Interview Botanicus Tinde van Andel

‘Druijpaerts’ en beten van ‘quadaardige dierkens’: in vergeten boek uit 1700 kun je de ellende haast proeven

Tinde van Andel bladert door een oud VOC-boek in de Universiteitsbibliotheek in Leiden. Foto Freek van den Bergh

Drie eeuwen geleden deed een geheimzinnige Nederlandse arts baanbrekend veldwerk in de binnenlanden van Sri Lanka. Met gevaar voor eigen leven, en zijn tijd twee eeuwen vooruit. Klein detail: niemand weet meer wie hij was.

Een dik, wit toverboek. Bobbelige kaft van dierenhuid. Stugge vellen papier, beschreven in een opvallend net handschrift. En om de andere pagina prachtige, kleurige tekeningen van planten, zo’n 250 in totaal.

‘Moelkiloewaij (…) is een soort van boom, welkens bast stild de verbrantheijt en tantpijn, en de overvloedige stonden bij de vrouwen.’

Of deze.

‘Sittagatti (…) is een kleijne soort van een boom, de bladeren van dien gekookt in water, en gedronken, doet braken en de slijmagtigheeden vande maag uijtwerpen, en is een groot middel voor die geene die eenige vergiftige vogt inwendig genoten heeft.’

‘Ik snap er geen barst van’, zegt hoogleraar botaniegeschiedenis Tinde van Andel, terwijl ze in de Universiteitsbibliotheek Leiden de bladzijden van het boek voorzichtig omslaat. ‘We hebben geprobeerd uit te zoeken waar die vent zit. Maar hij schrijft telkens: hier. Hier in Jaffna, hier in Colombo. Kennelijk reisde hij rond op Sri Lanka, toen hij de planten in dit boek documenteerde.’

De auteur moet arts zijn geweest, ook dat valt ook op de maken uit de teksten van het ‘Icones Plantarum Malabaricarum’, zoals het plantenboek heet. Een scheepsarts van de VOC waarschijnlijk, de handelsmaatschappij die rond 1700, toen het boek werd opgesteld, Sri Lanka overheerste. Vandaar al die verwijzingen naar tropische koortsen, zweren, ‘druijpaerts’ en beten van ‘quaadaardige dierkens’, zegt Van Andel. ‘Je kunt de ellende van die tijd haast proeven. De VOC had er belang bij om zich te bekommeren om de gezondheid van haar mensen.’

Maar er is nog iets veel opmerkelijkers. Aan alles merk je dat de auteur met de lokale mensen heeft gepraat, zegt Van Andel. ‘Hij gaat in op de details: je moet de plant uitgraven, koken tot hij bruin is en dan op de wond smeren. Of: je moet bij deze plant wel een goede genezer zoeken, zodat je niet te veel gebruikt. Je merkt dat lokale mensen hem hebben meegenomen naar de plantjes, hem bereidingen hebben voorgedaan, met hem hebben meegekeken of hij ze wel goed had getekend.’

En dat was hoogst ongebruikelijk, in een tijd waarin men oprecht geloofde dat de ‘swarten’, zoals het boek ze aanduidt, maar achterlijke wilden waren. Deze dokter deed etnografisch botanisch veldwerk, tweehonderd jaar voordat wetenschappers voor het eerst serieus naar inheemse volkeren begonnen te luisteren.

Dat verklaart meteen waarom er in het boek ook planten staan uit de binnenlanden. ‘Heel opvallend’, vindt Van Andel. ‘Want de VOC zat alleen aan de rand van Sri Lanka. In het binnenland heerste een koning, daar hoefde je echt niet te komen. Maar deze man had kennelijk een enorme drive om het toch te doen.’

Bijzonder, dat vindt ook collectiebeheerder Mart van Duijn. ‘We hebben veel mooie stukken in onze collectie, maar het verhaal hierachter is wel erg spannend’, vindt hij. ‘Het vergt de juiste blik van de juiste persoon om dit allemaal te ontdekken. En Tinde is zo iemand.’

Het was een spoor van papieren broodkruimels dat naar het boek leidde. In Artis had historica Mieke Beumer een stel losse vellen met raadselachtige aantekeningen ontdekt. In Leiden waren er meer, had ze begrepen. En zo kwam Van Andel terecht bij de Icones, dat in 1739 was ingeschreven in de collectie van de beroemde arts en botanicus Herman Boerhaave.

Tinde van Andel bladert door een oud VOC-boek in de Universiteitsbibliotheek in Leiden. Foto Freek van den Bergh

Een vergeten boek, vertelt ze. Kijk maar hoe kleurrijk en nieuw alles er nog uitziet. ‘Dit boek is niet vaak ingekeken’, wijst ze. En dat raakt haar: ‘Ik doe hetzelfde werk als die gast, ik weet hoe zorgvuldig je naar de plaatselijke mensen moet luisteren voordat ze je in vertrouwen nemen, je dingen gaan vertellen. Hij kreeg dat voor elkaar. Maar kennelijk had hij niet de juiste connecties. Met een regent van de VOC, of een wetenschapper zoals Boerhaave.’

Vandaar dat ze het plantenboek, samen met Beumer en haar student Ariane Scholman, nu formeel beschrijft in het vakblad Journal of Ethnopharmacology, en de UB het geheel digitaal en voorzien van Engelse vertaling beschikbaar heeft gesteld. Alleen al zodat men het in Sri Lanka zelf kan lezen, legt ze uit. ‘Dit is cultureel erfgoed van de mensen daar ter plaatse. Net zoiets als dat er in China een driehonderd jaar oud dagboek opduikt van een Amsterdamse burgemeester – dan zeggen wij toch ook: hier, we willen het zien?’

En wie weet leidt dat alsnog tot de ontdekking van de auteur: je weet nooit of er ergens ter wereld nog meer geschriften van de geheimzinnige dokter bestaan. ‘Ere wie ere toekomt’, zegt Van Andel. ‘Deze man heeft met gevaar voor eigen leven het hele eiland rondgereisd. Hij verdient het om beroemd te zijn.’

Had de goede dokter nou maar gewoon zijn naam op de kaft geschreven. ‘Kennelijk dacht hij: als ik dood ben, weten ze vast nog wel van wie dit is’, zegt Van Andel. ‘Daarom zeg ik altijd tegen mijn studenten: als je iets maakt, zet je naam erop.’

Bekijk hier de ‘Icones Plantarum Malabaricum’ in zijn geheel in hoge resolutie.