Apocalyps in de bollenstreek

DOMME MENSEN zijn vaak daaraan te herkennen, dat ze een buitengewone eerbied hebben voor drukwerk. Van het gesproken woord nemen ze lang niet alles aan, maar wanneer de krant het zegt, moet het haast wel waar zijn....

In het verhaal 'Het veerhuis' uit de bundel Vis voor iedereen (1995) van Gijs IJlander komt zo'n eenzelvige snuiter voor, wiens kot is volgestouwd met de meest uiteenlopende tijdschriften: Leendert Groof, die zijn verzamelwoede verklaart uit het streven de wereld volledig te kennen. Wie alles wat gedrukt staat in de oren knoopt, weet immers alles.

Als Groof zijn papieren graf heeft verlaten om een dag plezier te maken met een levende vrouw, treft hij bij zijn terugkeer een smeulende papiermassa aan. Het veerhuis is opgegaan in rook. Het vuur heeft zijn illusie in de as gelegd, en dat is maar goed ook. Groof is wijzer geworden, door niet meer alleen in drukwerk te geloven.

Uit de zes boeken die IJlander tot dusver heeft geschreven, spreekt een voorkeur voor eenlingen die het begrip beschaving slechts uit het woordenboek kennen. Die mensen zijn boeiend vanwege hun onberekenbaarheid. Bovendien zijn ze eerlijker dan de zogenaamd geciviliseerde medemens. Bij de eersten treden de instincten en aandriften ongehinderd door sociale codes aan het licht. Hierom zijn die mensen niet meteen leuk, maar wel geschikt voor een verhaal of roman.

Gijs IJlander heeft eerder bewezen een echte romancier te zijn. In zijn verhalen wordt het avontuur lamgelegd door de dikwijls expliciete of evidente moraal; ze zijn makkelijk samen te vatten, zoals hierboven is gebeurd met 'Het veerhuis'. Dat is altijd een veeg teken.

Leendert Groof heeft een herkansing gekregen, en nog wel als hoofdpersoon in de roman Twee harten op een schotel. Weliswaar draagt hij een andere naam, Wouter Vink, maar als we lezen dat hij in een oude schuur woont en daar allerhande tijdschriften verzamelt die door de leesportefeuille zijn afgedankt, gaat ons een licht op. Wouter houdt een kasboek bij van goed en kwaad, hij heeft het idee dat hij alles moet goedmaken wat er in de loop der eeuwen door zijn familie verkeerd is gedaan.

Achter zijn rug om wordt hij uitgelachen, gekke Vinkie die zich verbeeldt een gewichtige taak uit te voeren, terwijl iedereen hem als de dorpsgek beschouwt. Dat weet hij. Die wetenschap, die de lezer met hem deelt, geeft het verhaal al een zekere spanning. Vinkie houdt van kinderen, maar omdat hij een hoekige vrijgezel is en onhandig in het contact, doen al snel praatjes over hem de ronde. En als er in de krant berichten komen over de verdwijning van een Duitsertje van vijf jaar, weet men in het dorp wel waar de schuldige gezocht moet worden.

Zegt dat iets over de gemeenschap, en de vooroordelen over derden die daarbinnen kunnen uitgroeien tot wanstaltige proporties? Of zou het waar zijn dat Vink de moordenaar is, en houdt de schrijver de onthulling van dat geheim ruim tweehonderd bladzijden voor zich, ons intussen verleidend om sympathie op te vatten voor de onbegrepene, die pas aan het slot gevaarlijk gek blijkt te zijn?

Je weet het niet, en dat is een pluspunt. Vinkie is minder doorzichtig dan Groof. IJlander blijkt nog steeds bovenal een kundig romanschrijver. Zo kan hij namelijk de moraal omsluipen, en is hij tevens in de gelegenheid behalve Vink enkele andere personages nader te volgen.

Die anderen, nou, dat is nogal een partijtje brandhout dat is aangespoeld in Overveen en de aanpalende duinen, het bloembollengebied waar deze roman speelt. Alles bij elkaar hebben we dus Wouter Vink, stammend uit een bollentelersgeslacht dat op sterven na dood is; zijn schoonzus Anna die weduwe is, ongewenst kinderloos en een been mist; haar werkster Leni Valk, getrouwd met een man die ze de stukadoor noemt, doelend op het beroep dat hij uitoefende voordat hij werkloos en alcoholist werd; de niet minder drankzuchtige hotelier Niek Suurbier, die moet toezien hoe de storm de fundering blootlegt van zijn monumentale, maar slecht draaiende tent; en Florisz, een coke snuivende crimineel met hoed en staartje, die zowel Vink als Suurbier omkoopt om zijn dubieuze waren in hun panden te stallen.

Linke soep. Maar die criminalisering past wel geheel in het Hollandse drama van IJlander. Zo naturalistisch als in deze roman hebben we het in lang niet gegeten. De zielenpoot Vinkie heeft uit zijn documentatie begrepen dat zijn familie zich reeds in de zeventiende eeuw onrechtmatig heeft verrijkt door speculatie met gestolen bloembollen. Wouter hangt de christelijke idee aan dat het kwaad door gedurig lijden ongedaan gemaakt kan worden.

Aan lijden geen gebrek in het Overveense van IJlander. Door terugblikken naar de eeuw die de Gouden heet, laat hij zien dat de mens in niets is veranderd, met dien verstande dat het geweld en de verloedering tegenwoordig rigoureuzer en onomkeerbaar lijken.

De winst van het brede spectrum van Twee harten op een schotel is dat IJlander die les nergens expliciet dicteert. Fijntjes wijst hij op symptomen als de verwaarloosde schuur, het hotel dat op instorten staat, de meeuwen die oorverdovend krijsen, de ziedende wind, de kwade bulldozers op het strand, alsmede de golven die vanuit Engeland komen aanrollen, op het strand kletsen en zich terugtrekken met een kraag van schuim alsof het tegenviel, Nederland.

En zo die natuur nog geen klare boodschap aanreikt, dan doen de lieden onder de Hollandse luchten dat wel. Ze mogen namen dragen als Vink en Valk, maar zich op vleugelen verheffen van de grond is er niet bij. Het ene personage staat aan de bar van zijn eigen hotel en blikt aangeschoten naar de kust. Het andere draaft met haar dikke kont in een glimmend trainingspak over het strand, tobbend over haar brute man en gevluchte zonen. Weer een ander denkt aan haar man zaliger, die stierf toen hij door een hoer tot te grote hoogten werd gebracht.

Hun eenzaamheid is gruwzaam, maar door onder leiding van IJlander per hoofdstuk steeds bij een ander naar binnen te kijken, krijgt hun gemodder voor de lezer ook iets aandoenlijks en kluchtigs. De Apocalyps is niet ver meer, als je alle onheilstekenen bij elkaar telt, maar wat doen die rare mannetjes en vrouwtjes in de bollenstreek? Ze nemen een borrel, kopen een trainingspak, of gaan tegen hun zin in zee met een louche zakenman. Niemand zal ontkomen. Niemand kan dat ook, in dit boek, en daarom kun je evengoed glimlachen om die dommige stumperds.

Hoe droevig hun lot ook is, de toon die IJlander aanslaat is onverwacht lichtvoetig, wat een effect heeft vergelijkbaar met het nerveuze gegiechel van mensen tot wie doordringt dat ze loodrecht op een catastrofe afstevenen.

Inderdaad spoelt er een inktzwarte golf over het dorp: brand, inbraak, moord, de hele bliksemse boel. Eén man had dat zien aankomen. Zijn schuur, met de tijdschriften, wordt in de as gelegd, met zijn fiets en kar erbij. IJlander laat de onschuldige Vinkie achter, terwijl die zijn arm om Leni heeft geslagen. Even daarvoor staat: 'Nu hij alles kwijt was, lag het leven vreemd licht op zijn schouders.'

Je kunt het verleden nooit helemaal van je afschudden. Maar je kunt je wel ontdoen van de dwanggedachte dat je alle fouten van vroeger moet goedmaken. Doe het omgekeerde van de strandjutter. Werp het wrakhout weg. Het verleden gaat nooit voorbij - maar blijft wel verleden.

Er is leven na de Apocalyps, en dat is bij alle sofs een opsteker. Het Panorama IJlander is beduidend herfstiger dan dat van Mesdag, maar de compassie met de stugge solisten die onder Gods hemel scharrelen, geeft het verhoopte beetje lucht aan deze roman. Wie alles kwijt is, heeft niets meer te verliezen. Schraal als de zeewind is de troost die IJlander ondanks alles biedt.

Arjan Peters

Gijs IJlander: Twee harten op een schotel.

Veen; 255 pagina's; * 34,90.

ISBN 90 204 5810 8.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden