Journalisten op het Binnenhof.
Journalisten op het Binnenhof. © Martijn Beekman / de Volkskrant

'Wij media zijn de macht. En we moeten elkaar controleren'

Journalisten lezen iedereen de les. Maar als ze zelf kritiek krijgen, reageren ze stuurser dan de ergste regent. Toch is controle nodig, want de media zijn machtig. Kustaw Bessems roept journalisten op elkaar meer op de huid te zitten.

Ik kreeg een sms'je van een bekende. Het was kort na het aantreden van het kabinet-Rutte II en het nieuws werd beheerst door de inkomensafhankelijke zorgpremie. Ik had in een column gesproken van hysterie in de media. En ik had me op Twitter afgevraagd of aanpassing van die zorgpremiemaatregel zou worden veroordeeld als afgang of dat er misschien ook waardering kon zijn voor bestuurders die beleid bijstellen. Toen wist ik nog niet dat het kabinet zou bezwijken onder druk van alle mediageweld en onvrede in de VVD-achterban.

Volgens deze bekende bleek uit wat ik zei en schreef dat ik milder was geworden tegenover de macht.

Mijn antwoordsms'je luidde: 'Dominiqe van der Heyde is de macht.'

Ik doelde hiermee niet specifiek op 'het politiek gezicht van de NOS' en de 'duider in Den Haag', zoals haar functie op de NOS-website wordt omschreven. Ik maakte haar even tot gezicht van de media in het algemeen.

Dat Van der Heyde op dat moment spontaan in mij opkwam, had wel iets te maken met haar scherpe optredens over de inkomensafhankelijke zorgpremie. Een maatregel waarover zij zich behoorlijk negatief had uitgelaten. 'Hoezo nivelleringsfeest?', had zij zich afgevraagd. 'Met 'eerlijk delen' heeft dat niks te maken.'
Maar dat ik haar noemde, kwam eigenlijk nog meer door een opmerking die ik had gelezen in een interview met haar en die bij me was blijven hangen. Zij en haar vrouw, thrillerauteur en journaliste Annet de Jong, waren in NRC Handelsblad van 22 november geportretteerd voor een productie over partners met ongeveer dezelfde beroepen.

In het stuk brengt De Jong ter sprake dat de krant waar zíj werkt, De Telegraaf, vervelend schrijft over de NOS. In de reactie daarop zegt Van der Heyde: 'In het algemeen vind ik dat journalisten niet elkaar moeten recenseren. Ga liever nieuws zoeken en de macht controleren.'

Ik kon maar moeilijk geloven dat zij deze uitspraak had gedaan.

Open deur
Eerlijk gezegd dacht ik dat het langzamerhand een open deur was, dat media een macht op zich zijn. Dat de belangrijke spelers in die media macht hebben. Je kunt er semantisch wat mee spelen en zeggen dat dat geen formele macht is maar invloed. Dat maakt het belang niet per se kleiner. Want hét verschil tussen macht en invloed is dat macht in een samenleving als de onze wordt gecontroleerd. Invloed kent die controle niet.

En of je het nu macht of invloed noemt, iedereen weet waar het over gaat: de media bepalen de beeldvorming. En wie een poosje aan het Binnenhof heeft rondgelopen weet nog iets: beeldvorming bepaalt besluitvorming.

Jack de Vries, oud-spindoctor van het CDA, vertelde onlangs in De Groene Amsterdammer hoe het komt dat media - zijn woorden - 'in Nederland zeker heel veel macht hebben'. De redenen die hij opsomt: veel draait om imago. Nederlandse politici beschikken niet over veel eigen middelen om betaalde media in te zetten, zodat ze afhankelijk zijn van free publicity. Veel kiezers zweven en zijn dus beïnvloedbaar in hun keuze. En, zegt De Vries, de media zijn met veel.

Zelf heb ik vier jaar als politiek redacteur voor Dagblad De Pers in Den Haag mogen werken en wat ik nu ga zeggen is niet het resultaat van wetenschappelijk onderzoek, maar een indruk gebaseerd op die betrekkelijk korte periode.

Beeldvorming
Politici anticiperen zo veel op de verwachte beeldvorming: die is niet langer een van de factoren die wordt meegewogen bij politieke positiebepaling. Nee, die is in de regel van doorslaggevend belang.

Natuurlijk hebben partijen en politici heus hun beginselen en opvattingen. Maar voor zij een standpunt innemen, zéker voordat zij daarmee naar buiten treden, wordt steeds de vraag gesteld: hoe zal dit vallen, kunnen we dit verkopen? En daarbij denken de politici en hun adviseurs niet in de eerste plaats, zoals velen misschien zullen verwachten, aan het grotere publiek. Dan denken zij primair aan het selecte gezelschap van journalisten en commentatoren op wie dat grotere publiek noodgedwongen vertrouwt. En is het antwoord op deze vragen negatief, dan wordt een standpunt doorgaans ook niet uitgedragen.

Met de zorgpremie was dat verkeerd ingeschat. Die maatregel zou dan ook worden geschrapt.

Politici weten ook heel goed wie de meeste macht hebben in de media. Op Het Binnenhof zie je dat fysiek. De machtigste journalisten mogen de eerste vragen stellen op een persconferentie, hebben in de wandelgang en op de borrel de meeste aanspraak van politici en medewerkers. Toen ik zelf commentaar mocht geven bij Pauw en Witteman kwamen kopstukken ineens op een drafje achter me aan gehold als ik langs liep. Toen ik nog alleen voor de krant werkte en af toe een radio-optreden deed, hadden ze me soms niet eens zien staan.

Wie nog twijfelt kan de tweets bekijken die Pauw en Witteman-eindredacteur Herman Meijer gisteren plaatste. Het SP-Kamerlid Harry van Bommel verkoos gisteren een optreden bij Nieuwsuur boven een bij Pauw en Witteman. Ging over de EU. Naar eigen zeggen deed Van Bommel dit omdat hij bij Nieuwsuur zeker welkom was en Pauw en Witteman een slag om de arm hield. Daarop twitterde Meijer: 'Harry van Bommel heeft zich zojuist voor het hele jaar onmogelijk gemaakt voor Pauw en Witteman.' En wat later: 'Het jaar duurt voor Pauw en Witteman nog vijf afleveringen en Harry van Bommel zit even op de strafbank.'

Dat gaat dus over een parlementariër.

Politici vinden het van levensbelang hoe op tv over ze wordt gepraat. En hoe over hun plannen wordt gepraat. Dat is ook geen wonder. Als je bijvoorbeeld nog even kijkt naar hoe dat ging met die zorgpremie. Het NOS Journaal bracht als eerste belangrijke cijfers. Maar het is niet zo dat het uitsluitend droogjes wat staafdiagrammen met bedragen liet zien. Het nieuws werd direct geduid. Van der Heyde zei erbij dat het boven de 70.000 euro jaarinkomen 'mis ging' wat die premie betreft en ze noemde het 'heel raadselachtig' waarom de VVD hiermee akkoord was gegaan. Ze voegde daaraan toe: 'Je gaat haast denken dat de VVD niet goed heeft uitgerekend wat dit in detail betekent voor de middeninkomens.' En ze zei dat de maatregel niets opleverde voor de schatkist, terwijl deze ruilmiddel was voor VVD-maatregelen die wél besparen.

De cijfers van de NOS haalden de volgende dag onder meer de voorpagina van De Volkskrant. En mijn krant zou veel stukken aan de premie wijden. Opgewonden stukken over 'woede bij de VVD-achterban' en relativerende stukken over gevolgen voor de koopkracht. Met waardevolle informatie en ook wel eens met verkeerde of onhandig gepresenteerde cijfers.

Dominante spelers
Maar de dominante mediaspelers in de premiekwestie waren de NOS, RTL Nieuws - dat ook gealarmeerd van toon was - en De Telegraaf. Voor die krant  was het tv-nieuws de aftrap van een campagne tegen de inkomensafhankelijke zorgpremie, die dagen lang over meerdere pagina's zou worden uitgesmeerd.
 
Uit een reconstructie die Julien Althuisius en Dirk Jacob Nieuwboer maakten voor De Volkskrant bleek dat de onrust in de VVD-achterban op deze berichtgeving volgde. Daarna werd die onrust weer ónderwerp voor de berichtgeving. Zo voedden media en onderwerpen elkaar.

Nu is dat vaak een kip-ei-discussie: wat is er eerder, ophef of verslaggeving van die ophef? Maar zelfs wanneer journalisten zichzelf niet willen zien als de oorzaak, dan moet het toch minimaal te doen zijn om te erkennen dat wij de ophef versterken. Dat we uitvergroten. Dat we, juist ook wanneer wij zo massaal op één onderwerp springen, als een megafoon werken.

Het is toch niet vol te houden dat journalisten niet meer deden dan, zoals Van der Heyde zegt: 'weergeven wat in de samenleving en de VVD leefde'? Dat zij niet meer zijn dan een doorgeefluik?

Machthebbers
Toch staat Van der Heyde bepaald niet alleen. Pieter Klein, adjunct-hoofdredacteur van RTL Nieuws plaatste onlangs een blog onder de titel 'Maak de machthebbers het leven zuur'. Daarin schrijft hij: 'Journalistiek bestaat om kritische, onwelgevallige vragen te stellen, feiten te checken, en 'de macht' te confronteren. Omdat de journalistiek een bondgenoot van burgers hoort te zijn.'

Even voordat hij dat blog schreef was hij benaderd door een verslaggever van De Volkskrant voor Lopend Vuur. Een rubriek in Vonk, het katern dat ik mag maken, waarin we wekelijks reconstrueren hoe een nieuwsfeit zich heeft verspreid. In dit geval ging het over schokkende cijfers van ziekteverzuim bij de politie. RTL had ze van de politie gekregen, maar achteraf bleek dat die onjuiste gegevens had verstrekt. RTL meldde dat laatste niet onmiddellijk weer op tv.

Klein schrijft: 'Ik werd ter verantwoording geroepen door de Volkskrant.' En: 'Wat ik me afvraag: zouden journalisten niet meer passie moeten hebben voor het controleren van de macht dan van elkaars berichtgeving? Het moet niet veel gekker worden...'

Ook bij Klein dus het idee dat daar een tegenstelling tussen bestaat: de macht controleren en elkaars berichtgeving controleren.
Hoe vals deze tegenstelling is, blijkt uit een van de zeldzame voorbeelden van een tv-programma dat wél serieus andere media de maat neemt, de reeks die Argos uitzond onder de noemer 'Medialogica'. Een schoolvoorbeeld van hoe media elkaar, als macht, kunnen controleren is de aflevering over Zembla. Het ene tv-programma over het andere dus. In Zembla was beweerd dat taakstraffen worden uitgedeeld voor zeer zware vergrijpen. Argos bewijst dat dit onjuist was. Maar niet alleen dat, het brengt ook in beeld hoe Zembla dit tegen beter weten in had volgehouden. Én dat dit rechtstreeks effect had gehad op de wetgeving: de vrijheid van rechters om taakstraffen op te leggen werd beperkt.

Alleen deze ene aflevering laat al zien hoe nodig controle van media op media is.

Krampachtig
En zij toont nog iets: hoe krampachtig journalisten kunnen reageren wanneer zij kritiek krijgen of ter verantwoording worden geroepen over hun werk. Zembla-eindredacteur Kees Driehuis wil Argos alleen te woord staan onder strikte voorwaarden. Zo wil hij niet spreken over een onderzoeksrapport dat de beweringen van zijn rubriek ondermijnt.

En Kees Driehuis is niet zo bijzonder. Vers in het geheugen ligt nog hoe lang het duurde voordat NRC Handelsblad fouten erkende in de berichtgeving over de gezondheid van prins Friso.

Als ik even mag generaliseren: Wij journalisten wijzen dag in dag uit op hoge toon Jan en Alleman op hun feilen. Van politici tot sporters, van CEO's tot onderwijsbobo's. Wij eisen regelmatig hun hoofd. Maar valt dezelfde behandeling ons ten deel, dan reageren wij vaak stuurser en halsstarriger dan de ergste regenten.

Waar dit aan ligt? Het is een beetje gissen. Dat journalisten zichzelf niet als macht zien, is een van de redenen. Daardoor zijn ze verbaasd wanneer zij toch als zodanig ter verantwoording worden geroepen.
Het is misschien mooi om een inkijkje te geven in hoe zo'n proces op een redactie gaat, wanneer fouten moeten worden erkend.

De Volkskrant moest dat in 2007 nadat zij had gemeld dat Nederlandse militairen hadden gemarteld in Irak. Toenmalig adjunct Arie Elshout, nu correspondent in de Verenigde Staten, legde mij van de week uit waarom zoiets zo moeilijk is. Dat doet hij fraai, dus ik citeer hem uitgebreid: 'We hadden', aldus Elshout, 'het nieuws groot gebracht, tal van mensen hadden het van tevoren bekeken, naar ons gevoel hadden we zorgvuldig gehandeld, dan ga je niet meteen om.' En: 'Toegeven van punten die beter hadden gekund leidde op de redactie tot discussie en kritiek' En: 'Onthullen als plicht aan de samenleving is een plicht zo groot dat het je blind maakt voor fouten.' En: 'Muckraking is een van de moeilijkste journalistieke specialismes omdat het neerkomt op het aanvallen van machtige belangen en bolwerken. Het tegenspel is altijd hard en daar moet je niet te snel voor zwichten.'

Tot zo ver Elshout.

Gecompliceerde verhouding
Ik denk ook wel eens - en dit is opnieuw slechts een indruk - dat de journalistiek persoonlijkheden aantrekt die een gecompliceerde verhouding hebben met publiciteit. Journalisten houden wel van aandacht, maar via de band. Via de feiten waar ze over schrijven, of via de mensen die ze interviewen. Als ze een primeur scoren, vertellen ze glimmend in het licht dankzij welke unieke capaciteiten zij die boven tafel hebben gekregen. Maar doen ze iets fout of ten minste iets waarop steekhoudende kritiek mogelijk is, dan weten ze niet hoe snel ze hun eigen rol moeten reduceren tot die van onbeduidende boodschapper.

En er is een sterk beleefde collegialiteit. Buitenstaanders denken misschien dat verschillende media elkaar slechts op leven en dood beconcurreren, maar dat ligt genuanceerder. Natuurlijk is er strijd om een nieuwtje of een prominente interview-kandidaat. Maar er is ook veel onderling contact, er is cameraderie. Rechtbankverslaggevers kennen vakgenoten van andere media misschien wel beter dan de collega's van het eigen medium, want die zien ze steeds in de rechtbank. Iets dergelijks geldt voor voetbal, het Binnenhof of de corporate wereld. Je moet een beetje een bord voor je hoofd hebben om anderen snoeihard te corrigeren en ze daarna weer tegen te komen bij een automaat met slechte koffie of in de regen langs het veld.

Die onderlinge solidariteit wordt nog versterkt doordat journalisten een tamelijk homogene groep lijken te zijn: vaak autochtoon, hoog opgeleid en progressief. En ze koesteren de gedachte aan hun eigen onafhankelijkheid en objectiviteit.

Pieter Klein, de adjunct van RTL Nieuws, was in een radiodiscussie met andere vooraanstaande journalisten iets welwillender dan in zijn blog. Hij zei nu dat hij het wel goed vindt als media elkaar controleren op feiten, maar hij ergert zich aan alle 'meninkjes' over zijn werk.

Alle mannen die meededen aan deze radiodiscussie vonden het lang niet altijd gepast om elkaar onder de loep te nemen. Geen van de deelnemers had het bijvoorbeeld de moeite waard gevonden om aandacht te besteden aan de campagne van De Telegraaf tegen de inkomensafhankelijke zorgpremie. Hoort erbij, was de teneur. Dat vond zelfs Marc Josten, verantwoordelijk voor de Argos-serie Medialogica, waar ik net zo hoog van op gaf. In zijn programma had hij wel behandeld hoe De Telegraaf incidenten in Gouda had opgeklopt - 'kwade wil' - maar 'dit was gewoon actiejournalistiek die hoort bij de dynamiek'.

Ik zou graag zien dat wij media nog meer terughoudendheid laten varen. Het ís niet genoeg om alleen maar te factchecken en iets recht te zetten dat niet klopt. Of feiten kloppen is niet het enige dat beeldvorming bepaalt. Misschien zelfs niet eens het belangrijkste dat die beeldvorming bepaalt. Hoe wij die feiten ordenen is minstens zo belangrijk, welk gewicht we daaraan geven, hoe we die duiden. Welke krantenkoppen wij erboven zetten, welke beelden we erbij monteren. De prioriteiten in onderwerpen, de maatvoering. En ons kuddegedrag. Soms lijkt het of wij media maar één onderwerp per week aan kunnen. Het is de week van de zaak-Vaatstra. Het is de week van Diederik Stapel. Of het is de week van de gedode grensrechter. Na zo'n week is het ook weer over. Wat is het effect daarvan, dat we zo veel met z'n allen tegelijk doen? Welke onderwerpen blijven in de tussentijd liggen? Waarom is daar geen volwassen kritische discussie over?

Niet pikken
Journalisten zijn de enigen die journalisten kunnen controleren. Al was het alleen maar omdat we het van anderen niet pikken. Iedereen die wel eens onderwerp is in de media en klaagt - een politicus, een bekende Nederlander - wordt door ons weggezet als een huilebalk. Die zal wel proberen het eigen vege lijf te redden door media de schuld te geven, zo maken wij critici van buiten onze beroepsgroep verdacht.

En gewone, onbekende burgers hebben de middelen niet om ons aan te pakken. Die kunnen journalisten via sociale media als Twitter in toenemende mate aanspreken, maar zijn erg afhankelijk van de nog beperkte mate waarin journalisten bereid zijn tot luisteren en zich er iets van aantrekken.

Ze kunnen als grove fouten worden gemaakt klagen bij een tandeloze Raad voor de Journalistiek. In zeer uitzonderlijke gevallen kunnen zij over de enorme drempel van de rechtbank klauteren.

Maar misdragen wij ons zonder duidelijke regels te overtreden, dan kan een burger niets. En we zorgen er meestal wel voor dat we binnen de lijntjes blijven, we kennen alle trucjes.

Eén voorbeeld? Het misbruik van wederhoor. Je publiceert een grove beschuldiging, je zoekt niet uit of die klopt, maar je publiceert hem met een korte reactie van de beschuldigde. Als iemand dan zegt: hoe kun je dat in de krant zetten, zeg je: ik heb toch wederhoor gepleegd? Zoals Nick Davies het verwoordt in zijn befaamde boek 'Flat Earth news': Balance means never having to say you're sorry.

Nee, alleen journalisten kunnen elkaar controleren en dat is ook in ons eigen belang als we een vrije pers willen borgen. Gelukkig is in Nederland nooit ontdekt dat een medium de voicemail van een vermoord meisje hackte. In het Verenigd Koninkrijk wel. Daar heeft een commissie onder leiding van de rechter Brian Leveson een vernietigend rapport over de media uitgebracht en dreigt de regering nu met regels.

Dat mechanisme kan wel degelijk ook hier optreden: wanneer journalisten zichzelf niet disciplineren met op zijn minst scherpe onderlinge kritiek, krijgen ze dat op en dag terug van het publiek. Het is eenvoudig bad karma.

En het gaat verder. Zoals John Lloyd waarschuwt in What the media are doing to our politics: als media niet beter worden, dan zullen ze zo gewantrouwd worden en zo veel gezag verliezen dat zij andere machten niet meer ter verantwoording kunnen roepen. Daar kun je aan toevoegen: dan zullen die andere machten hen aan banden willen leggen. En dat is slecht voor een democratie.

Op dit moment werkt de regering aan een wettelijk verschoningsrecht voor journalisten, opdat die niet kunnen worden gedwongen hun bronnen te noemen. Wie denkt dat dat voorstel terugkomt van de Raad van State onder Piet Hein Donner zonder het advies dat de mediasector in ruil hiervoor dan ook een systeem voor tuchtrecht optuigt, is naïef. Andere beroepsgroepen met een verschoningsrecht kennen dat ook.

Laat ik het tot slot een beetje persoonlijk maken. Ik ben chef van een zaterdagkatern van De Volkskrant. Ik heb wekelijks een column op BNR Nieuwsradio. Ik heb een boel volgers op Twitter. En ik mag hier vandaag voor u spreken. Daarmee ben ik in de mediawereld nog maar een klein visje. De honderd invloedrijkste figuren in de media werden laatste bekend gemaakt en ik was in geen velden of wegen te bekennen. Maar zelfs ik heb onvoorstelbaar meer invloed dan de gemiddelde burger. Ik heb macht.

Ik hoop daarom op kritiek. Ik vraag beleefd om controle. Liefst niet alleen door u maar vooral ook door collega's.

Kustaw Bessems is journalist en chef van het zaterdagse katern Vonk van de Volkskrant.

Dit stuk is de keynote speech die Kustaw Bessems gisteren hield op de Staatsrechtconferentie The Powers that Be van de Universiteit Leiden. Bessems is ook columnist bij BNR Nieuwsradio en samen met Dirk Jacob Nieuwboer auteur van Doe eens normaal man. In 7 stappen naar een betere politiek.