Allerminst een verdrietig vogeltje; EERSTE DEEL WILHELMINA-BIOGRAFIE DOET UITZIEN NAAR VERVOLG

ECHT OPGETOGEN lijkt het land niet te zijn geweest toen ze werd geboren. 'Het is maar een meisje', zette het Leidsch Dagblad boven het nieuws van de blijde gebeurtenis, en daarmee was volgens de krant verklaard 'waarom vele vlaggen, tot uitsteken bestemd, weer werden opgeborgen, en waarom schoone gelegenheidsgedichten, reeds...

Het zegt iets over de rol van de vrouw in 1880. Het zegt ook iets over de reputatie die het koninklijk huis toen genoot. Die was er gedurende de dertigjarige regeringsperiode van Willem III niet beter op geworden - vandaar misschien ook de gretigheid waarmee in den lande werd getwijfeld aan zijn vaderschap (hij was tenslotte al aardig bejaard toen hij in 1879 met de ruim veertig jaar jongere Emma hertrouwde), en de hardnekkigheid van het verhaal dat 's konings jeugdige adjudant De Ranitz het prinsesje had mogen verwekken.

Of een dochter 'den Oranjestam' kon redden was een vraag die door de anti-revolutionaire Standaard van Abraham Kuyper ook expliciet werd gesteld; maar het was altijd beter dan niks. De zonen van Willem uit zijn huwelijk met Sophie waren alle drie kinderloos gestorven en van het nieuwe meisjeskind hing het dus af of de Nederlandse dynastie in rechte lijn zou voortbestaan. Zo niet, dan zou een troonopvolger volgens de grondwet gezocht moeten worden in een van de nog vruchtdragende zijtakken van de familie, hetgeen ten minste twee grote risico's kon opleveren: het land zou opgescheept worden met een Huis waarmee het geen historische banden had, en bovendien onder te bedreigende invloed kunnen komen van de Duitse keizer. En annexatie bij Duitsland gold aan het eind van de eeuw nog als een reëel gevaar.

Dan altijd nog liever een 'eigen' meisje, van wie de komst dus eigenlijk vooral vanwege die uitstervingskans met een zekere opluchting is begroet.

Hoezeer moeten die twee door het lot bepaalde 'handicaps' - dat ze een vrouw was en dat er geen alternatief bestond - het leven en de karaktervorming van Wilhelmina hebben bepaald?

Wat we van haar weten, weten we van haarzelf, van een handjevol Oranjeklanten en van een handjevol antimonarchisten die zich in hun boeken en pamfletten meestal hebben laten kennen als omgekeerde Oranjeklanten. Niet de meest betrouwbare bronnen dus. Wat zij - in Eenzaam maar niet alleen (1959) - over zichzelf kwijt wilde, bleef angstvallig binnen de grenzen van wat ze in overeenstemming achtte met haar koninklijke waardigheid, en daar dacht ze niet gering over. En wat anderen daar in onderdanige eerbied dan wel oneerbiedig venijn aan hebben toegevoegd was óf ontleend aan dat ene officiële boek, óf aan de mythologie, óf aan de duim.

Zolang een aantal particuliere collecties en met name de bescheiden uit het Koninklijk Huisarchief onontsloten of ontoegankelijk bleven, lag een volwassen levensbeschrijving ook domweg buiten ieders bereik. Zonder 'hoge' toestemming om de vitale stukken te mogen raadplegen, heeft geen enkele serieuze historicus zich er dus ooit aan willen wagen.

De Leidenaar Fasseur slaagde er als eerste in Huis ten Bosch te vermurwen, wat me op zichzelf al een prestatie van belang lijkt. Hij hoefde er niets voor terug te doen. Harold Nicolson, schrijft hij, kreeg als biograaf van George V het dringende verzoek van Buckingham Palace mee 'to omit things and incidents which were discreditable to the Royal Family'. En hij voegt daar in tevredenheid aan toe: 'Aan mij zijn bij mijn onderzoek nimmer enige beperkingen of restricties van die aard gesteld.'

Nou zou dat op zichzelf nog niet alles hoeven te garanderen - ook onder professoren vind je vleiers en angsthazen. Maar nergens in het eerste deel van de tweedelige biografie - II is aangekondigd voor het jaar 2000 - tref je een spoor van terughoudendheid, laat staan van byzantinisme. Voor Fasseur was De jonge koningin kennelijk een historisch onderwerp als elk ander, met als enig verschil misschien dat hij een terrein betrad dat in feite nog zo goed als braak lag.

Wat hem vooral interesseerde waren twee dingen: de persoonlijkheid van de vorstin, en de wijze waarop ze haar rol als staatshoofd vervulde in wat sinds de cruciale grondwetsherziening van 1848 'het moderne koningschap' heette - het koningschap dat krachtens de constitutionele spelregels politiek weinig meer had in te brengen dan lege briefjes.

Strookte die ceremoniële rol met Wilhelmina's geenszins timide of volgzame karakter? Fasseur is al over de helft van zijn boek als hij uitvoerig stilstaat bij een van de vele botsingen tussen majesteit en haar minister(s) van Oorlog, die haar bij wijze van spreken prikkelden tot ongrondwettelijk ingrijpen; daar had haar vader ook vaak last van gehad.

Maar, voegt hij daar dan aan toe: 'Het verschil was wel dat Wilhelmina zich veel beter liet informeren dan hij. Zo kon zij beter tegenspel bieden. Zelfs voor een staatsrechtelijk machteloze maakt kennis macht.'

Van zulke smakelijke, terzijde-achtige zinnetjes wemelt het in de biografie. Op een even onbevangen als onnadrukkelijke manier zetten ze de feiten telkens in een door de auteur gewenst perspectief, en zonder ooit belerend te worden houdt hij de lezer bij de les: als een aangenaam docent, die kleine malicieusheden in zijn verhaal niet schuwt.

In 1887 (Willem leeft nog) slaan tijdens een rijtoer van Emma en het kleine prinsesje twee paarden op hol, en alleen dankzij de tegenwoordigheid van geest van een dappere koetsier loopt het goed af. 'De paarden', schrijft Fasseur, 'werden met pistoolschoten afgemaakt, want de koning was tegen subordinatie, in welke vorm dan ook.'

Later maakt hij gewag van een verjaarspartijtje ter ere van prins-gemaal Hendrik, waarvoor de koningin zelf een toneelstukje had geschreven. 'In deze feeërie van pratende bomen (er is niets nieuws onder de zon) zou Wilhelmina de hoofdrol vervullen', aldus Fasseur.

En op nog weer een andere plaats komt de koninklijke liefde ter sprake voor het Nederlands, dat het Frans als traditionele hoftaal definitief moest vervangen. Uit erkentelijkheid bood de universiteit van Groningen haar een eredoctoraat in de Nederlandse letterkunde aan, dat zij dankbaar aanvaardde onder het uitspreken van de wens 'dat de taal onzer Vaderen leeft, verjongd en krachtig, gebruikt door een kloek en voortvarend volk'.

Waarop Fasseur (die al eerder heeft laten weten dat ze de moedertaal slecht spelde): 'Daar was inderdaad geen woord Frans bij.'

Je krijgt de indruk - en hij maakt je als het ware deelgenoot van dat proces - dat hij in de loop van z'n onderzoek steeds meer schik is gaan krijgen in de jongedame, zonder overigens de minder plezierige of mallotige kanten in haar karakter ooit uit het oog te verliezen. Ze was natuurlijk een ongemakkelijke tante: eigenwijs, verwaand, al vroeg geneigd tot vormen van bigotterie, behoorlijk vooringenomen tegenover mensen die haar op het eerste gezicht niet bevielen, soms onberekenbaar, altijd koppig, argwanend en autoritair.

Maar wat wil je?

Ze was 18 jaar toen ze tot het hybride ambt werd geroepen, en ze werd daar weliswaar voortreffelijk door haar moeder op voorbereid, maar ze was zich daarom vermoedelijk des te pijnlijker bewust van die twee ingebouwde handicaps: dat ze een vrouw was, en bovendien de enige - dus mogelijk de laatste.

In een samenleving waarin mannen de lakens uitdeelden, moest zij ('slechts een meisje') laten zien wat ze waard was - niet alleen als tegenspeelster van zulke patriarchale potentaten als Kuyper, Schaepman, Talma, De Savornin Lohman en Troelstra, maar ook als instandhoudster van de stam. De drie miskramen die voorafgingen aan de geboorte van Juliana, moet ze vooral ook hebben ervaren als bewijzen van persoonlijk falen. Er moest immers worden voortgeplant.

Allemaal niet vrolijk - dus misschien logisch dat zij er op haar oude dag met enige bitterheid aan terugdacht. Fasseur spreekt van 'een zeker zelfbeklag' in de autobiografie, en heeft wat hij in de tot dusver gesloten archieven vond, vooral gebruikt om het zielige en naargeestige beeld uit Eenzaam maar niet alleen enigszins te retoucheren. Natuurlijk moet de jonge Wilhelmina het door Emma streng bewaakte hofprotocol als 'een gouden kooi' hebben ondergaan; natuurlijk kreeg ze, net koningin geworden, meteen de vuurproef te doorstaan met een kabinet van de wel zeer vrouwonvriendelijke Abraham Kuyper, aan wie ze tot diens dood in 1920 ronduit de pest zou blijven houden; en natuurlijk zou ze zich nog lang de vernederende koehandel blijven herinneren ter voorbereiding van haar huwelijk - van de teeltkeus af tot aan het eindeloos gemarchandeer over een passende toelage die ze ten slotte ook nog uit haar eigen zak moest betalen.

Maar uit de correspondentie met haar gouvernante Elizabeth Saxton Winter, uit haar eigen dagboeknotities en zeker uit de brieven aan haar moeder ('lieve Spekkie') komt ze allerminst te voorschijn als een verdrietig vogeltje, integendeel. Van jongs af aan blijkt ze haar omgeving scherp en soms meedogenloos te hebben geobserveerd, en met evenveel humor als boosaardigheid vertrouwde ze haar bevindingen aan het papier toe; dat moet haar op z'n minst vaak hebben opgelucht.

Voorzover dat bronnenmateriaal de waarheidsbeleving van die jaren weergeeft, kan ze zich - incidentele tegenslag daargelaten - absoluut niet ongelukkig hebben gevoeld. Ze was aanvankelijk zeer in haar nopjes met Hendrik (moeder Emma meende zelfs voor verliefde 'slaafsheid' te moeten waarschuwen), dolblij met Juliana, en altijd getroost door een religieus besef dat van de hervormde Oranje-belijdenis tot allengs zweveriger mystiek reikte. En een bewonderenswaardig plichtsbesef stond er mede borg voor dat ze haar werk als regerend vorstin eerder als een haast avontuurlijke uitdaging dan als een loden last opvatte; ze was trouwens bemoeiziek genoeg om er aardigheid in te hebben.

Fasseur gaat in het laatste (en langste) deel van zijn biografie uitvoerig in op haar rol als 'hoofd van staat', en meer speciaal op het niet geringe aantal humeurenkwesties die zich alleen al in de eerste twintig jaar hebben voorgedaan tussen haar en de diverse ministers uit de vijf kabinetten die ze tot 1918 mee hielp formeren.

Van Kuyper - het is al gememoreerd - moest ze niets hebben. In haar aantekeningen noemde ze hem onverbloemd een 'lafaard' die naar de volksgunst joeg, en iemand met 'diplomatiek talent (. . .) of minder vleiend gezegd: hij kon uitmuntend komedie spelen'.

Troelstra, die zich na een stevige verkiezingswinst in 1913 ten paleize mocht vervoegen, vond ze blijkens een brief aan Emma 'een vermoeiend genie, van een soort dat ik nog nooit ontmoet heb', en sterker: 'Hij is beslist de knapste van de ter conferentie ontbodenen, doodjammer dat hij tot die partij behoort.'

Het merendeel van de bewindslieden die ze woog, werden te licht bevonden: zwak, bangelijk, en haast allemaal meer op het partij- dan op het lands-belang gericht. In feite was de (partij)politiek haar permanent een doorn in het oog - vandaar haar voortdurende pogingen, soms langs half en half achterbakse weg ondernomen, om bij formaties op een nationaal kabinet aan te sturen: haar ministers dienden wat haar betreft net zo 'boven de partijen' te staan als zij zelf.

Maar als ze ten slotte haar zin niet kreeg, lijkt ze zich in de meeste gevallen zonder veel rancune naar de blijkbaar onvermijdelijke werkelijkheid te hebben geschikt. Op z'n ergst nam ze wraak op een bête noire door hem een lintje te onthouden, of ze blies stoom af bij lieve Spekkie, zoals in het geval van een in haar ogen incompetente bewindsman van Marine, die ze in een brief woedend aanduidde als 'zoo'n onqualificeerbaar!!! ploertig uilskuiken'.

In de vele gevallen dat ze het met haar regeerders oneens was, probeerde ze de grenzen van haar constitutionele bevoegdheden (geconsulteerd worden, aansporen en waarschuwen - meer niet) op te rekken. Echte conflicten aan het eind waarvan ze een enkele keer aan het langste eind trok, deden zich vooral voor op de terreinen van Buitenlandse Zaken en Oorlog, die ze zo'n beetje tot haar persoonlijk domein rekende - het ging tenslotte om Harer Majesteits gezanten, en om Harer Majesteits strijdkrachten.

Ze had uitgesproken opvattingen over buitenlandse politiek, en zeker op BZ gaf ze aan 'echte diplomaten' de voorkeur boven politici. Aan pacifisten had ze een broertje dood. Nog maar net ingehuldigd moest ze al klaar staan voor de internationale vredesbewegers die in Den Haag neerstreken en voor wier openingszitting ze zelfs Huis ten Bosch moest afstaan - 'wat mijn zak meerdere duizenden' kostte. Net als de oude koningin Victoria was ze een krent, maar als er dan toch over de brug gekomen moest worden, gaf ze het liever aan manhaftige kanonnen dan aan meiderige ontwapeningsconferenties.

Toen in 1917 een onoverbrugbaar probleem rees tussen de minister van Oorlog en generaal Snijders, stelde ze zich, tot op de rand van een constitutionele crisis, als een kerel achter 'haar' opperbevelhebber op, en tussen haar en premier Cort van der Linden (aanvankelijk een favoriet) is het daarna nooit meer goed gekomen.

WAS ZE een koningin van 'alle Nederlanders'?

Dat wou ze, maar zo had zo haar parti-pris. Ten opzichte van de katholieken bijvoorbeeld, die ze toch altijd bleef zien als de vijanden van haar grote voorvaders. Vandaar dat ze veel heeft moeten wegslikken toen ze in 1918 ten slotte moest zwichten voor de roomse premier Ruijs de Beerenbrouck. Godzijdank viel hij mee, en ze schreef aan Emma: 'Ruijs heeft zich dezer dagen al aardig ontwikkeld, gaat meer Nederlandsch denken en voelen, ik bedoel, zoals wij in het hart des lands plegen te doen.'

Langs die maatlat legde ze waarschijnlijk iedereen met wie ze in contact kwam: ministers, generaals, burgemeesters, maar ook eenvoudige burgers, boeren en buitenlui die ze wel eens ontmoette, werden beoordeeld naar de mate waarin ze leken te denken en te voelen 'zooals wij in het hart des lands plegen te doen'. Vanuit haar gouden kooi had ze vermoedelijk ook geen ander criterium bij de hand.

Zonder werkelijk te weten of te kunnen weten wat er precies onder het volk leefde, was ze in veel opzichten zeer 'Hollands' in haar eigengereidheid, haar periodieke grootheidswanen en haar praktische zin. Oud-president Teddy Roosevelt, in 1910 te gast op Het Loo, moet dat met verwondering hebben aangezien. 'Eigenlijk', schreef hij later aan een vriend, 'is ze buitengewoon onaantrekkelijk en gewoontjes, en daarbij zowel verwaand als onbehouwen. Een echte kleine Nederlandse Frau uit de middenklasse, maar ontzettend ingenomen met de waardigheid van haar positie.'

Fasseur laat het er - niet uit hoffelijkheid, maar uit historische zorgvuldigheid - niet helemaal bij zitten. Hij vermoedt dat Wilhelmina tijdens de visite 'minder in hem en in Amerika was geïnteresseerd dan in de eerste verjaardag van haar dochter, de volgende dag'.

En bovendien: 'Nederland was haar horizon; in de internationale politiek stelde zij alleen belang voorzover daarbij Nederlandse belangen betrokken waren. De Verenigde Staten lagen wel heel ver weg.'

Het zijn die kleine preciseringen die als het ware 'lucht' geven aan zijn met feiten en wetenswaardigheden volgepakte boek, en die doen uitzien naar het vervolg.

Jan Blokker

Cees Fasseur: Wilhelmina - De jonge koningin.

Balans; 647 pagina's; gebonden ¿ 85,-, paperback ¿ 59,50.

ISBN 90 5018 504 5.

ISBN 90 5018 505 3.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden