'Ach, Ragebol, snikte ze in zijn manen' Meisjesboeken schenken uren leesplezier

Meisjesboeken - ze mochten vroeger al niet. Ouders die normaal riepen dat je moest lezen, minachtten 'die boekjes'. En nog staan ze niet op de lijst met aanbevelingen van de CPNB....

MATRONE, kostschool, paarden, tweeling: soms zijn vier woorden genoeg om een wereld op te roepen waarvan je niet meer wist dat hij bestond. Barbara Trapido gebruikt ze in haar vorig jaar verschenen roman The travelling hornplayer. Het gaat absoluut niet over kostscholen en bijbehorende meisjesperikelen, maar wel over tweelingzusjes die dat soort boekjes in hun tienerjaren gretig lazen.

Die boekjes. Alsof met enkele wachtwoorden een sluis in het geheugen is geopend, komen de herinneringen weer boven. Pitty naar kostschool, Pitty's tweede kostschooljaar, Pitty in de derde, Pitty als vierde klasser, Pitty's vijfde kostschooljaar en Pitty's laatste kostschooljaar. 'Onze laatste dag, zei Pitty. Herinner je je nog de eerste, Sally, zes jaar geleden? We waren kleine ukken van twaalf, kleiner dan Lizzie en Julie. Wat is de tijd omgevlogen.' En zo ook zes delen over de dolle tweeling Pat en Ann O'Sullivan op kostschool Clarence House. Allemaal van Enid Blyton. In één adem doorgelezen met de Billy Bradley-reeks.

Fascinerend, zo'n wereld met alleen maar meisjes en schooljuffrouwen. Die hadden het dolletjes, vanzelfsprekend, maar er gebeurden soms ook heel erge dingen, waardoor de slechte meisjes goed werden en de goede meisjes nog beter. Hopeloos strenge juffen bleken opeens fidele keien. Ouders figureerden alleen aan het begin en het eind van het schooljaar om hun dochters te brengen of te halen. Al die kostschoolavonturen waren goed voor urenlang leesplezier.

Toch klopte er iets niet. Ouders die normaal riepen dat je moest lezen, keken met onverholen minachting naar 'die boekjes'. Vers gescheiden moeders konden in het heetst van de emancipatiestrijd toch niet zomaar toestaan dat hun dochters die rolbevestigende rotzooi verslonden. En op school hoefde je er ook niet mee aan te komen. 'Dit is GEEN literatuur', schreef de vader uit The travelling hornplayer op het cadeaupapier als hij zijn dochters in hun pulpbehoefte voorzag. De 'Pitty's' werden verbannen naar de meisjeskamer en bleven daar, omgeven door het aantrekkelijke odeur van semi-illegaliteit.

Meisjesboeken? Die bestaan niet meer. Althans niet in de Kinderboekwinkel op de Rozengracht in Amsterdam. De boeken die ze daar verkopen zijn voor meisjes én jongens. Met een vies gezicht wordt er nog een Cindy uit de kast geplukt en een Olijke tweeling kan er ook nog vanaf. Het verschil tussen jongens- en meisjesboeken wordt steeds minder, zeggen ze in de Kinderboekwinkel.

'Helemaal niet waar', vinden Mandy, Esther, Rozemarijn, Stefanie en Tessa uit groep 7 en 8 van openbare basisschool De Boogerd in Maurik. Er is juist een groot verschil. Mandy (10) heeft haar Floortje-omnibus en een boek van de Olijke Tweeling meegenomen. Rozemarijn (10) heeft minstens twee Cindy-boeken en Tessa (11) leest thuis het liefst paardenboeken. Bijvoorbeeld van Helen Taselaar over Manege Picadero. Ze zit ook op paardrijden en krijgt binnenkort haar eigen pony.

Ze behoren nou niet tot de kanshebbers voor een plaats in de Griffels en Penselen Eregalerij, of een bekroning van de Kinder- dan wel Jonge Jury: de Floortje-reeks van Cok Grashoff (uitgeverij Kluitman), de Bianca-serie van Yvonne Brill (Fontein) of de Koosje-verhalen van Yvonne Kroonenberg (Kluwer). Ze staan zelfs helemaal niet in de 'Kinderboekenmolen', de gids die de Stichting Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek jaarlijks voor de Kinderboekenweek uitbrengt.

In die zin bestaan ze dus inderdaad niet, de meisjesboeken. Maar of het nu de jeugdafdeling van de bibliotheek in Culemborg is, of die in Amsterdam: de series over Cindy, Bianca, Floortje, de olijke tweeling Ellis en Thelma (verschenen in de jaren zestig en nu herdrukt), en Romana zijn enorm populair. 'Floortje is wel het meest gelezen boek bij ons allemaal', denkt Esther van bijna 11.

Bij de vijf dames van De Boogerd komen de Griffelboeken er niet in. Evenmin Meester Paardenpoep van Carry Slee, dat dit jaar toch werd bekroond door de Kinderjury. Madelief van Guus Kuijer en Mathilde van Roald Dahl kunnen er nog mee door, maar Tessa heeft Het Liegbeest van Thea Dubbelaar en daar is helemaal niks aan, want 'daar komen ook jongens in voor'. Het liefst lezen ze boeken die alleen over meisjes gaan. Snelle Jelle gaat bijvoorbeeld over voetbal. Dat is niet leuk.

'In boeken over paarden en meisjes gebeurt nog eens wat', meent Tessa. Floortje vindt bijvoorbeeld zomaar een loslopende pony als ze naar school fietst. Jeminee. Of ze zwemt mee met de zwemvierdaagse, gaat met de klas op stap, doet aan jazzballet en helpt een hond.

'Ik ben nu veertig en las in mijn jeugd alle paardenboeken die ik kon vinden', zegt Annemarie Dragt, 'maar er was gewoon niet zoveel.' Dragt, neerlandica, is redactrice bij uitgeverij Kluitman, auteur van enkele paardenboeken voor meisjes van ongeveer 7 (Een eigenwijze pony, Wat heeft Wampie?, Mijn pony moet weg!, Een veulen voor Kim) en heeft zelf twee IJslandse pony's, Fáfnir en Gandur.

Als redactrice let ze erop dat de verhalen enigszins origineel blijven en niet altijd gaan over een arm meisje zonder paard (maar met rijtalent), dat machteloos moet toezien hoe een rijk verwend meisje haar prachtige pony slecht behandelt en dan - eind goed al goed - toch de pony bij de belangrijke wedstrijd mag rijden en wint.

En in de boeken die ze zelf schrijft, hebben niet alleen de meisjes Kim en Lisa een eigen karakter, maar ook de ponies Karel (dikke Shetlander, eigenwijs, houdt van eten) en Wampie (een lieve gevoelige merrie, die altijd haar best wil doen).

Ze ogen fris, vrolijk en modern, al die paarden- en balletmeisjesboeken. Maar gaat het er nou wezenlijk anders aan toe dan in de kostschoolboekjes die Enid Blyton in de jaren veertig en vijftig schreef, of, nog ouder, Onder moeders vleugels van Louisa May Alcott (1868) en Schoolidyllen van Top Naeff uit 1900?

''t Was krans bij Jeanne van Laer', is de onvergetelijke openingszin van Schoolidyllen. De vriendinnenclub met Jet van Marle, Lien en Noes ter Horst, Maud van Eyghen en genoemde Jeanne van Laer drinkt liters thee, eet na school bergen taartjes in de taartjeswinkel op rekening van de 'respectieve mama's en papa's' en gaat in 'beeldige toiletjes' naar het bal, waar de dansen nog in balboekjes worden genoteerd.

De jongejuffrouwen gedragen zich bij tijd en wijle bepaald onbetamelijk, krijgen standjes, moeten gedichten uit het hoofd voordragen en maken zich druk over 'procentensommen'. De directrice van de school is 'een klein kittig mensje van twijfelachtige leeftijd' en brengt 'door haar verschijning alleen reeds een rilling door de klasse'. Dat waren nog eens tijden voor onderwijzend personeel.

Ook in de jaren veertig krijgen de vijfdeklassers van Blytons Clarence House nog 'een zenuwinzinking van die wiskundesommen', maar dat is bijzaak op zo'n kostschool waar je kunt hockeyen, tennissen, paardrijden en zwemmen. Karaktervorming, daar gaat het om. De tweeling uit The travelling hornplayer (een bizar verhaal over ongeoorloofde relaties) kan er eindeloos over meepraten. Over de lerares die één van de meisjes verbiedt naar de stallen te gaan en dan zelf het zieke paard verzorgt.

Of over het meisje dat mee wil zwemmen bij de Olympische Spelen, maar niet mag trainen. Zwemmen voor school is oké, maar de Olympische Spelen zijn natuurlijk net een tikkeltje te ambitieus voor een gewoon schoolmeisje, vertellen ze hun vader die verbaasd vraagt of ze die boekjes soms uit hun hoofd leren. 'Nee', zeggen de dochters, 'ze zijn gewoon zo goed dat ze in je geheugen blijven kleven.'

Op het MIH, de Manhattan International Highschool, waar de 15-jarige Barbie anno 1999 naar toe gaat, draagt de directrice ter kennismaking een naambordje: 'Hallo, ik ben directrice Simmons! Ik bijt niet!' In deze serie Generation Girl, dit jaar uitgebracht door speelgoedfabrikant Mattel (inderdaad, die van de Barbiepop), schrijven de meisjes hun brieven op Internet en rollerskaten ze naar school - waar overigens ook jongens opzitten.

De directrice roept er dat je plezier moet maken en de mentor heeft de deur uit zijn kamer gehaald omdat hij er altijd is met een luisterend oor. 'Schrijven = eerlijkheid = waarheid', leren ze. Ze maken een schoolkrant die Generation Beat heet, Barbie krijgt een rol in een reclamespot voor spijkerbroeken en ze heeft wel vijf nieuwe vriendinnen. En aan het eind van het boek zit er voor aankomend schoolkrantredacteuren nog een beknopte cursus journalistiek bij ook. ('Als je een artikel schrijft, moet je eraan denken dat je doel is de lezers informatie te geven.')

Natuurlijk zijn er tegenslagen en bij Top Naeff is dat dan 'lam' en wordt er 'geschreid'. Meisjes van nu zoeken troost bij het warme, geruststellende paardenlichaam: 'Romana sprong op. Ach, Ragebol!, snikte ze en ze begroef haar gezicht in zijn manen.' En of ze 'moeder', 'mams' of 'mammie' heet, in alle series, vroeger en nu, is ze er uiteindelijk altijd weer met een glas overheerlijke limonade, warme chocolade of thee.

De setting is veranderd, maar in alle meisjesboeken door een hele eeuw heen en in alle leeftijdscategorieën zijn er die slappe-lachbuien. Jongedames werden bakvissen, werden meiden, werden grrls, en nog steeds wordt er gegierd, gehikt, geproest, gegiecheld en gestikt van het lachen, of liggen de vriendinnen in een deuk. Girls just wanna have fun.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden