Hij bouwt zijn web, precies in die opening.’

Enkele dagen later appt hij. Geweldig nieuws, de chemo blijkt aan te slaan, de tumoren zijn gekrompen, het had niet beter gekund. Dus gaat hij naar een volgend doel toe werken. ‘Met het hele gezin naar Thailand, zeer waarschijnlijk in september aanstaande.’ Om zijn vriendin te bezoeken, die hij daar sinds enkele jaren heeft. Maar natuurlijk ook om er orchideeën, bromelia’s en palmen te bekijken. Een plantenjager houd je niet zomaar tegen.

Art Vogel. Beeld Katja Poelwijk

Meer over planten

De mensen snakken er naar: krokussen

De winter is voorbij als de krokussen opkomen. Carla Teune, oud-hortulanus, weet alles van de bloem en de bol.

Alles over de roos

De roos is al sinds de oudheid de bloem van de liefde, zo erg dat je er nu eigenlijk niet meer mee kunt aankomen. Waarom uitgerekend de roos?

Planten zoeken in de koloniale tijd

‘Druijpaerts’ en beten van ‘quadaardige dierkens’:in vergeten boek uit 1700 kun je de ellende haast proeven.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden