Archeoloog Gerrit was autodidact (1915-2006)

Hij wist alles van scheepswrakken en woonde jarenlang op Schokland. Gerrit van der Heide hield van de natuur...

Gerrit van der Heide, op 18 september op 91-jarige leeftijd overleden, was autodidact, archeoloog, geoloog en museumdirecteur die jarenlang in de vervallen pastorie van het vroegere eiland Schokland in de Noordoostpolder woonde. Hij gaf over de hele wereld lezingen en adviezen over scheepswrakken, was een zwerver zonder jas die hield van regen en kou, dronk geen druppel alcohol en schreef meer dan vijftig boeken en honderden artikelen over bodemvondsten in de Zuiderzee, natuurbescherming en de problematiek van het verzamelen: Verzamelen en wat dan.... Hij maakte programma’s voor Teleac, was een rasverteller en trad op als ‘archeoloog Gerrit’ in een stripverhaal van Suske en Wiske. Om zijn hals droeg hij een zwerfsteen aan een leren veter.

Hij werd in Rotterdam geboren, zijn vader, een Fries, had een herenmodezaak. Al jong trok hij de natuur in, was actief in de Nederlandse Jeugdbond voor Natuurstudie (NJN), zat in het bestuur, maakte de NJN-schoolagenda en schreef lyrisch over zijn bezoeken aan vogelkolonies in Schotland en Wales.

Hij ging naar de kweekschool en werkte als journalist voor het Algemeen Dagblad. Tot 1941, toen kreeg hij een baan bij het Bureau Natuurbescherming en bracht bij de Slag om Arnhem kunstverzamelingen van museum en particulieren in veiligheid. Granaten suisden om de oren, huizen stonden in brand en op straat lagen doden en gewonden. Mocht je dan aan Rembrandt, Rubens en Ruysdael denken? Hij schreef er een mooi, spannend jongensboek over, Onder de Handen der Roovers vandaan.

Hij trouwde met de weefster Klaske Jelsma en huurde een woonark bij Lemmer, hoofdkwartier van de opgravingen in de Noordoostpolder. Hij werd assistent van het Biologisch-archeologisch Instituut der Rijksuniversiteit Groningen. ‘Ik wist geen bot van een scherf te onderscheiden.’ Zijn directeur, professor Van Giffen, gaf hem iedere week een stapel boeken mee. Op maandagochtend werd hij overhoord.

De vondsten uit de Zuiderzee werden naar Schokland gebracht, het eiland waar in 1859 de laatste zeshonderd inwoners hadden moeten vertrekken. Daar moest een museum komen. Gerrit en zijn vrouw waren de eersten die er, na de droogmaling, gingen wonen. ‘Het was wel eenzaam’. Er liep een modderpad door de polder die, tot aan Urk, bestond uit rietland. Gerrit vond sporen uit de ijstijd, resten van mammoets en probeerde te voorkomen dat de pioniers in de polder scheepswrakken opstookten in de kachel.

In '74 ging hij terug naar het Oude Land en werd adjunct-directeur van het Zuiderzee Museum in Enkhuizen. Hij en Klaske zetten zich in voor het ‘Buitenmuseum’ met oude visserswoningen. Die mochten niet te mooi zijn, maar levensecht. De voormalige bewoners had hij uitvoerig geïnterviewd. Gerrit, de bevlogen amateur tussen de wetenschappers, steunde kleine musea in het land en bestudeerde alle scheepswrakken van de VOC en VIC van Australië tot Brazilië.

Hij kon niets weggooien, was onwaarschijnlijk zuinig, zijn huis was een museum en legendarisch was zijn antwoord op de vraag bij de zwaarwichtige opleiding Museumkunde: ‘Wat doe de conservator als het dak lekt?’ Gerrit zei: ‘Dan zet hij er een emmer onder’.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden