Aarzelend roert de oermens zijn tong

Met steeds verfijndere technieken proberen paleoanatomen aan fossiele zenuwbanen af te lezen wanneer spraak zijn intrede deed bij de mens....

ZEGT U MAAR EVEN hardop na: a, i, u, k, g. Dat gaat? Mooi, dan weten we in elk geval zeker dat u geen Neandertaler bent. Althans, dat is sinds jaar en dag de overtuiging van taalkundigen als Philip Lieberman van Brown University in Rhode Island.

Neandertalers, houden zij op basis van de gereconstrueerde mondholte van fossiele schedels vol, kunnen geen snelle en veelvormige taal hebben gebezigd. Daarvoor, menen ze, lag hun strottenhoofd te hoog, precies zoals bij moderne-mensenbaby's, die daardoor tegelijkertijd kunnen ademen en drinken zonder zich te verslikken. In zekere zin lijkt de schedelbasis van de Neandertaler zelfs op die van een moderne zuigeling.

Maar hun klankkast was te klein en zij lekte naar de neusholte. Volgens Lieberman en anderen was het ontbreken van moderne spraakorganen zelfs de reden dat de Neandertaler het evolutionair aflegde tegen Homo sapiens, de moderne mens. Zo'n 35 duizend jaar geleden verdween deze mensvorm in korte tijd van de aardbodem.

De vraag wanneer taal in de menselijke evolutie opkwam en wanneer die modern is gaan klinken, is één van de klassiekers uit de paleoantropologie. En niet voor niets, want weinig onderscheidt de mens zozeer van de overige dieren als zijn gearticuleerde spraak. De laatste maanden lijken nieuwe inzichten uit nauwkeurige paleoanatomische studies antwoorden te gaan opleveren.

Zo meldde dit voorjaar een drietal vooraanstaande onderzoekers van Duke University in Durham, North Carolina, dat ze moderne tongzenuwkanalen aantreffen in de schedelbasis van de vroege Homo sapiens, ongeveer vierhonderdduizend jaar oud. Oudere mensachtigen hebben een smaller zogeheten hypoglossaal kanaal, zoals dat ook bekend is van moderne chimps en gorilla's, zodat volgens Richard Kay en zijn collega's hun tong nooit wendbaar genoeg kan zijn geweest om woorden uit te spreken. Maar wat dit betreft, is ook de Neandertaler modern.

Ook paleoanatoom Ann MacLarnon van het Roehampton Institute in Londen meent neurologische aanwijzingen te hebben dat spraak pas met de vroege Homo sapiens tot ontwikkeling is gekomen. De doorgangen van zenuwbundels in de wervelkolom zijn daarvóór zo smal dat ze nooit de spieren tussen de ribben voldoende subtiel hebben kunnen aansturen voor de beheerste ademhaling die spraak vergt. 'Vroege hominiden waren hooguit in staat tot korte, trage en monotone spraakpatronen', zei ze dit voorjaar tijdens een conferentie in Engeland.

Dus is gearticuleerde taal minstens vierhonderdduizend jaar oud, want neurologie liegt niet? Dat is een wat al te overhaaste conclusie, zegt de Nederlandse paleoanatoom dr. Fred Spoor van het University College in Londen, een vooraanstaand expert in de ontwikkeling van de fossiele schedelbasis. 'Anatomisch volledig moderne mensen zie je vanaf pakweg honderdduizend jaar geleden. Toch gebeurt er cultureel niks tot een jaar of veertigduizend geleden. Dan zie je ineens de werktuigen verfijnen, kunst ontstaan, de complexiteit van de samenleving toenemen; allemaal dingen die zonder taal niet erg voorstelbaar zijn.'

Het is volgens Spoor maar de vraag of paleoanatomie ooit overtuigend greep zal krijgen op de oorsprong van spraak. Lang niet alle delen van het spraakorgaan zijn fossiel gevonden, en zelfs dan is onzeker of dat alles zou ophelderen. 'Je kunt hooguit vaststellen dat de anatomische voorwaarden voor articulatie aanwezig zijn, maar dat bewijst nog steeds niet eenduidig dat die ook werden benut.'

In de jaren tachtig speurde hij aan de Rijksuniversiteit Groningen kortstondig naar fossiele zenuwkanalen, maar liet het thema al snel weer rusten. Het probleem, zegt hij in reactie op de Brits-Amerikaanse resultaten, is dat er te veel veronderstellingen nodig zijn om van zenuwen naar de veronderstelde spraak te komen.

Spoor: 'Je moet een correlatie aantonen tussen de doorsnee van een zenuw en het gat dat je in het fossiel vindt, wat lastig is omdat er ook bloedvaten doorheen lopen. Dan moet je vaststellen dat de grootte van de zenuw iets zegt over het aantal neuronen, wat moeilijk is omdat de omhullende schede enorm in dikte kan variëren. Daarna moet je weten wat het aantal neuronen zegt over de capaciteit van de aangestuurde spier, de tong in dit geval, of de spieren in de ribbenkast. En dan nog eens of dat iets te maken heeft met gesproken taal.'

Moderne apen, aldus Spoor, hebben ondanks hun kleine hypoglossaal kanaal bijvoorbeeld wel degelijk een extreem mobiele en wendbare tong, maar ze kennen toch geen spraak. 'Omdat', zegt Spoor stellig, 'ze de mentale capaciteit niet hebben. Taal zit in de hersenen, is mijn uitgangspunt. Als je die capaciteit hebt, maakt de hardware niet zoveel uit, dan praat je met wat je hebt. Mensen die hun strottenhoofd verliezen, kunnen met een kunstmatige spleet leren spreken. Er zijn volkeren die communiceren met geklak.'

Spoor is een sterk voorstander van de experimentele aanpak in de paleoanatomie. 'De fysische antropologie is al te lang gebukt gegaan onder een overmaat aan oncontroleerbare theorievorming. Je kunt nog zoveel leuke ideetjes hebben; je zult ze toch op de één of andere manier moeten toetsen.'

Modern materiaal, zowel uit de snijzaal van het ziekenhuis als in kadavers van primaten, biedt daartoe voldoende aangrijpingspunten, meent Spoor. 'Daarin kun je in elk geval heel goed een indruk krijgen van de natuurlijke variaties die in kenmerken optreden. Op grond daarvan zul je moeten vaststellen of opvallende kenmerken in de paar fossielen die je hebt bekeken, werkelijk zo relevant zijn.'

Een voorbeeld van die aanpak is het werk van Philip Liebermans zoon Dan, verbonden aan Rutgers University in New Jersey. Hij rondde onlangs een studie af van de ontwikkeling van de schedelbasis van jonge kinderen in relatie tot de plaats van het strottenhoofd. Volgens zijn vader was uit de plaats daarvan op te maken dat de Neandertaler onmogelijk gearticuleerde spraak kan hebben gehad.

Maar zoon Dan vindt geen enkele correlatie tussen de vorm van de schedelbasis en de plaats van het strottenhoofd, zodat maar de vraag is of de Neandertaler inderdaad geen geschikte keelholte had voor spraak. Eerder leek de vondst van een modern tongbeen in een Isreälische Neandertal-vindplaats daar ook al op te wijzen.

Dus Spoor deelt de conclusies van het trio van Duke University, dat de tong van de Neandertaler wel degelijk naar taal stond? Niet zonder meer, zegt hij. 'In mijn ogen hebben ze een aardige hypothese, maar moeten ze hun vooronderstellingen eerst maar eens toetsen. Wat dat betreft is het merkwaardig dat ze hun verhaal al meteen wereldkundig hebben gemaakt, maar dat zal wel de Amerikaanse inslag zijn.'

Wat niet wegneemt dat de Neandertaler ook volgens Spoor een articulerend wezen was. 'Hun samenleving was te complex om zonder verbale communicatie in stand te houden. Het klonk alleen anders. Onze anatomie bepaalt hoe wij spreken. Zij klonken gewoon naar hún anatomie.'

Martijn van Calmthout

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden