Een student aan de studie in de Universiteitsbibliotheek in Amsterdam.
Een student aan de studie in de Universiteitsbibliotheek in Amsterdam. © ANP

'Een vlotte pen kan de historicus ook schaden'

Met zijn pleidooi voor relevant historisch onderzoek geeft Rutger Bregman er blijk van de vorm van een artikel belangrijker te vinden dan de inhoud, schrijft Els Stronks.

 
In het steeds verder uit elkaar groeien van de talen waarvan de historicus zich moet bedienen zit het probleem

Historici van nu moeten hun talen kennen. De taal van NWO, die het onderzoek financiert en vraagt om met precisie over iets te schrijven wat je nog hoopt te gaan uitzoeken. De taal van vakgenoten in binnen- en buitenland, die vereist dat je in detail kunt analyseren maar ook details kunt abstraheren. En de taal voor een breed publiek, die conclusies vol schwung verwoordt en uitdraagt.

Dat is voor historici niet anders dan voor andere wetenschappers. Maar waar andere wetenschappers kunnen volstaan met het melden van hun resultaten ('nieuw medicijn gevonden tegen borstkanker', of 'op Mars sporen van water gezien'), daar lijken historici een ingewikkelder vertaalslag te moeten maken om hun conclusies voor dat brede publiek interessant te maken.

De discussie van Jolanda Withuis en Chris van der Heijden over de wenselijkheid van expliciet oordelende versus genuanceerde conclusies in de Volkskrant van 29 september en 2 oktober ging over die vertaalslag, en ook Rutger Bregman deed in Vonk van 29 september een suggestie: vergroot de relevantie van historisch onderzoek door historici minder precies te laten werken en door ze lessen uit het verleden te laten trekken. Kleine vergissingen moeten kunnen, redeneert Bregman, in een klimaat waarin sweeping statements en politieke lessen vereist zijn om het brede publiek te bereiken.

Een maatschappelijk relevant onderwerp kiezen lijkt enige garantie op aansluiting met dat publiek te geven. Niet voor niets gaf Withuis er de voorkeur aan de discussie over de noodzaak van oordelende discussies te voeren aan de hand van het voorbeeld van 'omgaan met oorlogsherinneringen'. Maar vergissingen zijn, zoals Bregmans stuk (onbedoeld?) laat zien, dodelijk. Ik geef een voorbeeld. Bregman noemt een recent promotieonderzoek naar de 'veelbewogen drukgeschiedenis van een katholieke prentenboek' als toppunt van irrelevantie. Dat boek (kan ik als een van de begeleiders van de auteur stellen) gaat helemaal niet over de drukgeschiedenis van een boek, maar over een onderwerp dat Bregman zegt wél interessant te vinden: de multiculturele samenleving en processen van integratie. Het boek toont hoe in de multiculturele Republiek protestantse drukkers religieuze boeken met katholieke afbeeldingen liever met gelijkgestemden uit het buitenland, dan met katholieken uit hun eigen land maakten.

Het door hem weggehoonde congres over vroegmoderne liedcultuur gaat over de formatie van Europa, ook al een onderwerp dat Bregman interessant zegt te vinden: kreeg elk land bijvoorbeeld indertijd een lied als het Wilhelmus waarmee het zich identiteit en gezicht gaf tegenover andere landen in de omgeving? Ook opmerkelijk: Bregman roemt in de necrologie van de historicus Eric Howsbawm (de Volkskrant, 2 oktober) nu net Howsbawms aandacht voor liedcultuur als onderdeel van diens interessante onderzoek naar 'the invention of tradition'.

Feiten
Conclusies moeten dus door feiten onderbouwd zijn: op dat punt vallen de talen van NWO, de vakgenoot en het brede publiek samen. Maar toch zit in het steeds verder uit elkaar groeien van de talen waarvan de historicus zich moet bedienen het probleem. Voor NWO is de mogelijkheid de resultaten van het beoogde onderzoek te valoriseren de afgelopen decennia een steeds belangrijker criterium bij beoordeling geworden. Je zou denken dat daarmee impliciet geeist wordt dat onderzoek dat door NWO wordt gefinancierd, maatschappelijk relevant is en dus per definitie relatief eenvoudig aansluiting vindt bij het brede publiek.

Dat NWO-beleid bestaat al een tijdje, en het probleem van de historici is er zeker niet minder groot door geworden. Het vergt van de historici een nieuwe vaardigheid om resultaten die in eerste instantie in NWO-taal opgeschreven zijn en vervolgens in vakgenotentaal (die om vernieuwing van onze wetenschappelijke kennis mogelijk te maken een wereldwijde vaktaal is) voor een groot publiek te hertalen en zo uit te leggen. Aan de Universiteit Utrecht verzorgen we daarom voor historici en historisch letterkundigen een cursus 'Vlot schrijven, traag lezen'. Die heeft enerzijds tot doel de studenten diep te laten graven in de bronnen, artikelen en proefschriften en ze daar scherp en precies te laten lezen.

Anderzijds is het doel dat de cursisten voor verschillende soorten publiek leren schrijven. Dat oefenen gebeurt vooral door de studenten bewust te maken van genreconventies: verschillende situaties vragen immers om verschillende stijlen, en een andere benadering van de inhoud. Een ingezonden brief aan de krant is anders van toonzetting dan een inleiding van een scriptie.

Discussie
Het artikel van Bregman nemen we deze week als casus. Ik loop op de discussies met de studenten vooruit door te concluderen dat een eerste vereiste in al die genres het leveren van constante kwaliteit zou moeten zijn; en daarbij hoort aandacht voor het detail en fact checking. Maar de historicus moet zich natuurlijk ook bewust zijn van de rol die hij ten aanzien van zijn publiek te spelen heeft, en die rol kunnen aanpassen - op dat punt geef ik Bregman gelijk.

Zijn artikel van 29 september demonstreert (ook onbedoeld?) het probleem dat zelfs een redelijk goed ingevoerde lezer niet zo gemakkelijk door restjes van NWO-taal heen leest. Ik vermoed dat Bregman het proefschrift zelf niet gelezen heeft, en ook niet de call for papers voor het congres, maar zich baseert op berichtjes die hij op de UU-website heeft gevonden.

Een goed discussiepunt met de studenten is hoe rekening te houden met lezers bij berichten die je voor een universitaire website schrijft: zitten daar restjes NWO-taal in, en welk effect kunnen die hebben?

Rest nog de rol van kranten: ook die zouden fact checking hoger op hun prioriteitenlijst mogen zetten als ze wetenschappers een podium bieden. Op dat podium passen ongefundeerde uitspraken zoals die van Bregman in geen enkel genre; ook niet in het genre dat Vonk beoogt te bieden.

Els Stronks is hoogleraar vroegmoderne Nederlandse letterkunde in Utrecht.