Alles voelt en weegt

Naam: Cees Andriesse (1942) Beroep: natuurkundige Titels: prof. dr. ir. Ook: schrijver en publicist En: Kema-dissident..

OP HET visitekaartje van de hoogleraar staat 'schrijver', ofschoon deze schrijver toch zo onmiskenbaar een natuurwetenschapper is. En misschien zelfs wel: vooral een natuurwetenschapper.

De materie spat uit de alinea's van Een Boudoir op Terschelling, bijvoorbeeld. Daarin staat hij, de natuurkundige Cees Andriesse, op het Waddeneiland, herstellende van een ternauwernood ontweken zenuwinzinking, helemaal ten voeten uit. 'Aan geel riet en zwart water rust ik even uit, 't is ook luw hier, mijn botten zijn zwaar als bismuth en vervallen langzaam, uiterst langzaam.' Alles smaakt, riekt, heeft structuur en weegt bij hem. Alles voelt.

Dat was in 1987. Daarvoor zat De diefstal van Prometheus. Erna kwamen nog Het Hemelse Landschap en Titan kan niet slapen, de biografie van Christiaan Huygens (alle verschenen bij uitgeverij Contact). En elk jaar toch wel drie, vier wetenschappelijke publicaties. De stapel is, een half mensenleven verder, nog net te torsen. Hij kan mooi schrijven, zeggen sommigen, weet hij.

Daarbij heeft hij zelden een periodiek systeem bij de hand. De stoffen en hun aard, dat zit allemaal in die grote witte kop van hem. Die imposante kop, die zijn woorden bij het praten nu en dan vanzelf meer gewicht lijkt te geven dan hij wel eens willen zou. Dan breekt hij zijn zin abrupt af. Hij zucht en peinst dan, en besluit dat hervatten geen zin heeft.

Op papier ligt dat anders, natuurlijk. Daar mag het donderen. Moet het vloeien, moeten zuivere beelden tot het uiterste worden volgehouden, omdat stijlbreuken in feite denkfouten zijn. Zinnen als de eerste zin van Nooit meer slapen, W. F. Hermans. 'De portier is invalide.' dergelijke zinnen zoekt hij, vindt hij soms.

In zijn schrijven moet het compromisloos eerlijk toegaan. Daar mag de onvermijdelijke erotiek der dingen er doorheen schemeren, de passie. Ook in zijn wetenschappelijke werk. Deze mensenwereld barst van de erotiek. Ontken het maar niet. Doorgaans beschouwen vakgenoten hem overigens juist als een theoreticus.

Cees was eerst Keessie, zoon van zijn vader vooral, zoon van de directeur van de elektriciteitscentrale in Leeuwarden. Hij herinnert zich nog steeds de brullende vuurhaarden, de stoomketels, het lawaai. De rook en de bergen kolen, pramen vol dampende sintels die naar de stort werden gevoerd.

Zijn jonge hoofd stond naar alles tegelijk. Naar wiskunde en natuurkunde, en naar taal en poëzie, naar muziek, naar sterrenhemels, naar de techniek van de elektriciteitswereld die thuis soms als een gezelschap doortastende en serieuze heren aan de tafel in de eetkamer zat. Hun opvolgers zouden hem ooit buitengewoon hoogleraar in Utrecht maken.

Toen werd de landkaart van zijn leven al getekend, al weet je zoiets pas achteraf. Hij ging, stap één, naar Delft en het werd een ramp. Bijna een ramp, althans. Uit Een Boudoir op Terschelling: 'Toen ik in 1958 naar Delft ging was het alsof ik werd neergesmeten in een bak koud water. Het bloemrijke werd geschrapt, het was meten en tellen. Dit is 1 en dat is 1 en 1 + 1 = 2. De rest deed er niet toe. De rest werd geschrapt. De rest van oninteressante duivelspoep, drek.'

Waarna het verhaal eruit barst over de godvergeten oorlog tussen zijn ouders, over vaders kleineringen en cynisme en over moeders onberekenbaarheid en woede. Het was oorlog, thuis in Leeuwarden, en hij zat er stil en braaf bij. Een zacht kind, met tienen voor taal en achten minimaal voor natuurwetenschappen, een kind dat zijn vader opvolgen zou als ingenieur. Vandaar Delft, natuurlijk.

Hij verzette zich nauwelijks, toen het zover was, maar lag na een schuchter begin anderhalf jaar doelloos in bed en keek naar het licht dat door de gordijnen viel of componeerde wat aan zijn eerste strijkkwartet. Hij won er, in Groningen, een prijs mee, met dat kwartet, begon aan een tweede dat welbeschouwd veel beter was en door vrienden nog wel eens is uitgevoerd. Getoonzet op zijn naam. C. E. E. En dan alles in dis geschreven, dat was de S. Cees dus. Laaa-lalala, magistraal zoveel je kon doen met die ritmiek erin. Maar laat hij bescheiden blijven.

Na twee jaar ging hij alsnog maar aan de slag en studeerde in noodtempo af. De componist in hem was te klein gebleken naar zijn smaak, te halfslachtig in elk geval. Weg ermee. Hij ging in de kernenergie. In de polder was net het reactorinstituut verrezen. Hij schreef er het tweede proefschrift ooit, over elastische botsingen van neutronen op argon. Binnen vier jaar, een record, lag het er.

Kernenergie, kernsplitsing voor vreedzame doelen terwijl elders in de wereld geregeld atmosferische kernproeven dreunden, dat had de toekomst. Daar gingen de grote geesten heen. Daar spraken de mannen thuis over. Zijn vader. Hij liep gedwee mee de polder in, heeft hij zich later gerealiseerd. Hij componeerde er geen noot meer, las nauwelijks nog een boek, schreef alleen wetenschappelijk werk. Het hoofd was daarmee voldoende gevuld.

Velen van zijn generatie zitten nu nog in Delft, maar hij besloot middenin een vervolgonderzoek in het Belgische Mol dat het maar eens afgelopen moest zijn. Hij keek, avond aan avond onderweg van de centrale naar zijn bescheiden slaaphut in het dennenbos verderop, omhoog en wist waar hij wezen moest. Het firmament, zijn oude fascinatie. Liefst via Leiden, maar uiteindelijk via Groningen. Andriesse kon instrumenten bouwen. Dat hadden ze nodig, dachten hij en zij.

Maar dat verdomd eigenwijze hoofd van hem, hij zegt het maar zoals het is, kwam ook mee. En dus lagen er al theoretische artikelen over infraroodstraling en het massaverlies van sterren voor hij goed en wel in Groningen zat. Het werd zijn meest geciteerde werk.

Hij bleef echter een fysicus tussen astronomen. De zalen in Groningen bleven bij zijn seminars leeg, op een enkele verdwaalde student na. Hij was geen astronoom en geen astronoom wilde zich in zijn inzichten verdiepen, het debat aangaan.

Hij stond erbij en keek. Besloot dat hij misschien weg moest, alweer. Delft trok aan hem voor een hoogleraarspost, maar een mens moet niet in cirkels leven en Philips polste, maar zag er vanaf.

De elektriciteitsbedrijven in Arnhem, Kema, trokken het hardst. Het was 1980, het jaar na het kernongeluk in Harrisburg. En de laatste keer dat onderzoekers uit de kernenergie zelf meenden dat uitgezocht moest hoe zoiets ernstigs kon gebeuren. Grote namen, die inmiddels andere onderwerpen hadden gevonden, keerden terug in het veld. Daar wilde hij wel bij zijn. Ook al zei een oud-collega van zijn vader, dat Arnhem zijn wereld niet zou zijn.

Maar was Kema niet een keurig bedrijf met een grote standing en faam? Een nutsbedrijf, dat verantwoordelijk opereerde. Daar kon je als onderzoeker trots op wezen.

Hij ging er proeven doen met gesmolten brandstof. Om na te gaan wat er eigenlijk gebeurt als de reactor oververhit raakt. Om het rekenwerk tastbaar te maken. En mengde zich in het maatschappelijke debat. Op persoonlijke titel en als Kema-man tegelijk. De directie liet hem begaan. Hij heette de stroman van de kernlobby te zijn, een gekochte wetenschapper.

Hij was er naïef in, aanvankelijk, zeker. Dacht dat hij als geleerde argumenten had die overtuigen konden. Cees Andriesse zou het volk opvoeden en beschermen tegen de demagogie van de tegenstanders van kernenergie. Net toen hij begon te beseffen dat het zo niet werkte, klapte Tsjernobyl. Dat was 1986, hij zat in een concert en bleek de rest van de week een van de weinige deskundigen die hardop iets durfden te zeggen. Zoiets kan hier niet, was zijn reactie.

Zoals Goethe ooit met zijn neus op de kiem van de Franse revolutie stond zonder het te beseffen, zo wist hij pas jaren later dat dat ongeluk een historisch moment was. Zijn theoretische bedenkingen bij de veiligheid van de westerse reactoren ontmoetten ongeloof in Arnhem, glazige blikken. Zijn pleidooien voor een ander type reactoren wekte wrevel. Of ongemakkelijke hilariteit. Utrecht, de door de Kema betaalde leerstoel energievoorziening, kwam als een bevrijding.

Maar journalisten vroegen en hij antwoordde dat een reactor waarin water tegelijk de kernreacties remt en de brandstof koelt, altijd risico draagt. Zoals de Nederlandse reactoren, ja. Het werd alsnog een politieke kwestie. Borssele moest dicht, werd er geroepen. In zijn binnenste was hij het ermee eens.

De argwaan in Arnhem, van zijn broodheren, groeide. Er werd heen en weer gesproken. Er kwam een nieuwe directie. Geen millimeter kreeg hij meer. Daar wordt hij onhandig van. En het ondenkbare gebeurde, hij vloog eruit.

Althans, er was die brief die wees op bedrijfsbelangen en conformeren en die andere betrekkingen aanbeval. Maar toen zijn advocaat daarop reageerde, mocht hij best weer blijven. Een vernederend spel was het, de wetenschap, de Kema, onwaardig. Hem onwaardig.

Hij vertrok, begon te denken dat het iets in zijn persoon moest zijn, dat steevaste vluchten naar voren. Dat het niet gewoon gezond non-conformisme was. De Fries in hem.

Goddank was er Huygens, Christiaan, de rusteloze held uit zijn Titan kan niet slapen, ontdekker van de ringen van Saturnus en het slingeruurwerk. De melancholische geleerde die hem, de sensibele biograaf, deed inzien dat hij niet in het bedrijfsleven thuishoorde, maar veeleer in de kunsten, hooguit de wetenschap.

Hij durfde het voor het eerst onder ogen te zien, hardop te zeggen: Arnhem was een vergissing geweest. Zijn vaders wereld van vuurhaarden en ketels en stoom en dampende pramen vol sintels was de zijne niet. Een gewone leeropdracht in Utrecht die hem bij de leest houdt, dat is zijn wereld, thans, want onderweg zwierf hij, soms met de ziel onder de arm, rond. Onderwijs en onderzoek, beide met zorg en een zekere sierlijkheid uitgevoerd, vullen het hoofd.

De schrijver in hem slaapt.

Martijn van Calmthout

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden