Interview Wiskunde

‘Ouders en leraren wakkeren angst voor wiskunde onnodig aan’

De angst voor wiskunde komt ook voort uit de manier waarop het wordt onderwezen, zegt leraar en onderzoeker Gerardo Soto y Koelemeijer, die het boek Wie is er bang voor wiskunde? schreef. 

Gerardo Soto y Koelemeijer: ‘Wiskunde is een speciale vorm van retorica.’ Foto Marcel van den Bergh

Soms, zegt wiskundeleraar en onderzoeker Gerardo Soto y Koelemeijer, komen leerlingen van hem haast huilend het klaslokaal binnen voor een proefwerk. ‘Heel vervelend. Als je bang bent, vult de angst je werkgeheugen dat je nodig hebt om sommen te maken. En die angst is niet nodig. Wiskundeangst komt voort uit misverstanden over wiskunde die we in ons huidige onderwijs en daarbuiten nog steeds voeden. En je kunt er iets aan doen.’

Soto y Koelemeijer (43, Spaanse vader, Nederlandse moeder) geeft les op het Stedelijk Gymnasium Leiden en is postdoc-onderzoeker wiskundedidactiek in Leiden. Hij schreef het boek Wie is er bang voor wiskunde? Deels uit verdriet, omdat zoveel mensen al bij voorbaat afhaken bij zijn zo mooie vak en er zelfs een hekel aan hebben. En deels ook uit frustratie, omdat het gangbare wiskunde-onderwijs de afkeer over zichzelf afroept en er zo weinig animo lijkt om het beter te doen. Terwijl dat best kan.

U bent een gepromoveerd wiskundige. Zelf nergens last van neem ik aan?

‘Nee, rekenen en wiskunde gingen me altijd gemakkelijk af. Maar ik hoor natuurlijk vaak mensen vertellen dat ze er op school niks van konden en er een hekel aanhebben of bang voor zijn.’

Waar komt die angst vandaan?

‘Wiskunde heeft een imagoprobleem, bij leerlingen, hun ouders en zelfs de leraren. Dat begint al met het idee dat je slim bent als je goed bent in wiskunde. Het verhaal over de wiskundeknobbel verhult dat ook goeie wiskundigen hard moeten werken om iets te bereiken. En zeker op school is wiskunde niet zoiets als het beklimmen van de Mount Everest; we wandelen wat in de voetheuvels en ik denk dat iedereen dat kan, en er ook plezier aan kan beleven.’

Wiskunde is anders wel een heel streng vak: een stelling is waar als je die kunt bewijzen. En anders niet. Sommen maak je sneller fout dan goed. Dat maakt het vanzelf een beetje eng.

‘Dat we dat zo voelen is niet zo gek, want dat iets waar is of niet is eeuwenlang het beeld van de wiskunde geweest. Maar tegenwoordig ligt dat genuanceerder, en zien we wiskunde meer als een speciale vorm van retorica: de kunst van het overtuigen. Zelfs een beroemd bewijs als dat van Andrew Wiles van de Stelling van Fermat kan haast niemand echt nog volgen. Ik ook niet trouwens.’

Wiskundeleraar Gerardo Soto y Koelemeijer: ‘Angst voor wiskunde is niet nodig.’ Foto Marcel van den Bergh

Wat betekent dat inzicht voor het wiskundeonderwijs?

‘Om te beginnen dat het een realistischer beeld moet geven van wat wiskunde is en wat je ermee kunt. Vertel verhalen die laten zien dat wiskundige inzichten niet zomaar ontstaan, maar dat het werk van veel mensen is en een proces. Dan is het niet vreemd dat leerlingen niet meteen alles kunnen en een ontwikkeling moeten doormaken. Ook de allerbeste.’

U maakt geen sommen meer in de klas? En geen proefwerken?

‘Zeker wel. Dat hoort er allemaal bij. Maar wat ik bijvoorbeeld belangrijk vind is dat een toets niet het eindpunt is van het leren, maar een begin. Als iemand in de eerste klas een 5 voor wiskunde haalt, moet je die niet zeggen: laat de wiskunde maar. Die moet je laten herkansen tot hij de stof beheerst.’

En dan haalt iedereen een 8 op zijn rapport.

‘Waarom niet? Alleen haalt de ene leerling die in een week, en de andere met een maand werken. Het voorkomt ook dat leerlingen op het laatste moment hun proefwerk leren en het een week later weer vergeten zijn.’

Een ander opvallend advies: geef geen proefwerk van precies een uur, of twee, maar laat leerlingen gewoon werken tot ze het af hebben.

‘Tijdsdruk is een vreemd element in toetsen. Dat geeft onrust en angst die het werkgeheugen bezetten voor er maar één som gemaakt is. Geef mensen de tijd die ze nodig hebben.’

U constateert dat leraren een bron van angst voor wiskunde kunnen zijn. Raar eigenlijk.

‘Leraren en ouders, vooral omdat ze vastzitten aan de verhalen over wiskundeknobbels en slechte cijfers als een voldongen feit zien: die kan het niet. Ik denk dat iedereen het kan, als je het anders benadert.’

Kán of móét?

‘Moet. We leven in een gemathematiseerde wereld, dus een beetje begrijpen wat die wiskunde is en doet, kan geen kwaad. We lezen, kijken, vertellen elkaar de hele dag verhalen om de wereld te begrijpen. Wiskunde is een andere manier om de werkelijkheid te beschrijven.  Een beetje wiskundig gevoel hoort erbij. En in elk geval geen rotgevoel.’

Meer over