Interreligieus treffen in Amsterdamse Jeruzalemkerk (2011).
Interreligieus treffen in Amsterdamse Jeruzalemkerk (2011). © ANP

'De ene God laat zich moeilijk met de andere vergelijken'

Wie probeert de God van de christenen en die van de moslims te beschrijven, doet beiden te kort, betoogt Jan Jaap de Ruiter.

 
Het is nog maar de vraag of de islamitische God afstandelijk is

De woordcombinatie joods-christelijk is Chris Rutenfrans, opinieredacteur van de Volkskrant op de lippen bestorven in zijn stuk van zaterdag 6 juli. Zijn essay maakt na een veelbelovend begin een merkwaardige tournure. In zijn bespreking van het boek van Frans de Waal over empathie, altruïsme en besef van goed en kwaad bij dieren enerzijds en mensen anderzijds, is zijn stelling dat de dieren wel een soort van sociaal invoelend gedrag vertonen, maar dat je toch echt mens moet zijn om besef te hebben van goed en kwaad en dus van een moraal. Vervolgens voert Rutenfrans je naar het paradijs van Eden, waar de mens, na het eten van de boom van de kennis van Goed en Kwaad, zich van zijn naaktheid bewust wordt en zo dus van de moraal. En met de moraal komt ook God in het spel, aldus de schrijver. Tot zover niets aan de hand.

De tweede helft van het artikel gaat dan over God zelf en Rutenfrans maakt daarin onderscheid tussen de joods-christelijke God enerzijds en die van de islam anderzijds. Hij relateert de eerste God aan liefde en de tweede aan almacht en gehoorzaamheid. De eerste zoekt de mens, wil hem liefhebben en de tweede is hoog verheven en eist volledige onderwerping. Ik las het met verbazing en ik zal aangeven waarom.

In de eerste plaats is het nog maar de vraag of je kunt en mag spreken van een joods-christelijke God. De term joods-christelijk lijkt al een lange geschiedenis te hebben, maar niets is minder waar. Tot ver in de twintigste eeuw zouden zowel joden als christenen gegruwd hebben van die combinatie. Voor veel christenen waren de joden de moordenaars van Christus en veel joden herinneren zich nog de gruwelen die hen overkwamen van de kant van de christenen omdat zij Christus niet als Heiland wilde erkennen. Ingegeven door het drama van de Holocaust en de opmars van de islam in de wereld is pas recentelijk de term joods-christelijk gaan (op)leven.

In de tweede plaats is het nog maar de vraag of de islamitische God zo afstandelijk en ver weg is als Rutenfrans betoogt. Naar de Allerhoogste van de moslims wordt in de Koran keer op keer verwezen als de Vergever en de Barmhartige. Bovendien ervaren de mainstream moslims Hem ook en vooral als barmhartig en vergevend. Het beeld dat Rutenfrans geeft, namelijk dat van de veeleisende Allah wordt wellicht ingegeven door de nadruk die media en sommige politici leggen op de fundamentalistische islam en haar strenge leerstellingen.

Wat Rutenfrans doet, is scheiding maken tussen joden en christenen enerzijds en moslims anderzijds waarbij de God van de ene groep oneindig veel aantrekkelijker zou zijn dan de God van de andere. Aan beide groepen, eigenlijk moet ik zeggen: aan alle drie de groepen, doet hij zo geen recht. De geschriften van de Bijbel analyserend, kun je even goed tot de conclusie komen dat de joodse en christelijke God ervan wreed en hard is. De Koran analyserend, kun je concluderen dat Allah barmhartig en vergevend is.

Gemeen
Wil je een overtuigende analyse maken van het karakter van God in de drie religies, dan ontkom je niet aan het beschrijven van drie Goden, die veel met elkaar gemeen hebben, maar ook aanzienlijk van elkaar verschillen. De gewettigde conclusie uit het stuk van Rutenfrans is nu dat de God van de joden en christenen de goede zou zijn en die van de moslims de kwade. Daarmee zet de auteur, wellicht onbedoeld, met name de moslims in een kwaad daglicht en versterkt hij het al zo sterk heersende anti-islamdiscours in de westerse samenlevingen.

De kern van het eerste gebod, het beeldverbod, dat ook in de islam geldt, is dat God onkenbaar en dus onbeschrijfbaar is. Wij mensen kunnen de drang echter niet weerstaan om het toch te proberen, maar onze beschrijvingen doen Hem, welke dan ook maar, immer te kort en daarmee ook zijn aanbidders.

Jan Jaap de Ruiter is arabist aan de universiteit van Tilburg.