CDA-fractievoorzitter Sybrand Buma.
CDA-fractievoorzitter Sybrand Buma. © ANP

'Perspectief voor het CDA ligt op rechts'

Een ruk naar links met een nadruk op christelijke waarden is historisch gezien een tegennatuurlijke koers voor het CDA, schrijft Coos Huijsen.

Na wéér een verkiezingsnederlaag is het CDA opnieuw naarstig op zoek naar mogelijkheden tot overleving. Hierbij wordt nogal eens voorbijgegaan aan oorsprong en aard van het beestje. Een ruk naar links met een nadruk op christelijke waarden, zou historisch gezien volstrekt tegennatuurlijk zijn. De christelijke of confessionele politiek, waaruit het CDA voortkomt, is juist ooit begonnen als een antimodernisme. Als reactie op de ideeën van de Verlichting. De bezwaren tegen de 'geest der eeuw', waarvan de orthodoxe protestant Da Costa sprak, golden de rationalistische levensinstelling en opvattingen over mondig burgerschap en volkssoevereiniteit, die leefden onder liberalen en socialisten.

Hier tegenover stelden orthodoxe protestanten en katholieken de historische orde, voor hen van God gegeven. Op grond hiervan handhaafde de overheid, als 'dienaresse Gods', het gezag, de maatschappelijke verhoudingen en een bijbelse publieke moraal. Iedereen had zich, gelovig of niet, daaraan te onderwerpen.

Behoudende kracht
Ook de kijk op de natie werd in hoge mate door de confessionele opvattingen ingekleurd. Hoewel de christelijke politiek zich organiseerde in volkspartijen en niet zonder oog was voor de sociale kwestie, manifesteerde zij zich toch vooral als een sterk behoudende kracht met een van oorsprong uitgesproken rechtse ideologie. Pas in de jaren zestig zouden de christelijke partijen door onder andere de secularisatie hun parlementaire meerderheid kwijtraken.

Deze verzwakte positie en ook de oecumenische toenadering tussen katholieken en protestanten en hun samenwerking in Europees verband stimuleerden een uiteindelijk samengaan. Een heftig strijdpunt was daarbij wat de ideologische basis van de nieuwe politieke formatie zou moeten worden. Zo waren het vooral de antirevolutionairen die nadrukkelijk de Bijbel als grondslag wensten. Onder hen was een minderheid bestaande uit jongeren en een aantal prominenten uit kringen van de Vrije Universiteit en het CNV die op grond van de 'radicaliteit van het evangelie' een meer linkse koers bepleitte.
De meerderheid, ook onder antirevolutionairen, was allerminst radicaal. Vooral onder katholieken en christelijk-historischen voelde men zich ongemakkelijk bij zo'n directe verwijzing naar de Bijbel, alsof er een hotline met de hemel zou bestaan.

Na veel onderhandelen en herhaaldelijk hoog oplopende spanningen vond men elkaar in de aanname dat er van het christelijk geloof een zekere oriëntatie zou uitgaan voor politiek handelen, zonder dat dit behoefde te leiden tot dé christelijke politiek. Behalve dat het CDA zich sterk op het maatschappelijke middenveld bleef richten, werden er ter nadere oriëntatie enkele abstracte kernbegrippen genoemd: gerechtigheid, solidariteit, gespreide verantwoordelijkheid en rentmeesterschap. Die stonden echter los van enig ontwikkelingsperspectief.

Vager
Hierdoor bleef de nieuwe partij - overigens passend in een tijd van ontideologisering - politiek aanmerkelijk vager dan zijn voorlopers. Er was ook hier, conform de tijdgeest, sprake van een zekere openheid voor nieuwe ideeën, maar links was het CDA beslist niet. De opvattingen van de 'radicalen' ervaarde de rest vaak als irritante moralistische pretenties. Politiek en theologisch was in het nieuwe CDA toch vooral het 'gemoedelijke midden' te vinden, met een tendens naar rechts. Voor nogal wat CDA'ers vormde de VVD een goede tweede keus. Kortom: splijtstof was vanaf het begin aanwezig.

Voor de praktische politiek van het CDA was het Dries van Agt, de eerste lijsttrekker bij de verkiezingen van 1977, die de toon zette. Veelzeggend was zijn stelling: 'Wij buigen niet naar links of naar rechts' en zijn pleidooi voor een 'ethisch reveil'. Zijn keuze voor een kabinet met de VVD leidde weliswaar tot verzet van enkele 'naspartelende antirevolutionaire' Kamerleden, de 'loyalisten', maar daarbij bleef het. Hun houding werd zelfs als deloyaal ervaren, zodat ze bij de kandidaatstelling in 1981 werden afgestraft met lagere lijstposities. Ook opvallend is het dat afsplitsingen in die jaren (PPR in 1971 en EVP in 1981) niet op veel aanhang konden rekenen. Eens te meer een bevestiging dat het CDA weinig links potentieel heeft. Met Van Agt II, met PvdA en D66, was het gauw afgelopen. En niet voor niets zocht premier Lubbers in de jaren 1980 voor twee van zijn drie kabinetten steun bij de liberalen , om zijn pragmatische saneringspolitiek te verwezenlijken.

Na de nederlaag van 1994 voerde het CDA oppositie tegen Paars. Het trachtte, veelal geïnspireerd door ideologen van antirevolutionaire herkomst, zich inhoudelijk te vernieuwen. Maar het bleef voor het CDA een moeizame klus op grond hiervan oppositie te voeren. Pas nadat Pim Fortuyn de Nederlandse politiek drastisch had opgeschud en vervolgens was vermoord, grepen de ontredderde kiezers in 2002 terug op het CDA als partij van het veilige midden.

Normen en waarden
Het CDA claimde opnieuw een centrumpositie en Balkenende presenteerde zich als man van 'normen en waarden'. Qua machtspositie leek het CDA ondanks de voortgaande ontkerstening weer grotendeels terug van weggeweest. Maar de electorale klap van 2010 liet zien dat de secularisatie gewoon had doorgezet en dat de christen-democraten evenmin antwoord hadden op de vervreemding tussen de politiek en het grote publiek, waarmee na Fortuyn, Wilders furore maakte.

De verkiezingsnederlaag van afgelopen maand vormt een bevestiging van de trend van twee jaar ervoor. De onenigheid over samenwerking met de PVV heeft de malaise hooguit versterkt, maar is er zelf niet de oorzaak van. We moeten niet vergeten dat tweederde van het CDA-congres ermee akkoord ging en dat in de media vooral vroegere partijprominenten bleven nasputteren. Veelzeggend in dit verband is ook dat de CDA-kiezers in groten getale zijn overgelopen naar de VVD, die juist wél stond voor de bezuinigingen en de gedoogconstructie. Zij maakten hun tweede keus gewoon tot eerste. Betrek hierbij de oorsprong van de christen-democraten en het geringe effect van hun eerdere afsplitsingen in progressieve richting en het mag duidelijk zijn dat een linksere koers voor het CDA weinig perspectief biedt. Van meer godsdienst moet het ook niet komen: SGP en CU bedienen deze niche.

Als er nog perspectief zou zijn voor het CDA dan ligt het op rechts, bij redelijk, fatsoenlijk, traditioneel en ondernemend Nederland. Maar dan moet de VVD daar wel een gat laten vallen. Zo zou een coalitie van VVD en PvdA toch nog een geschenk uit de hemel kunnen zijn.

Coos Huijsen is oud-Kamerlid voor de CHU. Hij nam deel aan de besprekingen voor de vorming van het CDA.