INTERVIEWMalou Holshuijsen

Presentator Malou Holshuijsen over haar jeugdtrauma: ‘Het 15-jarige loedertje dat ik toen was, zette haar hakken in het zand’

null Beeld Imke Panhuijzen
Beeld Imke Panhuijzen

Presentator en columnist Malou Holshuijsen (34) zweeg jarenlang over het moment dat haar gevoelsleven op slot ging. ‘In mij zit een overlevingsmechanisme dat ‘halt’ zegt als het trauma te dichtbij komt.’ Dinsdag verschijnt haar debuutroman Zachtop lachen.

Wat gebeurde er op de dag dat ze in emotionele lockdown ging?

Ze aarzelt. ‘De gebeurtenissen zijn voor mij... blurry. Ik was pas 15. Ik zat in de klas. Eerste uur, Nederlands. Het was rumoerig, onrustig, de sfeer was beladen. Een telefoon ging af. Een jongen begon te huilen. Simon heette hij. Ik dacht: stop hiermee, Simon. Doe normaal. Als jij nu gaat zitten janken, dan is het allemaal echt. Dat is mijn meest heldere herinnering.’

Ze was die ochtend getuige geweest van een dodelijk ongeluk van een klasgenoot.

‘Ik weet nog dat de rector binnenkwam en vroeg of we allemaal naar de aula wilden komen. Veel mensen knuffelden elkaar, huilend. Ik deed maar wat mee. Ik vond het heel erg, verstandelijk, maar voelde geen pijn of verdriet. Eigenlijk voelde ik niks.’

Ze sprak die dag met niemand over het ongeval. Alsof het niet was gebeurd, alsof ze niets had gezien. Alleen haar oma rook onraad.

‘‘Je stinkt’, zei ze. Na school was ik naar haar toe gegaan. Oma Hannie was Indisch en heel zintuiglijk ingesteld. Ze rook aan mijn haar en aan mijn handen, maar de geur zat in mijn trui – een verschrikkelijk lelijk ding met lachende zeehonden in blauw, rood en geel. Ooit had ze die voor mij gemaakt. Het was zweet. Ik zei: ‘Jaaa, ik heb gegymd, oma. En daarna heel hard gefietst, met wind tegen.’ Ze keek stuurs. ‘Dit is angstzweet.’ En ja, dat ruikt heel anders dan inspanningszweet: niet vers en ziltig maar smerig, als van een kadaver, en tien keer penetranter. Mijn oma kende die geur van het Jappenkamp. Althans, dat denk ik. Waarvan anders? Ik had het idee dat ze schrok, maar dat kan ik me verbeeld hebben. Ze kon de lucht in elk geval niet verdragen. Uit, dat ding.’

Een dierbare sterft. En dan? In de onregelmatig verschijnende serie Hoe besta je na? spreken Pieter Webeling en Frénk van der Linden met mensen die een geliefde, kind, ouder of goede vriend(in) hebben verloren. Met welke herinneringen blijven we achter? Hoe rouwen we? Staat God ons bij? Is het mogelijk om een groot persoonlijk verlies betekenis te geven?

Dromen

Malou Holshuijsen werkt als journalist voor onder meer Het Parool en Cosmopolitan. Ze is ook columnist van Radio1. Deze week publiceert ze haar debuutroman Zachtop lachen, waarin ze een persoonlijk trauma omzet in fictie. Tot haar 31ste zweeg ze tegenover iedereen over het ongeval dat zich in haar puberteit had voorgedaan.

‘Toen kreeg ik ineens dromen. Mensen werden aangereden. Die lagen dood op straat. Ik stond met mijn buurvrouw te praten en beng, auto, weg buurvrouw. Na een paar nachten durfde ik niet meer te slapen. Daar lag ik dan, in m’n eentje. Ik had een onregelmatig ritme, want ik presenteerde ’s nachts radioprogramma’s voor de NPO. Dan kwam ik tegen de ochtend thuis. Na twee uurtjes slapen schrok ik vanzelf weer wakker. Mijn broertje woonde bij me in en zei op een gegeven moment: Jezus, wat zie jij er verrot uit!

‘Na een week begon ik ook overdag vreemde dingen te zien. Vanuit m’n ooghoek zag ik overal muizen in mijn appartement wegschieten. Heel dwangmatig ben ik gaatjes gaan dichten en alles gaan schoonmaken – ik ben heel bang voor muizen. Maar bij een plaag zit alles onder de pis en kak, dat ruik je echt wel. Ze waren er dus niet. Buiten zag ik opnieuw dode mensen liggen, terwijl ik ‘wakker’ was. Ik durfde bijna niet meer over straat, ook uit angst om zelf te worden aangereden. Ik was de enige Amsterdammer die voor een oranje stoplicht bleef staan. Dan krijg je echt ruzie, hoor. Bij oranje trek je nog even een sprintje – ze vlogen bijna op me.’

De huisarts schreef haar oxazepam voor, om te kalmeren en te slapen. Het hielp nauwelijks.

‘Op een dag had ik m’n telefoon in mijn hand en zag het Instagram-account van een klasgenoot. Ik schrok me rot. Het was de jongen die was verongelukt. Op dat moment was hij al vijftien, zestien jaar dood. Zijn foto van toen had ik helder en duidelijk op mijn scherm. Veel mensen hadden hem geliked. Bizar. Hoe kon dit? Was dit een grap? Werd ik gek? Later heb ik dat bewuste account geprobeerd op te zoeken, maar het bestond helemaal niet. Inbeelding dus. Ik ben toen gaan praten – met een psycholoog. Het vreemde is: die kon ik zo vertellen over flashbacks van een ongeluk met een trein. Maar: ontdaan van elke emotie. Alsof ik daar een krantenbericht over had gelezen.’

Malou Holshuijsen: ‘Ik durfde bijna niet meer over straat, ook uit angst om zelf te worden aangereden. Ik was de enige Amsterdammer die voor een oranje stoplicht bleef staan.’ Beeld Imke Panhuijzen
Malou Holshuijsen: ‘Ik durfde bijna niet meer over straat, ook uit angst om zelf te worden aangereden. Ik was de enige Amsterdammer die voor een oranje stoplicht bleef staan.’Beeld Imke Panhuijzen

In de eerste sessies boorde de therapeut in graniet.

‘De psycholoog vroeg vaak naar mijn Indische familie. Ik zei: hoezo? Wat hebben m’n moeder en m’n oma er nou mee te maken? Wil je hún nummer? Ik vertelde over mijn overgrootmoeder, oma mam, de moeder van oma Hannie. Sterke vrouw. Ze had haar echtgenoot verloren in de oorlog, maar daar sprak ze nooit over. Eten is zilver, zwijgen is goud, dat is het credo in mijn familie. Ik was 8 jaar toen oma mam in het ziekenhuis lag. Haar gezicht lag helemaal open vanwege gordelroos. Vond ik eng. Dat zag zij. ‘Neem een biscuitje,’ zei ze. Ik pakte er eentje van een pak op tafel. Waarop ze zei: ‘Neem er maar zes.’

‘Een paar dagen later kwam mijn moeder naar me toe. Grauw gezicht, rood doorlopen ogen, maar ze deed heel ‘normaal’. ‘Oma mam is doodgegaan’, zei ze. En weg was ze. Ik hoorde haar in haar slaapkamer huilen. Verdriet was blijkbaar niet iets wat wij samen doen. Ik ben in m’n kledingkast gaan zitten en huilde in een winterjas. Tijdens de uitvaart ging ik bewust aan de andere kant van de zaal zitten – om mijn moeder niet te belasten met mijn tranen.’

Ze beaamt dat zwijgen bij pijn een bekend fenomeen is in de Indische cultuur.

‘Ik ken het van mijn oma Hannie. Zij heeft nauwelijks iets losgelaten over de oorlog in Indië, nu Indonesië. Rond haar 14de moest ze het Jappenkamp in, samen met haar zus en moeder. Dat was in 1941, in Bandung. Eén keer vertelde ze een verhaal over Japanse bewakers die mee de sawa inliepen als jonge meisjes naar de wc moesten. Haar zus ging dan toch plassen, zij niet, dat vertikte ze. Ik vrees dat dit maar een topje van de ijsberg is. Hoe dan ook: kwetsbaarheid liet je niet zien. Want, zei mijn oma: ‘Dan hebben ze gewonnen.’ Mijn oma was een dikke vrouw. Ze at veel. Misschien omdat ze ooit honger had geleden, misschien om haar pijn te verdringen.

‘Mijn twee broers en ik hielden van haar, van haar ongeremdheid. Alles mocht: roken, heel veel lempers (rijstrolletjes met kip) eten, wijn drinken, alles. Ze kon goed zeiken, daar gingen wij dan tegen in. Als grap, dat vond ze mooi. Standaard was ze ’t niet met dingen eens. Mijn broertje vertelde een keer heel trots dat hij voor het eerst alleen op vakantie ging, naar Bali nog wel. Mijn oma zei: ‘Jullie gaan maar op vakantie, waar is dat voor nodig, ik ging nooit zo lang weg.’ Waarop mijn broer zei: ‘Nou oma, jij bent een paar jaar op kamp geweest en het was nog onwijs lekker weer ook.’ Er viel een diepe stilte. Ze trok één wenkbrauw op. Toen moest ze lachen. Schaterlachen. Gillen, echt uitzinnig. Op een gegeven moment is het wel klaar, maar mijn oma kon niet meer ophouden, de tranen rolden over haar wangen. Ik vroeg me af: wat jij doet, is dat nog wel lachen?’

Wat herkent ze bij zichzelf?

‘Ik heb op precies die manier de zware emoties buiten de deur gehouden. Ik heb een ziek relativeringsvermogen. Mijn broertjes en ik zeggen altijd: laten we het godverrrdomme gezellig houden. Als je zou weten hoe ik mij opstelde tijdens die therapie... Dat was echt als het 15-jarig loedertje dat ik indertijd was: die zette haar hakken in het zand en zei: mij krijg je niet. Ik kwam al binnen met een of ander gek verhaal – om maar controle op de situatie te houden. Keek de psycholoog mij alleen maar aan, met z’n stoïcijnse kop, hahaha. Bloedirritant. Toen ik vertelde dat ik als 8-jarig meisje huilend in de kast zat, zei hij: ‘Dat vind ik heel erg voor je.’ Sodemieter op! Wil je een tissue? Of hij liet weer bewust een stilte vallen. Die vulde ik dan inderdaad op: ‘Nu hoop je zeker dat ik ga janken?’

Op een gegeven moment zei hij vanuit het niets: ‘Je lijkt wel een robot.’ Oef. Die kwam binnen. Een robot? Ik dacht dat ik het aardig voor elkaar had. Ik was heel direct, met veel humor en een grote bek, dat was toch mijn talent? Ik werkte eerder voor radio Decibel, daar werd ik betaald om een beetje grappig-brutaal te doen tegen de gasten. Maar wat ik tijdens die sessies bij de psych liet zien, was vooral afweer, bedacht, geprogrammeerd, aan de oppervlakte.

‘Je hebt dus al zes jaar geen relatie?’ vroeg de psycholoog.

‘Nee.’

‘Zeker geen kinderwens?’

‘Nee.’

‘Dat is geen toeval, Malou. En het is ook geen toeval dat je zo bijdehand zit te doen. Ik denk dat je je ook zelden veilig voelt?’

Over dat laatste had ik nooit nagedacht, maar hij had wel een punt. Eigenlijk vond hij mij een robot met ook nog roestige scharnieren. Zijn diagnose was: PTSS, posttraumatische stressstoornis. Hij verwees me door naar een kliniek in Amsterdam-Noord voor EMDR. Nou, dát vond ik een lachertje... Dan gaat iemand met haar vinger voor m’n gezicht heen en weer zwaaien en dan ben ik weer genezen? Wow. Nou, véél succes.’

Malou Holshuijsen: ‘Op een gegeven moment zei de psycholoog vanuit het niets: ‘Je lijkt wel een robot.’ Oef. Die kwam binnen.’ Beeld Imke Panhuijzen
Malou Holshuijsen: ‘Op een gegeven moment zei de psycholoog vanuit het niets: ‘Je lijkt wel een robot.’ Oef. Die kwam binnen.’Beeld Imke Panhuijzen

Hechte band

Lijkt ze op haar oma?

‘Ja. Mijn oma was een vreselijke moeder voor mijn moeder, dat wel, hard, koud en streng, maar zij en ik hadden een hechte band. Ik heb weleens voor haar raam gestaan, voordat ik binnenkwam. Dan keek ik naar haar en dacht: zo meteen zie je mij, dan doe je zoals je je voordoet, dan zet je je brutale oma-masker op, maar wie bén jij nou? Ik zag een heel norse, boze, ongelukkige, beschadigde vrouw.

‘Ze werd ziek. Dat begon met een wond op haar elleboog waar ik niet aan mocht zitten. Ik heb toen de wijnfles bij haar vandaan gehaald.’

‘Eerst die wond zien.’

‘Godverdomme Malou! Doe niet zo vervelend.’

‘Dit kan lang duren. Zal ik een muziekje opzetten? Roep maar.’

‘Donder op met je muziekje, geef die fles!’

Uiteindelijk gaf ze toe: ik mocht het verband eraf halen. Het was een vieze, stinkende, ontstoken, open wond. Ze kreeg ook een longontsteking. Huisarts erbij. Ze moest naar het ziekenhuis. Wilde ze niet. Het ging prima, zei ze, maar ja, het volgende moment viel ze gewoon weg. Ik zei: ‘Ik kan hier niks voor je doen, oma. Je bent veel te zwaar, je bent vies, je stinkt, je móét worden opgenomen.’ Na heel lang praten zei ze: oké. Ik wist niet wat ik hoorde.

‘Ik ben bang,’ zei ze.

‘Dat weet ik.’

‘Ik kon niet laten merken dat ik óók als de dood was. In plaats daarvan beloofde ik dat het goed zou komen. Nu vind ik dat erg pijnlijk. Toen dacht ik alleen maar: oh Jezus, doe ik hier wel goed aan? In de ambulance heeft ze me tot aan de ingang van het ziekenhuis helemaal verrot gescholden. Vastgebonden aan de brancard werd ze daar naar binnen gereden. Met een heldere, strakke blik naar mij.’

Haar oma kreeg een zuurstofmasker dat zich vacuüm zoog op het gezicht en de ademhaling overnam. Het moest 24 uur blijven zitten, zodat na vaststelling van bloedwaarden kon worden bepaald of een medische behandeling nog zin had.

‘Toen ik alleen met haar in de kamer was, pakte ze mijn hand en zei: ‘Af, dat masker. Af!’ Ik voelde me zo schuldig dat ik dat ding van haar hoofd trok. ‘Hèhè,’ zei ze. Meteen gingen er toeters en bellen af, dokters en zusters erbij... Die zeiden: nu heeft deze methode geen zin meer. Het ging vrij snel slechter met mijn oma. Ze kreeg morfine tegen de pijn. Met de halve familie – kinderen, kleinkinderen, achterkleinkinderen – zaten we bij haar op de ziekenhuiskamer, soms met een complete rijsttafel met allerlei bakjes en schaaltjes op haar bed. Toen het einde naderde, waren alleen haar drie kinderen bij haar. Ik niet. Vond ik heel erg.’

Haar oma overleed, nu acht jaar geleden.

‘Op het moment dat ik hoorde dat de artsen niks meer konden doen en oma niet meer thuis zou komen... Ik liep weg, effe frisse lucht. Mijn toenmalige vriend ging achter me aan. Ik dacht: rot op, laat me met rust. Ik begon sneller te lopen en hoopte maar dat de liftdeuren op tijd zouden sluiten. Een hele onwerkelijke, filmische scène. Ik heb toen heel hard gehuild. In m’n eentje. Lang gewacht tot ik weer naar boven ging, zodat niemand van de familie iets in de gaten had.’

EMDR

Waarom deed ze de EMDR-therapie? Kon ze niet gewoon weigeren?

‘De psycholoog was heel duidelijk: zonder behandeling gaan de flashbacks en de waanvoorstellingen niet over. Ik was heel bang mijn baan als radiopresentator te verliezen. Van de psych mocht ik sowieso al niet meer ’s nachts werken: ik had een normaal slaapritme nodig om beter worden. Op de redactie van BNNVARA zat ik soms een halfuur op de wc met weer een paniekaanval, maar niemand had iets in de gaten.

‘Ik moest, maar ik wilde niet. Het punt is: in mij zit een overlevingsmechanisme dat ‘halt’ zegt als het trauma te dichtbij komt. Daar moest ik aan voorbij. Met EMDR haal je die weerstand weg. Je wilt niet geloven hoe sterk die weerstand is. Toen me werd gevraagd in gedachten terug te gaan naar de ochtend van het ongeluk, voelde ik me al misselijk worden bij het pakken van mijn fiets. Maar de therapeut vroeg door. Ik vertelde dat ik in colonne met een vast clubje naar school fietste. Het was mistig. Hoe dichter we bij de spoorwegovergang kwamen, hoe beroerder ik me voelde. Ondanks de paniek en doodsangst móést ik van de EMDR-therapeut haar vingers blijven volgen.

‘De laatste EMDR-sessie stond ik bij de spoorwegovergang. Of... dat denk ik. Daar lag een schoolboek. Ik kotste bijna. De emotionele klap. Het geluid. De verbijstering, de paniek. Ik kende hem. Een klasgenootje. Een trein denderde voorbij, die belemmerde het zicht op een tegemoetkomende trein, en hij stak over. Zo stond het later in de krant, zo zal het wel gegaan zijn. Eerlijk gezegd wachtten we nooit tot de slagbomen weer omhoog gingen, we fietsten er altijd ongeduldig tussendoor. Ik ook. Ik ben daar weggegaan. Ik moest naar school, dan zou alles wel weer normaal zijn. Zoals Connie Palmen in IM schrijft: als ik straks thuis kom, zal Ischa wel tot de conclusie zijn gekomen dat het een vergissing was om zomaar dood te gaan.’

Malou Holshuijsen: ‘In mij zit een overlevingsmechanisme dat ‘halt’ zegt als het trauma te dichtbij komt.’ Beeld Imke Panhuijzen
Malou Holshuijsen: ‘In mij zit een overlevingsmechanisme dat ‘halt’ zegt als het trauma te dichtbij komt.’Beeld Imke Panhuijzen

Tijd, plaats en slachtoffer houdt ze liever abstract. ‘Als ik de situatie herkenbaar maak, eigen ik mij deze gebeurtenis toe. Dat voelt niet goed. Of...misschien ben ik er nog steeds te schijterig voor. Wie ben ík nou in dit grote geheel? Dat zal ook wel een klap van de Indische molen zijn: wij houden onze mond, alles is goed. Wij zijn oké. Met ons is niks gebeurd. Het is het verhaal van zoveel meer mensen. Mijn wonden zijn inmiddels dicht, maar ik heb geen zicht op die van anderen. Daar wil ik niet aan krabben.’

Hoe kijkt ze naar de Malou van 15?

Het is tien tellen stil.

‘Ik vind haar achterlijk. Die is niet goed snik. Mocht ik in therapie niet zeggen, maar als je de keuze maakt je zo af te sluiten ben je toch gestoord? De psycholoog vroeg of dat meisje haar lot verdiend had. Daar kon ik heel moeilijk een antwoord op geven. Toen vroeg hij: vind je dat je oma het verdiende om nooit over het Jappenkamp en haar oorlogstrauma te praten? Toen zei ik heel resoluut: nee, nee, dat vind ik heel erg! Dat doet me heel veel pijn.

‘Door EMDR ben ik opener geworden. Ik voel meer. Ik ben kwetsbaar. Durf nu werkelijk contact te maken. Het zal geen toeval zijn dat ik aan het einde van die therapie verliefd ben geworden op Rinse, een man die ik al acht jaar kende. Op een avond dronken we ergens wat. Hij vroeg: ‘Hoe gaat het nou met je?’ Ik zei: wil je het echt weten? Ik gooide al m’n medicijnen op tafel. ‘Zo gaat het met mij.’ Hij was stomverbaasd dat-ie nooit iets in de gaten had gehad.

‘Het is ook net of mijn oma niet zo lang geleden is overleden. Pas nu kom ik toe aan rouw. Ik heb fantoombelgedrag. Effe oma bellen. O nee. Ze zei vaak op een deftige manier dat het klote ging: klöte. God, wat mis ik die klöte. Ook zo bizar: tijdens het schrijven van mijn roman had ik niet door dat er geen enkele dialoog instaat van mijn oma en mij. Zij bepaalt. Zij beveelt. Er valt vrij letterlijk niet met haar te praten. Alleen toen ze naar het ziekenhuis moest, overschreeuwde ik haar. Pas na haar crematie ben ik als schrijver gelijkwaardig met haar in gesprek gegaan. Ik had haar zo graag beter willen zien worden, dat zou ik haar zo hebben gegund. Laat je zien, dúrf je te geven. Het is doodeng, tell me about it, maar het is het zo waard. Want er is maar één ding erger dan verdriet voelen. Dat is: verdriet verborgen houden.’

Flashback

Anderhalf jaar geleden stond ze op een tochtig perron van een klein stationnetje onder de rook van Amsterdam. Haar trein, een sprinter, rolde het station binnen. Op een ander spoor kwam een sneltrein in volle vaart aan.

‘Ik keek naar een vrouw die een stukje verderop stond. Die stapte naar voren. Ze was er, en ineens... was ze er niet. Ik verstijfde. Voelde me direct misselijk. Is dit echt? Nee. Nee! Alwéér? In de verwarring ben ik heel intensief naar de muziek gaan luisteren – in m’n oortjes. Ik had Spinvis op, We vieren het toch. Dat gaat verdomme over iemand die fantaseert over z’n eigen uitvaart! Ik belde Rinse. Ik weet nog dat hij zei: ‘Ga daar maar weg.’ Ik liep het station uit, nat van het zweet, angstzweet, heel vies. Vanuit de verte hoorde ik al sirenes van politie en ambulance. Ik had een flashback van de ochtend dat ik naar school reed, na het ongeluk. O ja, dat hoor je dan, zo gaat dat. Na dat voorval ben ik snel teruggegaan naar mijn psycholoog.’

‘Je raadt het nooit. Alwéér.’

‘Wat is er gebeurd?’ vroeg hij.

Ik vertelde het. Moeizaam, met veel tranen, maar ik kon het delen.

‘Ik vind het heel erg voor je,’ zei hij.

‘Ja, dat kennen we nu wel. Wat gaan we doen?’

‘Niks.’

‘Niks?’

‘We gaan ’t er nog wel over hebben, maar dit is een hele normale, menselijke reactie. Je bent geen robot meer.’

Is ze beter?

‘Ja, ik ben beter. Veel beter. Ik weet nog zo ongeveer dat ik het station uitliep, met Rinse in m’n oortje. Weet je... in al die jaren heb ik me niet alleen afgesloten voor m’n eigen gevoelens, maar ook voor de pijn en emoties van anderen. Op dat moment was ik gewoon kapot van verdriet – voor een vrouw die ik niet kende. En voor een jongen met wie ik in de klas zat. En voor een oude Indische vrouw van wie ik zielsveel hield. Rinse zei later: je was alleen maar heel, heel, heel erg hard aan het huilen.’

Malou Holshuijsen: Zachtop lachen, 224 pagina’s Ambo Anthos. € 21,99

CV Malou Holshuijsen

1987 Geboren in Amsterdam

2006 Kunst, Cultuur en Amusement ROC van Amsterdam

2008 Master of Museology Reinwardt academie, Amsterdam

2011 Media en Entertainment management in Haarlem

2014 Regisseur van De Overnachting op NPO Radio 1 (BNNVARA)

2015 Co presentator ochtendshow op Radio Decibel

2016 Presentator Druktemakers en START! op NPO Radio 1 (BNNVARA)

2017 Columnist &C en Journalist bij VARAGids

2017 Presentator De nacht van de radio op NPO Radio 1 (BNNVARA) en Co presentator Zomerspijkers BNNVARA NPO Radio 2 (BNNVARA)

2018 Presentator MALOU op NPO Radio 2 (BNNVARA)

2019 Presentator Ok Millennial en Ik zag iets moois van Het Parool

2020 Schrijft de serie Lieve oma in Het Parool

2021 Columnist bij Humberto op NPO Radio 1 (AVROTOS)

2021 Journalist voor Het Parool, Cosmopolitan, Moesson Magazine

2021 Debuutroman Zachtop lachen, verschijnt 23 maart.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden