Obama met robot Asimo in Tokio.
Obama met robot Asimo in Tokio. © REUTERS

'Net als de mens is ook de techniek niet de maat der dingen'

Mensen zijn afhankelijk van dingen; en dingen zijn afhankelijk van mensen, schrijft Hans Harbers, docent filosofie wetenschap, technologie en samenleving aan de Rijksuniversiteit Groningen. 'Ze vormen elkaar in hun wederzijdse verbindingen.'

Neem het in het urinoir ingebakken vliegje. Dat doet het plasgedrag van mannen dusdanig veranderen dat Schiphol 30 procent kon inboeken op haar schoonmaakkosten. Hoezo, de mens de maat van alle dingen?

'Zie de mens - hij is niet meer', zo luidt het motto van de Maand van de Filosofie over mens en techniek. Dat klinkt toch tamelijk pessimistisch. De mens legt het af tegen de techniek.

'Zie de mens - hij is veel meer', had men er voor de Nacht van de Filosofie Fryslân van gemaakt. Dat klinkt een stuk vrolijker. De mens verrijkt zich met allerlei technische snufjes en is daardoor tot veel meer in staat.

Wellicht niet zo bedoeld, maar die twee leuzen staan model voor twee tegengestelde visies op de relatie tussen mens en techniek. De eerste vraagt om ingrijpen: de rem erop. Menselijke waarden en waardigheid staan op het spel. Hoogste tijd om moreel stelling te nemen. De ethiek moet de baas zijn over de techniek - niet andersom. Voor het tweede perspectief kan het niet snel genoeg gaan. Ziekte en ellende kunnen we met technische middelen uitbannen - wees blij. En toch hebben die tegengestelde visies ook iets gemeen.

Het draait in beide gevallen om de mens
Beide stellen ze de mens centraal. De een treurt om zijn teloorgang, de ander bejubelt zijn technologische verrijking. Maar in beide gevallen draait het allemaal om de mens. Hij (zij) is kennelijk de maat van alle dingen, of moet dat zo snel mogelijk weer worden. Dat is misschien wel de kortst mogelijke definitie van humanisme. Heidegger, de techniekcriticus, en Bostron, de transhumanistische mensverbeteraar, mogen nog zo verschillend denken over de waarde van techniek voor de mens, ze vormen twee loten aan dezelfde humanistische stam. Romantiek en Verlichting - de twee-eenheid van ons moderne, Westerse wereldbeeld.

De roep om menselijke controle over en beheersing van techniekontwikkeling - in afremmende dan wel in stimulerende zin - is een humanistische illusie

En precies daar gaat het in al die discussies deze maand over mens en techniek wat mij betreft ook steeds weer fout. De mens is niet de maat van alle dingen, net zo min als de dingen ons eenduidig de maat zouden nemen. Integendeel, mensen zijn afhankelijk van dingen; en dingen zijn afhankelijk van mensen. Ze vormen elkaar in hun wederzijdse verbindingen. Mensen - hun identiteit, hun waarden, hun doen en laten - veranderen als ze zich omgeven met nieuwe technieken; en technieken krijgen pas inhoud en betekenis in uiteenlopende culturele contexten. Daarvoor hoeven we ons niet te wenden tot futuristische, hoog-geavanceerde technologiëen. Het relationele karakter van mens en techniek treffen we ook aan in alledaagse praktijken - uit heden en verleden.

Neem het in het urinoir ingebakken vliegje. Dat doet het plasgedrag van mannen dusdanig veranderen dat Schiphol 30 procent kon inboeken op haar schoonmaakkosten. Hoezo, de mens de maat van alle dingen? Alleen al een nepvliegje tast onze vrije wil aan. Soms roept dat pogingen op om de humanistische orde te herstellen. Zoals in het geval van die rechtszaak in de VS waarin een verbod werd geëist op auto's die niet starten als je geen veiligheidsgordel om doet. Dat zou de keuzevrijheid van het individu aantasten. De rechter besliste anders - de mens verloor het geding van het ding.

Dingen komen pas tot leven in verbinding met mensen
Betekent dat omgekeerd dat de dingen ons de maat nemen, of wellicht dreigen te nemen? Nee, net zomin. Ook die dingen komen pas tot leven in verbinding met andere dingen en met mensen. Dat heeft die Duitse fabrikant van wasmachines geweten toen hij met zijn product de Chinese markt probeerde te veroveren. Men ging er groenten in wassen. En Ford had al snel in de gaten dat er voor de verkoop van auto's meer nodig is: snelwegen, benzinestations, verzekeringen; kortom, een volledige infrastructuur. Om nog maar te zwijgen over een mobiliteitsbehoefte. Als zulke materiële en culturele voorwaarden ontbreken, zoals destijds op het Amerikaanse platteland, dan wordt het niks met die auto. Boeren verbouwden ze tot landbouwmachines.

Kortom, mens en techniek constitueren elkaar. Het betreft een vergelijking met twee onbekenden. Maar dat betekent ook dat de roep om menselijke controle over en beheersing van techniekontwikkeling - in afremmende dan wel in stimulerende zin - een humanistische illusie is. Onzekerheid is hier veeleer troef. Met de techniek verandert ook de mens, inclusief zijn idee van het goede leven. Kijk maar naar de wisselwerking tussen medische technologie en medische ethiek. Onze opvattingen over ziekte en gezondheid, over leven en dood zijn niet in beton gegoten, maar veranderen voortdurend met de introductie van weer een nieuwe techniek.

Moeten we alles dan maar op zijn beloop laten? Nee, zeker niet. Laten we vooral blijven leren en experimenteren - met verschillende soorten technieken en met uiteenlopende manieren van omgang daarmee. Bij de les blijven dus. En blijven praten erover. Opdat negatieve gevolgen van techniekontwikkeling, van asociaal smartphonegedrag tot uitsluiting en ongelijkheid, bestreden worden. Maar heb niet de pretentie voor eens en voor altijd normatieve grenzen te kunnen stellen. De kunst is juist hoe te leven in die dubbele onzekerheid van mens en techniek. Kwestie van gezamenlijk voortmodderen - de kern van onze democratie. Wat dat betreft kan de Maand van de Filosofie niet lang genoeg duren.

Hans Harbers is docent filosofie wetenschap, technologie en samenleving aan de Rijksuniversiteit Groningen.