Mussert, neemt afscheid van de Nederlandse Vrijwilligers voor hun vertrek naar Duitsland 1942.
Mussert, neemt afscheid van de Nederlandse Vrijwilligers voor hun vertrek naar Duitsland 1942. © ANP

Max Pam: 'De journalist likte en schikte lustig mee'

De afgelopen week is er veel gevierd en herdacht, schrijft columnist Max Pam. 'Maar of het gros van de journalisten moediger is dan toen, daarvoor durf ik mijn hand niet in het vuur te steken.'

 
Velen bezochten uit vrije wil een nazi-zomerkamp
 
Nee, wat het meest deprimeert, is het gemak waarmee het overgrote deel van de Nederlandse journalisten zich voegde naar de Nieuwe Orde.

Er gaat geen jaar voorbij of er sneuvelen journalisten bij de uitoefening van hun vak. Zij worden dodelijk geraakt op het slagveld, of eenvoudig in een achterafsteegje geliquideerd omdat zij te veel wisten. Zij gaven hun leven voor de vrijheid van meningsuiting. De dappersten worden geëerd. Niet zelden wordt er een prijs uitgereikt te hunner nagedachtenis. Dan verschijnt een minister, die in een hooggestemde toespraak de rol van de journalist benadrukt en die erop wijst dat de media in een open samenleving van cruciaal belang zijn. 'Wanneer ik moet kiezen of wij een regering moeten hebben zonder kranten, of kranten zonder een regering, dan kies ik zonder aarzelen voor dat laatste', heeft Thomas Jefferson gezegd.

Soms wordt een journalist zelf een ster. John Reed, die in Ten Days that Shook the World de Russische Revolutie van 1917 heeft beschreven, was misschien de eerste. Na hem kwamen anderen: van H.L. Mencken tot David Frost en Jeremy Paxman, van Boebie Brugsma tot Ischa Meijer en Paul Witteman. De journalistiek oogt als een glamorous beroep. Voor de opleidingen is grote belangstelling en het schijnt studenten niet af te schrikken dat het aantal banen in de sector terugloopt.

Ander gezicht
Dat de journalistiek ook een ander gezicht heeft, wordt pijnlijk duidelijk in de onlangs verschenen biografie Tobie Goedewaagen (1895-1980), een onverbeterlijke nationaal-socialist van de historica Benien van Berkel. De filosoof dr. Goedewaagen had zich al voor de Tweede Wereldoorlog bekeerd tot het nazidom. Hij werd niet alleen perschef van de NSB, maar ook voorzitter van de Raad van Voorlichting der Nederlandsche Pers. Tevens was hij oprichter van de beruchte Kultuurkamer, die alle Nederlandse kunstenaars in gildeverband moest onderbrengen.

Op 2 mei 1941 vaardigde Goedewaagen het zogenoemde Journalistenbesluit uit, waarin werd bepaald dat journalisten lid moesten worden van het Verbond van Nederlandsche Journalisten. Dat betekende onder meer dat mijn vader - redacteur bij Het Volk - vanaf die dag werkloos was, want Joden werden uiteraard buitengesloten. Een nieuwe wind ging door het Nederlandse perswezen waaien. De journalist was in de ogen van Goedewaagen eigenlijk een soort kunstenaar, die om de Nederlandse volksgemeenschap dichterbij te brengen een eigen werkelijkheid mocht, ja, móést scheppen. Journalistiek moest in dienst staan van het volkseigene, en als classicus stelde Goedewaagen zich de vraag van Cicero: 'Hoe grijp ik de massa?'

Wat je in de biografie het meest naar de keel grijpt, is niet de Werdegang van Goedewaagen, die er na de oorlog genadiglijk vanaf kwam met twaalf jaar waarvan hij er maar drie hoefde uit te zitten. Nee, wat het meest deprimeert, is het gemak waarmee het overgrote deel van de Nederlandse journalisten zich voegde naar de Nieuwe Orde.

De pershistoricus René Vos heeft het omschreven als 'likken en schikken'. Van de ongeveer 2.000 journalisten hebben zich ongeveer 1.500 aangemeld. Het is waar, ze werden in die onzekere tijden ook gelokt door hogere salarissen een betere werkomstandigheden, maar dan nog lijkt het een raadsel hoe zij zich de toekomst voorstelden. Wellicht werden zij meelopers om te overleven, maar veel journalisten bezochten ook uit eigen vrije wil de zomerkampen, waar zij in nationaal-socialistische zin werden bijgespijkerd en waar de antisemitische Koos Speenhoff de avonden opluisterde met zijn liederen. De stemming was 'uitgelaten' en er kwamen zelfs klachten over alle luidruchtige pret en vrolijkheid. Op de laatste avond 'hielden de journalisten een vlaggenparade, en met trompetgeschal en tromgeroffel werd voor de laatste maal de vlag gestreken'.

Weinig heldhaftig
Het punt is natuurlijk dat de gelijkgeschakelde journalistiek, toen het er vakmatig op aankwam, net zo weinig heldhaftig bleek als de rest van de Nederlandse bevolking. Toen mijn vader na de bevrijding zijn plaats op de redactie weer wilde innemen, probeerde zijn chef - dezelfde die hem in 1941 had ontslagen - net te doen alsof er niets was veranderd. Het was ook geen Nederlandse journalist die na de bevrijding op het idee kwam om NSB-leider Mussert in de gevangenis te interviewen, maar Walter Cronkite die met de Amerikaanse troepen was meegereisd. Volgens Cronkite hief Mussert bij het afscheid 'uit gewoonte' zijn hand en zei: 'Heil!'.

De afgelopen week is er veel gevierd en herdacht. Nick & Simon hebben voor de nieuwe koning zelfs een blasfemisch lied gezongen. Maar of het gros van de journalisten moediger is dan toen, daarvoor durf ik mijn hand niet in het vuur te steken.

Max Pam is columnist voor de Volkskrant.