Interviewentomoloog en ‘insectenambassadeur’ Aglaia Bouma

Aglaia Bouma overwon haar angst voor insecten: ‘Als ik er nu ergens een zie, ren ik er meteen op af’

Beeld Getty - Bewerking Studio V

Aglaia Bouma overleed bijna door een wespensteek en werd daarna bang voor alles op zes pootjes. Die angst overwon ze en nu wil ze als insectenambassadeur juist laten zien hoe mooi de dieren zijn. ‘Bladluizen vind ik zo gaaf.’

Ze komt van ver, Aglaia Bouma (49), entomoloog en ‘insectenambassadeur’. Op haar zeventiende werd ze op vakantie in Oostenrijk gestoken door een Europese hoornaar, die zich op haar borstkas had vastgezet en zich er niet af liet slaan. Prachtig beest, vindt ze nu, doet ook zelden kwaad. Toen had ze er nog nooit van gehoord, wel zag ze dat het een heel grote wesp was. Zes steken om precies te zijn. Toen ze later ontwaakte in het ziekenhuis lag ze aan een infuus. De arts meldde dat ze in een anafylactische shock was geraakt. ‘Als u vijf minuten later was gekomen, dan was u dood geweest.’

Aglaia Bouma met een julikever, Polyphylla fullo.Beeld Frans Bouma

Na die ervaring, die hevige allergische reactie, ontwikkelde Bouma een insectenfobie. ‘Het begon met angst voor wespen. Daarna werden bijen eng. En alle dieren die misschien wel een angel hadden. Voor de zekerheid ben ik toen maar bang geworden voor alles wat vloog. En daarna voor alles wat zes pootjes had, voor insecten dus. En toen zat ik binnen.’

In augustus, de maand dat limonadewespen opdringerig kunnen worden, sloot ze zich thuis op, autoraampjes bleven altijd dicht, in de natuur kwam ze al helemaal niet, of het moest in de winter zijn of het vroege voorjaar. ‘Als mensen vroegen: zullen we gezellig…? Nee. Ik probeerde het wel, maar als je eenmaal zo angstig bent, kun je nog zo hard denken: joh, dat beest doet niks, maar als je ergens iets ziet vliegen, breekt gewoon de paniek uit. Zweten, angst, rennen. Het lichaam reageert: ik moet weg.’

Beeld Getty - Bewerking Studio V

En nu, meer dan dertig jaar later is er een boek, Insectenrijk, niet minder dan een ode aan insecten. Bouma beschrijft – behalve de wereld van insecten – ook haar eigen metamorfose, van ‘entomofoob’ tot ‘entomofiel.’ Want dat is wat er gebeurde, in ongeveer 25 jaar tijd: uit haar fobie voor insecten kwam een fascinatie voort, een passie zelfs. ‘Nee, dat was nooit het plan’, zegt ze, ‘maar het gebeurde.’ Ze begon te lezen over insecten. ‘Ik dacht: als ik ze een beetje begrijp, dan verdwijnt de angst misschien. Ik vond insecten vooral onvoorspelbaar. Je weet nooit waar ze naartoe gaan, of waar ze landen. Ik dacht: als ik maar begrijp waarom die wespen in augustus de hele tijd om me heen zitten te etteren, dan is het misschien minder erg. Op een gegeven moment wist ik: als ik maar stil zit, dan ziet dat beest me eigenlijk niet. Je moet bewegen wil een wesp je echt goed zien. En zolang je geen zoetigheid op je smeert, bijvoorbeeld een parfum, dan gebeurt er niets. Goed, dan kunnen ze nog naar je eten gaan, of naar de zoetigheid op tafel, maar dat begreep ik dan. Je leert ook: je moet niet naast een nest gaan staan.’

Wolzwever verzamelt zand met de borstelvormige structuur aan haar achterlijf.Beeld Aglaia Bouma

En zo verdween uw angst?

‘Dat ging geleidelijk. De fysieke angstreflex is niet zomaar weg. Maar intussen ontdekte ik hoe mooi insecten zijn en hoe bizar hun levens vaak. Op een bepaald moment was het zo dat ik insecten niet meer bestudeerde om de angst te overwinnen, maar gewoon uit fascinatie.’

Was er een omslagpunt?

‘Er waren er meerdere. Ik werd echt gegrepen door bladluizen, die vind ik zo gaaf. Bladluizen planten zich ongeslachtelijk voort en ze zijn levendbarend, ze leggen dus een kloon van zichzelf, en die kloon is al zwanger als ze geboren wordt. Als het te druk wordt op een bepaalde plant, gaan ze exemplaren produceren met vleugels en grotere ogen, en langere antennes. Die zijn ertoe uitgerust om ergens anders een nieuwe kolonie te beginnen. En dan bedenken ze ineens: weet je wat, we maken toch maar eens een mannetje. Dan kunnen ze paren en eieren leggen, waarna ze zich weer generaties lang ongeslachtelijk voortplanten.

‘Het zijn zulke bizarre beesten. Ze gebruiken mieren als bodyguard. Iedereen zegt altijd dat mieren bladluizen hoeden vanwege de honingdauw die bladluizen produceren, maar andersom gebruiken bladluizen mieren ook om zich te laten beschermen tegen bijvoorbeeld lieveheersbeestjes en gaasvlieglarven. Het zijn zulke geweldige beesten. De honingdauw die ze produceren is hartstikke lekker voer voor zoveel andere insecten, zoals voor mieren, hommels, vlinders en schorpioenvliegen. De bladluizen waren voor mij een kantelpunt. Vanaf die tijd begon ik insecten te verdedigen en te propageren; ze moeten juist niet dood. Als je veel bladluizen hebt, zet je er hoogstens een lieveheersbeestje bij. Die zijn dol op bladluizen.’

Bladluizen die gehoed en gemolken worden door mieren. ‘De bladluizen waren voor mij een kantelpunt. Vanaf die tijd begon ik insecten te verdedigen en te propageren.’Beeld Aglaia Bouma

En de angst voor wespen, die verdween ook?

‘Ja, dat was echt een kantelpunt. Dat gebeurde hier voor de deur (van haar huis in Scheveningen, red.). Ik had een camera gekocht met macrolens, zover was ik al. En ik wilde dus fotograferen, allerhande insecten. Het was voorjaar, ik stond hier bij de rozenstruik, voor de deur. En ik hoorde opeens het typische gezoem van een wesp, zzzz, het geluid waar ik altijd zo bang voor was geweest. Het was een koningin Duitse wesp. Ik zag dat beest landen in de rozenstruik en ik deed wat ik altijd deed: ik rende weg. Alleen, nu liep ik ook weer terug, met mijn camera, ik kwam gewoon steeds dichterbij. En ik stond daar, ik hield mijn adem in en ik realiseerde me: de angst is weg, kijk eens wat een mooi beest. Sindsdien ben ik echt van mijn angst af. Sterker: als ik nu ergens een insect zie, ren ik er meteen op af.’

Er zijn miljoenen insectensoorten. Dat lijkt me lastig bij het schrijven van een boek over insecten.

‘Alleen al in Nederland leven ongeveer 17.500 insectensoorten. Het kon dus niet over alle insecten gaan. Ik heb de levensstadia van insecten beschreven en zo veel mogelijk groepen in het boek verwerkt. Een beetje parallel aan mijn eigen ontwikkeling. De kennismaking, de flirt, de liefde, de bevruchting, de groei, de metamorfose, de ontpopping. De liefde, dat is toch wel mijn favoriete hoofdstuk.

‘Insectenintimiteit is vaak te bizar voor woorden. Maar ook mooi. Zo ook het flirten. Bij de gele koortsmug zit de romantiek in het zoemen. De man hoort een vrouwtje met een bepaalde vleugelslag, een frequentie, dat is het zoemen, en daar gaat hij op af. Hij wordt daar helemaal enthousiast van en hij gaat sneller vliegen. Dan gaat zij ook wat sneller vliegen, maar ze kan niet zo snel als hij. En dan gaat hij weer langzamer. Totdat ze uiteindelijk letterlijk op dezelfde golflengte zitten. Dat is zo mooi en romantisch.’

Larve van een gaasvlieg gecamoufleerd met restanten prooi, vooral bladluizen.Beeld Aglaia Bouma

Het gaat slecht met insecten, blijkt uit onderzoek. Heeft u met uw boek een hoger doel, het beschermen van insecten?

‘Ja, maar ik probeer dat niet te doen door het over hun ‘nut’ te hebben. Het nut van insecten aantonen is niet moeilijk. Zonder muggen stort het hele voedselweb in elkaar, zonder wespen zouden we meer last hebben van muggen en vliegen, zonder bestuiving etc.. Ik probeer vooral te laten zien hoe mooi en fascinerend insecten zijn. Zo’n onooglijk kevertje blijkt bekeken door een microscoop opeens wonderschoon te zijn. Ik kan uren naar de opslagorganen voor sperma van de vrouwtjes van kortschildkevertjes kijken door de microscoop. Die hebben de meest wonderlijke vormen, zoals kurkentrekkers met doodlopende weggetjes.

‘Ik probeer die fascinatie over te brengen. Ik heb zelf de weg afgelegd van haat tot het inzicht hoe geweldig en onmisbaar insecten zijn. Ik vind dat meer mensen dat moeten weten. Opdat ze geen struiken meer kapotspuiten omdat er drie rupsen op zitten. Om vervolgens een half jaar later te zeggen: waarom zijn er geen vlinders? Dat kan ik niet hebben. Ik probeer juist te laten zien hoeveel schoonheid er onder onze neus gewoon bestaat. En dat het ene niet zonder het andere kan bestaan. Dat sommige plantjes bijvoorbeeld afhankelijk zijn van één specifieke bijensoort. Als die bijensoort niet meer bestaat, dan is het plantje binnen de kortste keren ook weg. Ik wil niet dat de wereld grauwer wordt, maar juist kleurrijker.’

Beeld Atlas Contact

Aglaia Bouma: Insectenrijk – Het grootse leven van kleine beestjes. Atlas Contact; 244 pagina’s; € 22,99.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden