'Aandacht voor het verleden lijkt vaak op ramptoerisme'

Ze wil nog niet, maar ze moet: Marita Mathijsen (65) neemt afscheid als hoogleraar Nederlandse Letterkunde. De gesmade negentiende eeuw blijft haar grote liefde: ‘Het wás geen schoolmeesterseeuw.’..

Ze stond er nooit zo bij stil, maar onlangs ontdekte Marita Mathijsen dat zij de eerste vrouwelijke hoogleraar Nederlandse Letterkunde was in Amsterdam, op een ‘structurele’ leerstoel. In 1999 werd ze benoemd aan de Universiteit van Amsterdam.

En nu gaat ze alweer met pensioen. Op 30 oktober nam ze afscheid, na 34 jaar gewerkt te hebben bij de afdeling Neerlandistiek. Ze werd onderscheiden als Officier in de Orde van Oranje Nassau door burgemeester Job Cohen, de broer van haar vriend Floris Cohen. Voortaan zal haar blonde haar, uitkomend onder de baret, de rij met emeriti hoogleraren opfleuren. In haar column in NRC Handelsblad beschreef ze hen prachtig: ‘Grijze of kale mannen die in laag tempo aan kwamen schrijden door het middenpad van de aula, struikelend over hun toga omdat die nog uit hun kaarsrechte periode stamde en de heren inmiddels wat gekrompen waren. Dat waren babbelkousen die bij de receptie extra lang de hand van de erepromovendus vasthielden, alsof ze iets van de glorie van die persoon in zich wilden laten vloeien.’

Haar opvolger is Thomas Vaessens, een veertiger. Net als zijn voorgangster is hij iemand die zich graag in het publieke debat mengt, zoals onlangs met zijn roep om meer engagement in de letteren. Mathijsen is blij met haar opvolger. ‘Het is fantastisch dat wij nu een hoogleraar in de modernste letterkunde hebben. Eigenlijk was het raar dat die er niet was. Zowel mijn voorganger, Willem van den Berg, als ik zijn specialist negentiende eeuw.’

Minder blij is ze met het harde feit dat ze moet stoppen, alleen omdat ze 65 is. Pensioenplichtig is ze, niet pensioengerechtigd. Natuurlijk stopt ze niet met werken. Voorlopig blijft ze college geven en promovendi begeleiden. Uiteraard blijft ze schrijven: artikelen, columns en boeken. Ze is nog lang niet klaar met de negentiende eeuw, háár eeuw, waarover ze ruim dertig jaar schrijft – met uitstapjes naar het oeuvre van Harry Mulisch. Een schrijver kent geen pensionering.

‘Maar ik houd zo van college geven!’, verzucht Mathijsen. ‘Ik mag het blijven doen, maar gedoogd worden is iets anders dan het recht hebben. Natuurlijk heb ik plannen – genoeg om tot het jaar 3000 door te schrijven. Er zijn briefwisselingen die nog uitgegeven moeten worden, romans die om uitleg vragen. Door die colleges blijf je alert. Je wórdt ook onderwezen door je studenten. Ik merk dat ik nu beter college geef dan vroeger; ik durf meer dan ooit. Schrijven kan tot op hoge leeftijd, college geven wordt op den duur vermoeiend.’

Ze heeft het druk. In september hield ze de Jan Hanlo-lezing Hoe ver kun je gaan?, een pleidooi voor goed geschreven wetenschappelijk proza; eind oktober hield ze haar afscheidsrede, De bevrijding van de albatros, en op 18 december staat ze op de kansel in de Leidse Pieterskerk, waar ze de 38ste Huizinga-lezing geeft, getiteld: Historische sensatiezucht – Over de moraal van de geschiedenis.

Sensatiezucht? Wat is er mis met de recente opleving van de historische belangstelling? Met de collectieve behoefte om onze trauma’s te herdenken, met canons, met het Nationaal Museum en het overstelpende aantal non-fictieboeken waarin de eigen familiegeschiedenis wordt uitgeplozen? Al eerder, in haar pamflet De afwezigheid van het verleden (2007), betoogde Mathijsen dat die liefde voor het verleden grotendeels schijn is. Wij koesteren ons verleden niet, schreef ze. We laten onze historische steden versloffen, en onze oude landschappen. Geschiedenis trekt alleen in de vorm van kitsch publiek.

Natuurlijk vindt ze de grote aandacht voor de historie goed op zichzelf, zegt Mathijsen. ‘Mij hoor je Geert Mak niet beschuldigen van historische sensatiezucht. Ook de tv-serie van Ad van Liempt over de oorlog is prachtig. Maar als er wordt geroepen dat er zo’n warme aandacht voor het verleden is, dan zeg ik: ho, kijk eens wat het werkelijk voorstelt! Veel van die belangstelling is een Privé-achtige hang naar roddelverhalen uit het verleden, een soort ramptoerisme. Je zag dat goed aan de reacties op het boek van Cees Fasseur, Juliana & Bernhard. De kranten schreven alleen over de onechte dochters en de dreiging van echtscheiding. Er was nauwelijks aandacht voor Fasseurs verhaal en zijn methode.’

Het is mooi als mensen zich voor hun geschiedenis interesseren, vindt Mathijsen. Zij pleit ervoor om kinderen op de basisschool hun lokale geschiedenis te tonen. ‘Geschiedenis is van jezelf. Als je, doordat je de familieverhalen hoort, meer hecht aan die oude kast van opa: prachtig. Persoonlijke geschiedenis is echte geschiedenis.

‘Maar het is onzin om Deventer ineens tot Dickens-stad te bestempelen, zoals nu gebeurt. Dickens is nooit in Deventer geweest, zijn boeken werden er niet uitgegeven. Het slaat nergens op, zo’n verkleedpartij. Soms is de toewijding wel echt, zoals een initiatief in Oosterbeek, waar geld werd ingezameld om het graf van Jacob van Lennep te restaureren.’

Haar eigen geschiedenis bracht haar van het Limburgse dorpje Belfeld naar het roerige Amsterdam van de jaren zestig. Zij was een katholiek opgevoed meisje dat braaf naar de kerk ging. Als enig meisje in haar dorp ging ze naar het lyceum.

‘Op mijn lagere school, een nonnenschool, werden de meisjes ingedeeld in vier rijen: drie voor de huishoudschool en één voor de mulo. Die rij was voor de slimste meisjes die mochten doorleren. De mulo was al hoog gegrepen. Mijn ouders vonden dat ik, net als mijn broers, naar het lyceum moest en dat hebben ze doorgedrukt. Toch waren ze ook behoudend. Toen ik naar de universiteit wilde om Nederlands te studeren, was dat een stap te ver. Op kamers, geen sprake van. Mijn oudere broers mochten studeren in Amsterdam en Groningen, maar ik moest van huis uit studeren – ook in Nijmegen kon je je maagdelijkheid verliezen. Dus werd het een studie MO-Nederlands in Tilburg. Toen ik mijn MO-A had, ontdekte ik dat ik in Amsterdam in twee jaar mijn MO-B kon halen; in Tilburg duurde dat vier jaar. Toen gingen mijn ouders overstag.’

Er was werk genoeg voor leraren, eind jaren zestig. ‘We werden zelfs opgebeld of we alsjeblieft wilden komen. Veel studenten hadden een lerarenbaan ernaast; dat waren vaak goede studenten. Ik ging lesgeven, maar na een tijdje vond ik dat ik te weinig wist om aan de hogere klassen les te kunnen geven. Ik ben toen teruggegaan naar de universiteit om mijn doctoraal te halen. Je blonk vanzelf uit als je leraar was geweest, je had iets gedaan met het vak, je kon beter uitleggen. Ik heb mijn leven lang plezier gehad van mijn onderwijservaring.’

Buiten de muren van de collegezalen was het in 1969 erg spannend; de stenen vlogen over straat. Mathijsen hoorde niet bij de stenengooiers, noch bij de Maagdenhuisbezetters, maar haar sympathie lag bij hen. Haar man, Hub. Mathijsen, die ze in die tijd leerde kennen, zat er middenin: hij deed mee aan happenings, hoorde bij de ludieke Insektensekte en speelde viool in het alternatieve Resistentie Orkest. ‘Dát was waarom ik uit Limburg wegwilde. Toen ik eenmaal in Amsterdam zat, ging het snel. Ook het Instituut voor Neerlandistiek werd bezet. Docenten werden zonder pardon afgeserveerd. Zoals Liesje Oey, die prachtig over Bredero kon vertellen, en professor Hellinga, de beroemde filoloog. Maar ja, ze waren behoudzuchtig, hè.’

Tijdens haar studie ontdekte Mathijsen in het archief brieven van de negentiende-eeuwse schrijver De Schoolmeester (pseudoniem van Gerrit van de Linde); ze schreef er haar doctoraalscriptie over. ‘Ik dacht: deze brieven zijn zo mooi, die móeten uitgegeven worden.’ In 1975, op de dag dat ze afstudeerde, kreeg ze een aanstelling aan de universiteit. Om een teksteditie van de brieven te kunnen maken, verdiepte ze zich in editietechnieken. In 1987 promoveerde ze op de briefwisseling tussen Van de Linde en Van Lennep. ‘Promoveren was elitair, streberisch, dat deed je niet. Maar op een gegeven moment eiste de universiteit een doctorstitel.’

Haar onderwerp, de negentiende eeuw, was weinig populair. Samen met Peter van Zonneveld en Nop Maas richtte ze in 1976 de werkgroep ‘De negentiende eeuw’ op, en een gelijknamig tijdschrift. ‘Wij kwamen erachter dat er weinig bronnen bekend waren. Wat las men, welke tijdschriften waren belangrijk? Er werd denigrerend geschreven over iedereen behalve de Tachtigers, Multatuli en Busken Huet. De negentiende eeuw was een schoolmeesterseeuw, akelig moralistisch.

‘Natuurlijk vierde moralisme hoogtij, maar dat was niet voor niets zo. De maatschappij veranderde, de burger moest een nieuwe positie kiezen, een moraal ontwikkelen.

‘Maar literatuurhistorici keken tot 1970 niet zo naar literatuur. Het ging altijd om de esthetiek, om tijdloos mooi. Uit dat oogpunt was veel van wat er in de negentiende eeuw werd geschreven, pathetisch gebral. In de jaren zeventig kwam er aandacht voor de methodologie. De bestudering van de literatuur moest aan wetenschappelijke eisen voldoen, even hard worden als de bètawetenschappen. Dat sloeg ook weer door. Dat je een gedicht mooi vond, mocht je eigenlijk niet zeggen. Nu kan het allebei: wetenschappelijke analyses en tegelijk vaststellen dat de grootste schrijver van de negentiende eeuw Multatuli is.’

In haar afscheidsrede sloot Mathijsen aan op dat waarmee het voor haar was begonnen in de Neerlandistiek: haar liefde voor de gesmade negentiende eeuw. In Nederland zou er niet zoiets als de Romantiek hebben bestaan, in tegenstelling tot de andere Europese landen. Ze laat zien dat beide niet waar zijn.

Hoe kan het dat die eeuw zo succesvol werd weggedrukt? Mathijsen: ‘Het veronachtzamen van de negentiende-eeuwse schrijvers was geen bewuste daad van de geschiedschrijvers. Het is een gevolg van de ongelooflijke succesvolle campagne die de Tachtigers, een groep jonge dichters, rond 1880 voerden tegen de dichter-dominees. Zij slaagden erin de verdiensten van hun voorvaderen volkomen af te breken. Die visie is overgenomen door literatuurgeschiedschrijvers als Te Winkel en Knuvelder. De Tachtiger Verwey werd hoogleraar in Leiden, de Amsterdamse hoogleraar Garmt Stuiveling dweepte met de Tachtigers.

‘Bovendien is minachting voor de eigen cultuur in Nederland gebruikelijk: in het buitenland is altijd alles beter. Als je hier zegt dat Mulisch iemand is van wereldformaat, is hoongelach je deel.’

Mathijsen is een bruggenbouwer: een hoogleraar die graag puntig geformuleerde stukjes voor de krant schrijft, een oud-lerares die zich als hoogleraar bewust bleef van de taak die universiteiten hebben voor het middelbaar onderwijs. Die band zou sterker moeten zijn, vindt ze. ‘Ons instituut leidt niet meer zelf op voor de lerarenopleiding; daardoor is een kloof ontstaan. Je weet niet meer goed wat de eisen van de scholen zijn. Een school moet kunnen zeggen: wij hebben behoefte aan deze schoolboeken, kunnen jullie die maken? Uitgevers bepalen nu de vakinhoud, een rare situatie.’

Gelukkig, zegt ze, komt er nu in de opleiding opnieuw aandacht voor het leraarschap. Ze voelt wel voor ‘dienstplicht’ voor universitaire docenten: een keer per vijf jaar een semester lesgeven op de middelbare school. ‘Goede leraren zouden dan een half jaar bij ons kunnen lesgeven, dat zou goed zijn voor studenten. Didactiek moet uit de vakinhoud komen.’

Ze hoopt dat de ‘softe didactiek’, die jarenlang in zwang was, ‘met die persoonlijke ontwikkelingsplannen’, haar langste tijd heeft gehad. ‘De studenten hebben daar een gruwelijke hekel aan, het schrikt hen af. Degenen die leraar zijn geworden, zijn dat niet dankzij maar ondanks de lerarenopleiding. Er promoveren nu vier oudere leraren bij mij – geweldig! Die brug naar de maatschappij zie ik als een plicht. De maatschappij heeft toch geld voor mij over? Dan moet ik ook wat terug doen.’

Op 18 december houdt ze een college voor iedereen die haar student wil zijn, in de Leidse Pieterskerk.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden